Geplaatst op 1 Reactie

Over Leven

Licht sijpelt tussen de gordijnen door die ik, liggend op de grond en met nauwelijks nog kracht in mijn lichaam, niet verder open krijg dan een kiertje. Ik heb het koud, ijskoud zelfs sinds ik uit de douche stapte en viel, op de grond terecht kwam en niet meer op kon staan. Dat was gisteren in de ochtend, om 8:46. Dat weet ik zo zeker omdat ik vanaf de grond mijn nachtkastje kon zien naast mijn bed, en de wijzers gaven precies aan hoe laat het was.

En daar lag ik dan, gisteren, op de grond. Ik merkte meteen dat er iets mis was met mijn linkerbeen, en mijn linkerarm, die geen kracht meer hadden. Nog steeds niet. En door de val heb ik ook mijn rechterpols bezeerd, zodat het gruwelijk veel pijn doet als ik hem probeer te gebruiken. Daarom bleef ik eerst ook liggen toen ik viel: het deed te veel zeer om iets te doen, om naar de woonkamer te kruipen om de telefoon te proberen te pakken, of… ja dat andere ding.

Vorige week gaf ik toe aan mijn oudste zoon. Ik nam zo’n stomme alarmknop, omdat hij dat zo graag wilde. Hij had het ook meteen geregeld: misschien had hij het stiekem al voorbereid voordat hij mijn toestemming had gekregen. Daar moet ik nog een keer een hartig woordje met hem over spreken. Maar goed, hij doet ook zoveel voor me, dus ik gaf maar toe aan zijn voortdurende gedram. Soms moet je een nederlaag incasseren, om te laten merken dat je het waardeert, de inspanning van de ander. Het alarmsysteem is geïnstalleerd nu, en er is een alarmknop aan een goedkoop koordje die ik om mijn nek kan hangen, zodat ik altijd om hulp kan vragen als er iets gebeurt. Zoals vallen als je uit de douche stapt. Alleen hangt dat stomme ding nog in de woonkamer, aan de kast. Dat ik een alarmknop accepteer, betekent niet dat ik er de hele tijd mee ga rondsjouwen! Ik heb het even geprobeerd, de eerste dag, maar dat ding zat steeds in de weg. Ik heb er door geknoeid met mijn koffie en ik liet een sigaret vallen. Niet brandend, gelukkig, anders had ik misschien het huis in de fik gestoken. Zo zie je maar weer, dingen die zogenaamd voor je veiligheid zijn, kunnen juist ook gevaar opleveren.

Ik lig en ik kijk naar de deur van de slaapkamer. Gisteren al wist ik dat het maximaal één dag zou duren, het liggen op de grond in mijn blote kont. Op woensdag namelijk komt mijn fysio. Een lieve jongen, en dat hij homo is, maakt me helemaal niks uit. Dat vind ik juist heel leuk, kunnen we samen over knappe mannen praten. Hij is er om tien uur, elke woensdag, en dan helpt hij ervoor zorgen dat mijn oude lijf nog een beetje in beweging kan blijven. En nu is het woensdag zeven uur. Nog maar drie uur bibberen van de kou dus.

Aan sigaretten denken, dat had ik niet moeten doen. Sigaretten. Ze liggen op tafel, een open pakje, met de aansteker er naast. En een slof in de kast natuurlijk. Gauloise blauw, andere soorten vind ik smerig, en ik rook ze al meer dan zestig jaar, vanaf het moment dat ik op vakantie ging in Frankrijk en daar mijn eerste vriendje (een Griek, het leven kan raar lopen) leerde kennen tijdens de druivenpluk. Hij rookte Gauloise, en ik dus ook. Ze liggen te ver: een slaapkamer uit, kruipend, terwijl alles, mijn hele lijf en hoofd stervens pijn doen, de gang door, de woonkamer in, naar de tafel. En dan kan ik er nog niet bij want de tafel is hoog.

Toen ik wakker werd vanochtend, had ik dorst, zo vreselijk veel dorst dat ik dacht dat mijn tong vergroeide met mijn verhemelte. Ik heb me omgedraaid en ben terug gekropen naar de badkamer, stukje bij beetje. Het washandje was nog nat en gelukkig had ik mijn handdoek op de grond later vallen! Het tweedehands water deed me goed. Nooit gedacht hoe blij een mens kan zijn met een paar druppels.

Ik hoest, omdat het kriebelt en dan hoest ik nog eens omdat het niet los komt. Normaal gesproken drink ik nu mijn tweede koffie en rook ik er een sigaret bij. De rook verdooft mijn longen zodat het hoesten stopt, zodat ik dan, gek genoeg, juist meer lucht krijg. Vandaag niet, deze ochtend niet. De kamer is te ver, de keuken ook, ik lig en heb pijn en kan niets.

Soms worden mensen pas na een paar dagen of zelfs maanden gevonden. Je ziet het op het nieuws, of je leest erover in de krant. Mensen die in huis vallen of gewoon sterven omdat het tijd is, en die dan maanden liggen, langzaam verdrogen en een mummie worden of beschimmelen en wegrotten. Of ze worden opgegeten door hun hond of kat. Maar dat zal mij niet gebeuren, want de fysio komt woensdag, vandaag dus en die redt me wel.

De tijd maakt kleine stapjes op de klok, knipper, knipper van de secondes, en af en toe verdwijnen of verschijnen streepjes die de tijd wat verder helpen, een minuutje tegelijk. Hij is altijd op tijd, Hans, mijn fysio, die lieve jongen. Bijna, bijna is het tien uur, en dan belt hij aan en dan doe ik niet open, dan belt hij nogmaals want misschien zit ik op het toilet. Hij is geduldig, Hans. En dan maakt hij zich zorgen en breekt hij in, of hij belt de politie of hij doet wat anders, maar dan is het liggen en wachten en pijn hebben in ieder geval voorbij.

Ik schrik. Poepen. Ik moet poepen. Ik kijk om me heen, weet niet waar ik naar zoek. Wat moet ik doen? Ik moet poepen, en als ik moet, moet het. Gisteren heb ik niet gepoept. Waarom niet? Omdat ik een groot deel van de dag bewusteloos was? Hoe werkt dat met poepen? Als je slaapt, hoef je niet natuurlijk.

Vechten ertegen lukt niet, dus ik kijk om me heen of ik een plek kan vinden waar ik het kan laten gaan, ik zoek iets om het mee op te vangen en ik zie het, een tijdschrift dat naast mijn bed is gevallen, er onder is geschoven een paar dagen geleden. ik kruip er naar toe, beetje bij beetje en probeer het te pakken maar ik ga te langzaam en alles doet zeer en het komt er gewoon uit, uit mijn stomme poepgat, loopt langs mijn billen en benen en in mijn vagina, vieze, natte plakkerige poep en ik voel me een baby, of nog erger, een stom varken dat in zijn eigen poep rondwroet. Ik voel de viezigheid zitten, voel het verder sijpelen, het vermengd zich met de plas die ook maar gelijk mijn lichaam heeft verlaten, alsof het allemaal nog niet erg genoeg was.

Even lig ik stil. Dan denk ik na. Hans is er zo, mijn lieve Hans, en die vindt mij. Ik wil niet dat hij mij zo ziet, dat ik bloot ben is al erg genoeg, maar ik wil niet zo hulpeloos zijn, zo kapot dat ik niet eens mezelf schoon kan houden. Als ze me zo vinden, brengen ze me vast naar een verzorgingstehuis en dat wil ik juist niet, ik wil mijn vrijheid houden, mijn eigen huis, in mijn eigen tijd dingen doen die ik wil doen.

Ik moet iets doen. Weer verken ik de kamer: wat kan ik gebruiken om de poep weg te vegen? Het tijdschrift ligt te ver weg en die gladde blaadjes nemen natuurlijk niks op. Er ligt geen kleding op de grond, alles ligt in de wasmand die op het kasje staat en waar ik dus niet bij kan. Dan kijk ik naar de badkamer. De vochtige handdoek. Die moet ik hebben.

De tijd dringt. Ik heb maar een half uur voordat er wordt, voordat Hans er is. Mijn hand doet zo veel zeer dat ik alleen maar wil huilen en schreeuwen maar ik wil mijn kracht daar niet aan verspillen. Dichterbij en dichterbij, en dan ben ik er, ik pak de handdoek waar ik net nog wat water uit heb gedronken. Ik pak hem beet met mijn pijnlijke hand en breng hem dan naar achteren, naar mijn bips.

Het doet te veel zeer, mijn arm en pols en hand en het lukt niet. Ik kan de handdoek niet met genoeg kracht over mijn bil en vagina halen om de poep echt weg te krijgen en alles blijft vies, de poep streept zelfs over steeds grotere delen van mijn lichaam, van anus naar navel en over mijn benen want de poep zit aan de handdoek en komt ongewild overal terecht.

Het is 09:59 uur. De deurbel gaat. Hans is vroeg. Of misschien is mijn klok niet juist. Even twijfel ik of ik wel wil dat Hans me zo ziet, nu ik zo vies, zo kwetsbaar, zo kapot ben. Misschien is het maar beter dat ik dood ga, zodat ik er zelf tenminste niet bij ben als mijn lichaam gevonden wordt. Dat bespaart me die schande. Maar dan pep ik mezelf op.

Ik probeer me op te richten, wil Hans roepen maar mijn armen willen niet en mijn stem blijft weg. Ik adem de woorden uit, roep zo zacht ‘Help’ en ‘Hans’ dat mijn eigen oren het niet eens kunnen horen. Hans belt weer aan, roept. ‘Hallo? Mevrouw de Vries!’ Eén keer, twee keer. Hij bonst op de deur. Dan gaat mijn telefoon in de woonkamer. Hans belt, één keer, de telefoon blijft over gaan, stopt dan, en dan probeert Hans het nog een keer. Hij geeft niet zo maar op, want zo is mijn Hans.

Ik hoor voetstappen naderen aan de andere kant van het raam, probeer omhoog te komen om naar de gordijnen te kruipen, het lukt een klein beetje maar ik kan niet bij het doek, bij de zware gordijnen die zo hoog hangen. Ze blijven dicht, op het kleine kiertje na dat eventjes verduistert en nog eventjes, als Hans er langs loopt en het licht tegen houdt. Weer probeer ik te roepen, maar ik lijk alleen maar te kunnen grommen. Ben ik echt na één nacht en dag niet meer dan een dier, zonder taal en zonder woorden?

‘Mevrouw de Vrie-hies!’ roept hij weer en hij tikt op het raam met zijn ring met dat ene diamantje erin, die hij van zijn verloofde heeft gekregen een paar maanden geleden. Ik worstel om omhoog te komen maar het lukt niet omdat mijn arm zo veel pijn doet. Ik probeer te schreeuwen en doe dat ook van binnen maar uit mijn mond komt alleen maar zielig gepiep. Hij loopt weer weg, naar de voordeur. Ik hoor het klepje van de brievenbus. Nu weet ik wat ik moet doen.

Mezelf oprichten lukt niet, maar ik kan me wel een beetje voortduwen, langzaam, over de laminaatvloer. Beetje bij beetje moet ik mezelf naar de slaapkamerdeur duwen, want daar, als ik mijn arm uit steek, als ik net ver genoeg ben, dan kan ik zwaaien naar de gang en als hij dan naar binnen kijkt, door de brievenbus, waar mijn oudste gelukkig nog steeds geen tochtborstels heeft gemonteerd, ook al heb ik ze allang gekocht en liggen ze klaar in het schuurtje, dan kijkt Hans, mijn lieve fysio, door de brievenbus en dan ziet hij mijn hand zwaaien, weet hij dat ik in de problemen ben.

Ik schuif over de grond, duw me vooruit met mijn tenen en trek me naar voren met mijn vingers. Ik maak poepsporen op de grond en heel mijn lichaam raakt besmeurd, maar ik heb hoop, hoop dat deze bezoeking snel voorbij is. Hans belt, hoor ik, met het kantoor.

’Ze doet niet open, nee. Alweer niet.’

Hij is even stil. Ik was me een keer vergeten af te melden toen ik naar het ziekenhuis ging voor een afspraak, dat was niet zo charmant van me. Stond hij hier voor niks.

‘Ja dat denk ik ook,’ zegt Hans tegen zijn telefoon. ‘Is goed,’ zegt hij dan. ‘Dan kan ik gelijk mijn administratie bijwerken,’ zegt hij en hij lacht.

Ik lig hier binnen en krijg het nog kouder. Met alle kracht die er nog in mijn lichaam zit, kruip ik naar voren. Hans gaat weg. Hans gaat weg en ik denk niet dat ik het overleef als ik hier nog drie dagen en nachten moet liggen in mijn eigen vuil. Ik ben er bijna, bijna bij de deuropening, iets verder nog, iets verder en ik steek mijn hand uit, hij moet het zien als hij door de brievenbus kijkt, hij moet me zien, mijn hand, hij mag niet zomaar weg gaan, hij mag niet…

Hij bonkt op het raam van de slaapkamer en roept nog een keer ‘Hallo? Mevrouw de Vries?’ Dan loopt hij naar het raam van de woonkamer en klopt er op, roept nog een keer. Kom nu naar de gang en kijk door de brievenbus, lieve Hans! Kom en kijk en zie mij, zie mijn hand die om hulp vraagt, kom.

Zijn voetstappen verwijderen zich. Hans is weg. Binnen in de woonkamer hoor ik de telefoon nog een keer overgaan en dan, als hij op het antwoordapparaat gaat, hoor ik Hans. ‘Voortaan wel even zeggen als je een afspraak hebt, hè lieverd? Nou, goed, ik zie je volgende week wel. En dan zal ik je eens flink knijpen als straf dat je me voor niks hebt laten komen. Nou doei!’

Hij hangt op. Hans is weg en ik hoor hem ook niet meer. Ik weet niet wat ik moet doen. Voor het eerst voel ik tranen opkomen, maar dan merk ik dat ik geen vocht meer in mijn lichaam heb om druppels te kunnen maken. Ik zak weg.

Als ik wakker wordt, is het alweer donker aan het worden. Blijkbaar werkt tijd anders, en slapen ook. Ik droom, denk ik, want ik zie mijn oom in de deuropening staan en dat kan niet want hij is al heel lang dood. Is hij een geest? Of ben ik overleden en zie ik nu andere doden? Ik weet het niet. Als ik mijn hand probeer te bewegen schiet er een pijnscheut door mijn lichaam en vermoed ik dat ik nog niet dood ben. Dood zijn zou wel extra naar zijn als je niet verlost werd van de pijn. Ik zucht diep, en dat doet zeer. Dorst. Ik heb verschrikkelijke dorst. Als ik nu kan kiezen tussen een glas water en een sigaret, zou ik voor het water kiezen, zo erg is mijn dorst. Wat moet ik doen. Waar is water? Ik heb het washandje al leeg gezogen en de handdoek is besmeurd met poep. Waar is water?

Het huis is stil, ik denk na. Dan hoor ik het. De douche lekt. De douche lekt! Al maanden klaag ik bij mijn oudste dat hij hem moet repareren, maar hij heeft nooit tijd. En daar ben ik nu blij om.

Ik val flauw tussen de deur van de slaapkamer en de badkamer, van de pijn misschien of de kou. Als ik wakker wordt, realiseer ik me dat de volgende keer dat ik weg raak, ik misschien niet meer wakker word. Ik sleur mezelf naar voren, naar de badkamer, en pak daar het washandje waar ik gisteren nog water uit sabbelde. Ik kijk omhoog, naar de douchekop waar tergend traag druppels uit vallen, en leg het er precies onder. Drup. Drup. Drup.

Misschien ben ik in slaap gevallen, misschien ben ik weer bewusteloos geraakt. Kan een mens meer dan 15 uur per dag slapen? Als je ziek bent misschien. Ben ik ziek, of ben ik gewond? Kan je van gewond zijn slaperig worden? Probeert mijn lichaam te herstellen door in slaap te vallen, alles in stilstand te zetten om geen energie te verspillen? Ik weet het niet. Ik weet wel dat mijn pols steeds dikker wordt en dat elke beweging me meer kracht kost. Drup Drup Drup.

Het washandje is goed vochtig. Ik knijp het water er uit met mijn pijnlijke hand, in mijn mond. De druppels die langs mijn mond op de tegels vallen, lik ik er af alsof ik een hondje ben. Het is niet veel, maar mijn mond is tenminste niet meer zo uitgedroogd. Drup, drup, drup. Blijf ik nu hier, om op de volgende slok water te wachten? Kruip ik naar de woonkamer? Misschien kan ik de tafel omduwen en valt de telefoon er af. Dan denk ik aan het massief eikenhouten ding en weet dat dat niet gaat lukken. Wacht, misschien aan het snoer trekken.

De vloer van de badkamer is te koud om er te blijven liggen in ieder geval: ik kruip er weer uit, laat het washandje achter onder de drup om nog meer water voor me te vangen.

Mijn oudste zoon komt van het weekend pas, en hij haalt altijd boodschappen voor me waar hij vrijdag over belt. Als hij me niet aan de telefoon krijgt, zal hij zich wel zorgen maken. Misschien komt hij dan langs. Maar nu is het woensdag en het is koud en ik heb alleen maar een beetje water en ik ben vies. Hoe lang kan je leven zonder eten en met zo weinig water? Een paar weken, of een paar dagen? En wanneer raak je onderkoeld? Tot wanneer houdt mijn lichaam het vol? Hou lang houdt een lichaam van een vrouw van 78 het vol, op de grond, ongekleed, zonder eten en drinken?

Donker. Drup drup drup. Blijkbaar was ik weer weg, en dat is niet goed. De tijd gaat wel sneller, en dat is goed. Vrijdag komt dichterbij, redding komt dichterbij. Alles doet zeer. De cijfers op de klok dansen, zodat ik niet precies weet hoe laat het is. Ik hoor voetstappen boven, van de bovenbuurman die ik nooit spreek, die me nooit wilde groeten op straat sinds het moment dat ik er iets van zei dat hij de poep van zijn hond niet opruimde. Die zak mist me vast niet. Of, misschien, misschien kan ik me laten horen. Ik kijk om me heen, zie de verwarmingsbuizen die naar het plafond gaan. Bovenlangs naar de gang en weer naar beneden de kast met de cv ketel in. Hoort de bovenbuurman het als ik op de buizen tik? Drup drup drup hoor ik. Ik ga tikken, tik, tik tik. Ik kruip naar de muur, zie mijn schoen liggen, een stevige hak. De muur, de buis met water, een beetje warm omdat ik twee dagen geleden de verwarming op 8 had gezet. Of 18? 80? Er zat een acht in, dat weet ik nog. waarom weet ik niet meer welk getal? Ik kruip er zo dicht mogelijk tegenaan, om een beetje van de warmte te voelen.

Ik bonk op de verwarmingsbuis. En nog eens. drup drup, tik tik. De hond blaft. Ik tik nog eens, de hond blaft weer.

Het is donker, ik zie rood op de klok maar niet cijfers.

Donker. cijfers? ik tik, alles doet zeer. Blaf blaf.

Licht. Ik ben er weer. Ik ben bang. Ik kruip naar de badkamer. Ga ik achteruit? Ik weet niet meer wat mijn hand moet doen. mijn been. Wat doe ik? ik ga vooruit. beetje beetje, drup drup. Badkamer. Het washandje is nat. Mijn goede hand heeft geen kracht meer, kan niet knijpen. Ik lik het washandje, zuig er aan. drup drup ernaast. Ik lig met mijn gezicht op het vochtige washandje. Koud en stinkt. Hij ligt hier nu al een paar dagen natuurlijk, geen wonder dat hij een beetje begint te ruiken. Maar ik stink vast nog meer.

Blaft de hond? Waarom blaft hij niet? Oh ja, ik tik niet op de verwarming…

Licht uit de gang en door de kier. Misschien kijk ik er al een tijdje naar. Zijn er echt een paar dagen voorbij? Of misschien een week. Ben ik al dood en blijft mijn geest bij mijn lichaam tot het lichaam begraven is? Of in het huis? Misschien wordt ik een geest. Ik kijk naar de gang. Kan ik er heen? kloppen op d deur met schoe. als aanbelt

drupdrupdrup. koudkoud, dorst. ik lig in de gang. weet niet hoe. schoen in hand

bonk bonk bonk. Stemmen, harde stemmen. Schreeuw. VRIES hoor ik, en dat ben ik, Vries, dé Vries. Bonk op deur.

Glas breekt, gerinkel, ik kijk. Enge mannen ENGE MANNEN! het is donker, enge mannen. Ik probeer te schreeuwen, maar ben stil. ze pakken me beet en

donker. het is warm. mijn mond doet geen zeer meer. ik zie lichtjes. waar ben ik. drup drup drup. ik zie hem. mama zegt hij. het is goed.

 

Geplaatst op Geef een reactie

Afgeschreven

Automatisch probeer ik de vlek van de kaft te vegen, maar ik merk dat het niet lukt. Ik lach als ik me realiseer wat ik aan het doen ben: de vlekken op mijn boek zijn erop gedrukt. Vegen helpt dus niet.

Een groot deel van mijn middelbare schooltijd hadden we thuis heel erg weinig geld. We gingen nooit uit eten, aten zelfs maar een paar avonden per week warm, vakantie of zelfs een dagje uit zat er zelden in. We hadden tweedehands meubels en we droegen tweedehands kleding die we kregen van familieleden (beste neven en nichten: nog bedankt daarvoor! Het was altijd een feestje om de zakken met kleding uit te pluizen en allemaal prima kleding erin te vinden. En omdat we alle vijf totaal andere maten hadden, was er nooit ruzie over wie wat kreeg).

Vanaf het moment dat ik mocht werken, had ik een krantenwijk. Van de 200 gulden die ik er mee verdiende, gaf ik mijn moeder de helft voor het huishouden, maar de rest was voor mij! Ik kon zelf mijn schoolreisjes betalen, zodat ik niet weer als enige thuis moest blijven terwijl de rest naar Rome ging, zoals in de tweede klas. Ook kon ik af en toe foto’s laten ontwikkelen (gemaakt met mijn gekregen Praktica-camera, waarvan de lichtmeter het alleen deed als ik hem verticaal hield). En ik hield wat geld over om boeken te kopen. Want dat was mijn grootste hobby, lezen.

In de bibliotheek van Rijswijk was ik vaak te vinden, ik leende er zelfs zó veel boeken dat ik op een dag te horen kreeg dat ik het maximum had bereikt: 50 boeken. Nog niemand had dat aantal ooit gehaald. Maar in de bibliotheek werden ook regelmatig boeken verkocht, voor een paar dubbeltjes per stuk. Boeken die te oud en té versleten waren om nog uit te lenen. Daar zaten soms juweeltjes bij, kinderboeken die ik met veel plezier gelezen had, of wetenschappelijke boeken die ik nog niet kende, science fiction en fantasy boeken die ik toen begon te ontdekken. En daarvan bouwde ik mijn thuisbibliotheek op, boek voor boek.

Een jaar geleden dacht ik na over hoe mijn nieuwe verhalenbundel er uit moest zien. Ik dacht aan de boeken waar ik vroeger heel erg blij van werd, de schatten die ik vond in de ‘we moeten er vanaf’ sectie van de bibliotheek. De vormgeefster heeft er iets moois van gemaakt, een boek dat er zó echt doorleefd uitziet dat je af en toe denkt dat je er een vlekje of viezigheid vanaf moet vegen.

Wil je het boek van dichtbij bekijken? Hier is de link waar je hem kan vinden om te kopen. Als het met de betaling om wat voor reden niet lukt (dat hoorde ik van één koper), stuur me dan maar even een mailtje.

Geplaatst op Geef een reactie

Slapeloos

Mijn oudste komt de slaapkamer binnen, om vier uur in de nacht. Hij is deze week al vaker bij ons komen liggen, misschien onrustig omdat hij na twee maanden thuisonderwijs weer naar school moet. Hij heeft enge dromen, vertelt hij, maar we weten niet waarover. Ik maak me er zorgen. Nachtmerries over de Witcher 3, waar hij vaak naast me zat en stukjes meespeelde? De filmpjes over een of andere ‘granny’ die ‘I see you’ zegt, op youtube? Stopmotion zombie-lego filmpjes? Laten we deze 7 jarige jongen té enge dingen zien?

Hij kruipt over ons bed, ik doe het dekbed open om hem tussen ons in te leggen.

‘Had je een enge droom?’ vraag ik. Hij knikt.

‘Waar ging het over?’

‘Ik werd overreden door een bus,’ zegt hij.

GELUKKIG MAAR! We zijn geen slechte ouders.

We vallen snel weer in slaap.

 

Geplaatst op Geef een reactie

Hij bestaat

Mijn twee oudste kinderen kijken een youtubefilmpje van Sinterklaas (in april).

‘Sinterklaas is zó leuk!’ zegt mijn dochter van bijna 4 jaar. ‘Zo jammer dat hij niet echt is…’

Haar grote broer, van bijna 7 jaar, kijkt haar aan.

‘Maar Malin!’ zegt hij. ‘Sinterklaas bestaat wél echt!’

‘Echt waar?’ Haar ogen worden groot.

‘Ja!’

Ze springt op en juicht.

‘Wauw! Hij bestaat echt!’

En ze kijken samen verder.

Geplaatst op Geef een reactie

Achmed

De juf met ruim veertig jaar ervaring op basisscholen in Amsterdam West kijkt me aan over haar bril.

‘Hoe spel ik dat?’

Ik leg haar uit hoe je de naam van het meisje moet schrijven. Ze schudt haar hoofd. Vijfentwintig kinderen in de klas, twintig nationaliteiten.

‘Waarom heet er niemand meer gewoon Achmed,’ verzucht ze, en dan lacht ze.

Geplaatst op 1 Reactie

De Eerlijke Dief is binnen!

Vandaag is dan eindelijk mijn tweede verhalenbundel binnengekomen. Wil je er eentje via de post ontvangen?

Klik dan hier!

Geplaatst op 1 Reactie

Metoo of Niet-too?

In het smalle gangetje voor de kleutergroep, waar kinderen hun mutsen, sjaals en jassen aan de kapstok hangen en ze zich omkleden voor de gym, proberen ouders hier zo goed mogelijk mee te helpen. Een van de moeders staat op als haar kind omgekleed is en draait tegelijkertijd om en slaat daarbij met haar hand vol in het kruis van een passerende vader. Hij schrikt maar loopt meteen door.

‘Ha!’ roept ze hem na, ‘nu kan jij ook #metoo zeggen!’

Geplaatst op 1 Reactie

Bruin

‘Willem had een gat in zijn kop, toen hij op vakantie was in Amerika, ‘ zegt mijn zoontje. ‘Allemaal bloed…’ Hij gebaart hoe het bloed over het hoofd van zijn klasgenootje moet hebben gestroomd.

‘Ik heb ook twee keer een gat in mijn hoofd gehad,’ zeg ik. Hij kijkt me aan.

‘Oh dáárom ben je zo bruin!’ zegt hij dan.

 

…..

 

Wat?

Geplaatst op Geef een reactie

Tuttebel

‘Oh wat ben je toch een tuttebel,’ zegt mijn vriendin tegen ons dochtertje van 2.

‘Ik ben geen kuttebel!’ roept ze. ‘Ik ben ech geen kuttebel! Ech nie!’

Dat beamen we.

Geplaatst op Geef een reactie

Verkocht

‘Wil je met me spelen, met de Lego?’ vraagt mijn zoontje. Het is zondagochtend, half negen. Ik zit al een uur achter de computer te werken, hij is net bij me komen staan. Hij moest van mij na twee afleveringen van de Drakenserie de televisie uit doen en gaan spelen met speelgoed.

Ik kijk naar mijn scherm, weet hoeveel ik nog moet doen, hoeveel er altijd te doen is met dit bedrijf. Ik voel me zo’n vader in een tv-film die er uiteindelijk achter komt dat kinderen en familie véél belangrijker zijn dan werk en succes.

‘Ik moet nog even werken,’ zeg ik toch. Hij zucht zoals al die jongetjes op tv zuchten als hun vaders dat zeggen.

‘Maar waarom dan?’

‘Omdat ik, omdat ik dan geld verdien en leuke legocadeautjes kan kopen voor je verjaardag!’

‘Topidee pap,’ zegt hij en hij steekt zijn duim op. Ik ben trots en voel me tegelijkertijd nog veel schuldiger. Ga ik hem ook nog omkopen? Weer een stap op het pad van de slechte, afwezige vaders.

 

Een weekend later. We lopen samen de trap af naar beneden.

‘Mag ik tv kijken?’

‘Ja, want het is weekend! Je hoeft niet naar school.’

‘Is Malin ook vrij?’

‘Malin hoeft ook niet te werken.’

‘Joepie! En Bor?’

‘Die hoeft ook niet te werken.’

‘Gelukkig,’ zegt hij. Hij springt van de laatste twee treetjes af.

‘En mama?’

‘Die hoeft ook niet te werken,’ zeg ik.

‘Gelukkig,’ zegt hij weer. ‘En jij?’ vraagt hij dan.

‘Ik hoef ook niet te werken!’ zeg ik vrolijk.

‘Oh jammer,’ zegt hij en zijn schoudertjes zakken.

‘Hoezo?’ vraag ik.

‘Als je niet werkt, kan je geen Legocadeautjes voor me kopen!’ zegt hij.

Ik doe het godverdomme ook nooit goed.

 

ps: koop mijn boek!

Geplaatst op Geef een reactie

‘De Eerlijke Dief’ en andere verhalen. Nu te koop!

Lang, lang geleden, schreef ik meer dan honderd verhalen per jaar. Toen werd het ineens druk met Lukida, waarmee ik ervoor kon zorgen dat op tientallen scholen tientallen kunstenaars les konden geven zodat de scholen minder last hadden van het lerarentekort. Jaren lang werkte ik 60-70 uur per week om dat mogelijk te maken, en altijd was ik met het bedrijf bezig. Nieuwe verhalen kwamen even niet in me op (maar wel een oud verhaal…).

De verhalen die ik de jaren ervoor had geschreven, zette ik wel in een bundel: Eva Disselhoff selecteerde en verbeterde ze en Marie-José Schouten deed daarna de vormgeving.

Nu is het boekje ineens bijna klaar, zo midden in de Corona-crisis. Een boekpresentatie zit er niet in, maar ik kan natuurlijk wel de boeken in een envelop stoppen en opsturen naar iedereen die er eentje wil ontvangen.

Dus: vond je mijn verhalen op mijn site of op Facebook leuk? Wil je nog meer verhalen lezen van mij, ook thuis op de bank bijvoorbeeld? Bestel nu mijn tweede verhalenbundel ‘De Eerlijke Dief’. Als je de bestelling vóór 15 april doet, krijg je korting. Verzendkosten zijn niet inbegrepen, daar vraag ik 3 euro voor (postzegels en enveloppen zijn niet gratis helaas).

BESTEL NU

 

 

Geplaatst op Geef een reactie

Bladel

Mijn privé-telefoon gaat. Een onbekend nummer, tien uur in de avond op zondag. Het kan werk zijn, ik noem mijn voornaam en achternaam.

Mijn moeder is aan de telefoon. Wij, haar kinderen, hebben haar net naar een verzorgingstehuis gebracht. Ze heeft meerdere ernstige lichamelijke klachten en ook last van beginnende dementie.

 

‘Bladel,’ begint ze. ‘Daar had je het toch vandaag over?’

‘Wat?’ zeg ik.

‘Bee, el, a, dee, ee, el,’ zegt ze.

‘Bladel?’

‘Je vertelde vandaag over Bladel,’ zegt ze geduldig, ‘En over wat er aan de hand was.’

‘Het Brabantse dorp?’ vraag ik.

‘Precies,’ zegt ze, alsof ze nu verwacht dat ik weet waar het over gaat.

‘Nee, daar heb ik het niet met je over gehad vandaag,’ zeg ik, ‘Wat is er dan in Bladel?’

 

Ik zoek het meteen op in de computer. ‘Bladel en nieuws.’ ‘De nieuwe burgemeester moet humor hebben’ is het belangrijkste nieuws.

‘Niks aan de hand in Bladel,’ zeg ik tegen haar.

‘Hè?!’ zegt ze. ‘Ik weet zeker dat ik het er met je over gehad heb vandaag.’

‘Nee,’ zeg ik, ‘we hebben elkaar niet gesproken. Was er iemand op bezoek? Of aan de telefoon gehad?’

‘Ik heb jou gesproken,’ zegt ze. Dan is ze even stil.

‘Weet je mam,’ zeg ik, ‘ik ga deze week foto’s van de kinderen printen en naar je toe sturen.’

‘Ja graag,’ zegt ze gretig. ‘Ik heb je dochter en je jongste nog helemaal niet op het kastje staan! Dat kan natuurlijk niet, die horen er ook bij.’

 

We groeten elkaar en hangen op. Ik ga die foto’s snel uitprinten zodat ze elke dag kan zien wie haar kleinkinderen zijn. Misschien onthoud ze hun gezichten nog eventjes.

Geplaatst op Geef een reactie

Heb ik al gezegd

Mijn dochter van bijna drie pakt het kleine roze boekje beet, slaat het open.

‘Ik ga voorlezen,’ verklaart ze.

‘Tjadabadaba da, padiepadie en toen moest de baby op de commode. Maar hij wilde niet!’

Ze laat me een bladzijde omslaan (‘Nee, de andere kant’) en dan vertelt ze hetzelfde verhaaltje.

‘Tjadadadie badiebadie en de baby moest op de commode. Maar hij wilde niet!’

En dan vertelt ze hetzelfde verhaal nog een keer. En nog een keer. En nog een keer en nog een keer en nog een keer. En nog een keer … en nog…

‘Tjadadadie badiebadie en de baby moest op de commode. Maar hij wilde niet!’

‘Tjadiedadie padiebabie en de baby moest op de commode.’

 

Dan zegt ze even niks, ze draait de pagina om, kijkt er naar. Ik wil helpen.

‘Maar hij wilde niet!’ zeg ik enthousiast.

Ze klapt haar boekje dicht.

‘Papa!’ zegt ze streng. ‘Dat heb heb ik net al gezegd.’

‘Sorry,’ zeg ik. Maar gelukkig mag ik snel weer een pagina omslaan.

Geplaatst op Geef een reactie

Blote Benies

‘Blote benies!’ roept mijn zoontje als de bejaarde dame met de mooie jurk langsloopt. Ze lacht vrolijk en zegt:

‘Nou, het zijn geen blote benen hoor.’

Ze loopt de trap op en mijn zoontje kijkt haar na, denkt. Dan weet hij het.

‘Blote billies!‘

Geplaatst op Geef een reactie

Eén auto

‘Eén auto,’ zeg ik tegen de jongste, die twee grote playmobiel auto’s en een plastic vuilniswagen de trap probeert op te sjouwen. Het is avond en hij moet naar bed.

Hij schreeuwt, probeert ze allemaal vast te houden.

‘Eén auto,’ zeg ik nogmaals, en ik probeer er twee uit zijn sterke knuistjes te trekken. ‘Eén auto of je mag er helemaal geen meenemen.’

Hij laat niks los dus ik pak ze allemaal af. Hij schreeuwt en huilt.

 

Eén avond later. Mijn vrouw heeft net gezegd tegen alle kinderen dat ze naar bed gaan. De jongste zit op zijn hurken bij zijn plastic bak met auto’s. Hij pakt er eentje uit, geeft die aan mij.

‘Eén auto…’ zegt hij en hij pakt de volgende. ‘Eén auto,’ zegt hij, en hij geeft er nog eentje. ‘Eén auto,’ zegt hij bij de volgende en de volgende, en de volgende die hij allemaal aan mij geeft totdat ik er uiteindelijk acht in mijn handen heb.

‘Nu echt naar boven!’ zegt mijn vrouw. De jongste kijkt me tevreden aan, wijst op de auto’s in mijn handen.

‘Eén auto,’ zegt hij en hij loopt langs me, naar de trap, waar hij naar boven klimt. En ik loop achter hem aan, met allemaal één auto’s in mijn handen.

Geplaatst op Geef een reactie

Bosplatform. Ommekeer

Ik zie nog steeds maar één kleur onder het boorplatform als ik naar beneden kijk. Alleen is het een andere kleur dan vorige week. Toen was het nog het grijsgroen van de zee met af en toe een witte schuimkop, nu zijn het honderd varianten van groen. Bosgroen. Tot zover ik kan zien zijn er alleen maar bomen, vooral eiken, met hier en daar de schittering van een klein beekje of meertje.

Toen ik wakker werd, merkte ik meteen dat er iets niet klopte. Ik snoof de lucht op: nog steeds staal en roest en olie, maar er was nog een andere geur bijgekomen, een wilde, zoete, volle, warme geur. Ik herkende de geur, maar kon het niet benoemen. Ik zat meteen rechtop. Op een boorplatform ben je altijd scherp: er gaat bijna nooit iets mis, maar als er problemen zijn, is je leven in gevaar. Onbekende geuren of geluiden? Gelijk alert zijn. Dat was het tweede: het geluid was anders. De zee geeft een diep ruisend geluid, er zit een ritme in, ook al is het soms onregelmatig. Dat geluid was weg. Vogels, die hoorde ik, heel erg veel vogels. Geen meeuwen. Die kwamen hier regelmatig langs om te kijken of we oud voedsel wilden delen. Werk op een platform is saai. Meeuwen naar oud brood laten happen geeft afleiding, zeker als je er een stuk staal in verbergt zodat ze direct tien meter naar beneden donderen voordat ze het broodje staal loslaten en boos krijsend wegvliegen. Maar meeuwen hoorde ik niet meer, het waren andere vogels, duiven vlak naast mijn kajuit die koerden en krabbelden over het staal maar ook duizenden vogels die krijsend rond onze toren vlogen.

Ik stond op, keek naar buiten en zag meteen het bos. Overal bos en duizenden vogels die in grote zwermen langs vlogen, genoeg om de prille ochtendzon half te verduisteren. Ik wreef in mijn ogen en stapte de gang op, zag daar André lopen, die met grote ogen naar buiten keek.

‘Wat de fuck,’ zei André. Hij vloekte normaal nooit. We liepen samen naar buiten en keken over de galerij naar beneden. Vijftig meter lager zagen we de toppen van enorme eiken. We keken elkaar aan, verbijsterd.

‘Heeft Chef gisteren magische paddenstoelen in het eten gedaan?’ zei André.

Ik haalde mijn schouders op.

We klommen naar het laagste punt van ons boorplatform, de onderhoudsruimte. Daar zagen we de bomen van dichterbij, herkenden sommige vogels die er in nestelden, merels en kauwtjes, spreeuwen en kraaien. Ook vogels die ik niet herkende. André wees een roedel herten aan die even zichtbaar was op een open plek in het bos, tussen twee omgevallen woudreuzen. De bomen waren nu zó dichtbij dat ik het gevoel weer kreeg dat ik vroeger altijd had in de flat waar mijn oma woonde, dat ik zo over de reling zou kunnen springen naar de bomen toe, om me door de takken op te laten vangen. Ik deed het natuurlijk nooit, maar het voelde altijd wel alsof het mogelijk was, dat de takken mijn val zouden breken zodat ik heelhuids op de grond kon belanden.

We maken de andere mannen wakker. Iedereen is verbaasd en stil eerst, daarna komen de discussies.

We pompen geen olie meer op, dat is wel duidelijk. Alle machines staan uit. De telefoons doen het niet meer, de computers en de beamer ook niet. De gasfornuizen doen het nog wel in de keuken, en het opwind horloge van Ferenc tikt vrolijk door. We wachten. Zittend op een volstrekt nutteloze toren van beton en staal wachten we een paar dagen tot we gered worden. We praten over hoe het kan dat we nu met onze toren in een bos zitten, maar geen enkele mogelijke oplossing klinkt als een logische verklaring. We weten het niet.

Normaal gesproken komt er een helikopter, als we problemen hebben. Er komt er zelfs elke drie dagen eentje om eten te brengen en dvd’s (Netflix heeft het hier nooit gedaan: geen fatsoenlijk internet). Maar er komt geen helikopter en al snel realiseren we ons dat die nooit meer zal komen, niet in deze wereld. We zien namelijk ook geen vliegtuigen overvliegen, niet meer het lichtje van het internationale ruimtestation boven ons hoofd.

We eten eerst alle vis en vlees uit de vriezers op en daarna eten we de koelkasten leeg. Nu hebben we nog meel voor pannenkoeken en heel veel blikken met allerlei soorten bonen. Het vult. We kijken steeds vaker naar beneden. De Polen vertellen wat er allemaal aan eetbaars in het bos te vinden is. Ook ik wil wel op avontuur uit in het eikenwoud. Ik ben altijd al een boskind geweest, van mijn vierde tot mijn veertiende ging ik elk weekend op pad met mijn oudere broers, het bos en de moerassen in aan het eind van onze wijk om avonturen te beleven en om te vissen, fikkie te stoken en boomhutten te maken.

Twintig mannen op een boorplatform draaien hun hand er niet voor om: een ladder maken die tachtig meter lang is. Kabels hebben we genoeg, en hoewel de lasapparaten het niet doen, weten we met twee lange staalkabels, bouten en moeren en haken, een ijzersterke ladder te maken. Ik ga er als eerst langs naar beneden, vrijwillig. Het bos ziet er niet gevaarlijker uit dan de bossen die ik uit mijn jeugd ken, ook al zijn er duidelijk veel meer dieren en zijn de bomen hoger, krommer, schever, vaker half omgevallen en leunend tegen andere bomen aan. Het is een wild bos, een oerwoud, waar nog nooit een mens lijkt te zijn geweest.

De ladder zwiept heen en weer terwijl ik naar beneden klauter. Ik zeker me steeds aan de staalkabels. Dat ik naar beneden durf te klimmen, betekent niet dat ik dom ben. Twee stapjes, haak 1 losmaken en verplaatsen, twee stapjes, haak 2 losmaken en verplaatsen. Het duurt even voordat ik beneden ben, met een brandbijl op mijn rug en een hamer en  klinknagels, bouten, een stuk kabel en moeren in een tas die aan mijn middel hangt. Ik kijk om me heen als mijn schoenen de vaste grond raken. Het bos lijkt terug te kijken, nieuwsgierig naar wat voor soort wezen er nu aan een wiebelende stalen ladder naar beneden komt. Maar ik zie niets waar ik me zorgen over zou hoeven maken en ik maak de ladder stevig vast aan een boom. Op de een of andere manier voel ik me er niet prettig over om spijkers in de boom te slaan, dus ik sla gewoon de kabel om de boom en maak daar de ladder aan vast.

Al snel zijn de Polen beneden, die vrolijk lachend het bos in lopen om paddenstoelen en planten te verzamelen. Andere mannen volgen, tot iedereen beneden is, inclusief Chef, die direct een paar pannen en een rooster meeneemt.

We maken een kamp. De discussies over waar we zijn en hoe we hier komen, laaien af en toe op, maar we praten nu steeds vaker over wie we graag zouden willen zien en welke dingen we missen, en wat we missen. En ik merk tot mijn schrik dat ik mijn hond Schorrie méér mis dan mijn vriendin.

We eten pannenkoeken omdat de Polen eieren hebben gevonden, de helft opgebakken met paddenstoelen en de andere helft bestrooid met het laatste beetje suiker. We drinken water uit een beekje, dat ik eerst voor de zekerheid heb gekookt, maar het zag er zo helder en schoon uit dat het als overbodige moeite voelde.

We praten niet meer, in de avond, niet meer over hoe het kan dat we hier nu zitten, niet meer over wie we missen, niet over wat we gaan doen. We zitten zwijgend rond het kampvuur en drinken de laatste restjes sterke drank. Morgen gaan we weg, in de richting van waar we ooit woonden, waar de vaste land was. De Polen, Sven uit Antwerpen, André en ik gaan naar het Oosten, de Engelsen en Ieren gaan naar het Westen.

Van de mannen die naar het Westen gingen, kwam ik alleen Chef nog een keer tegen, jaren later. Hij werkte als kok in een soort geïmproviseerde herberg in de vervallen stad waar de Spiegelrijn uit het Engelse meer stroomt. Ik had drie dagen verlof uit het Amsterdamse leger, waar ik een van de verkenners was. Chef en ik wisten nog steeds niet waarom onze Boortoren ineens in het bos stond, ook al hadden we het de eerste maanden aan iedereen gevraagd die we spraken, hij aan de vluchtelingen rondom het Engelse meer en ik aan iedereen in de omgekeerde steden in Holland waar ik maanden rondzwierf tot ik Schorrie (en mijn toenmalige vriendin) terug vond. Niemand wist waarom de wereld ineens was omgekeerd. En nu maakte het ook niet meer uit: we hadden allebei een nieuw leven gevonden waar we voldoening uit haalden. Hij met zijn baan als kok en ik samen met Schorrie, die heel goed bleek te zijn in het speuren naar vreemde en gevaarlijke wezens.

Chef maakte pannenkoeken voor mij die avond. Eentje met paddenstoelen en eentje met suiker. En daarmee hadden we er genoeg over gezegd.