Geplaatst op Geef een reactie

Afgeschreven

Automatisch probeer ik de vlek van de kaft te vegen, maar ik merk dat het niet lukt. Ik lach als ik me realiseer wat ik aan het doen ben: de vlekken op mijn boek zijn erop gedrukt. Vegen helpt dus niet.

Een groot deel van mijn middelbare schooltijd hadden we thuis heel erg weinig geld. We gingen nooit uit eten, aten zelfs maar een paar avonden per week warm, vakantie of zelfs een dagje uit zat er zelden in. We hadden tweedehands meubels en we droegen tweedehands kleding die we kregen van familieleden (beste neven en nichten: nog bedankt daarvoor! Het was altijd een feestje om de zakken met kleding uit te pluizen en allemaal prima kleding erin te vinden. En omdat we alle vijf totaal andere maten hadden, was er nooit ruzie over wie wat kreeg).

Vanaf het moment dat ik mocht werken, had ik een krantenwijk. Van de 200 gulden die ik er mee verdiende, gaf ik mijn moeder de helft voor het huishouden, maar de rest was voor mij! Ik kon zelf mijn schoolreisjes betalen, zodat ik niet weer als enige thuis moest blijven terwijl de rest naar Rome ging, zoals in de tweede klas. Ook kon ik af en toe foto’s laten ontwikkelen (gemaakt met mijn gekregen Praktica-camera, waarvan de lichtmeter het alleen deed als ik hem verticaal hield). En ik hield wat geld over om boeken te kopen. Want dat was mijn grootste hobby, lezen.

In de bibliotheek van Rijswijk was ik vaak te vinden, ik leende er zelfs zó veel boeken dat ik op een dag te horen kreeg dat ik het maximum had bereikt: 50 boeken. Nog niemand had dat aantal ooit gehaald. Maar in de bibliotheek werden ook regelmatig boeken verkocht, voor een paar dubbeltjes per stuk. Boeken die te oud en té versleten waren om nog uit te lenen. Daar zaten soms juweeltjes bij, kinderboeken die ik met veel plezier gelezen had, of wetenschappelijke boeken die ik nog niet kende, science fiction en fantasy boeken die ik toen begon te ontdekken. En daarvan bouwde ik mijn thuisbibliotheek op, boek voor boek.

Een jaar geleden dacht ik na over hoe mijn nieuwe verhalenbundel er uit moest zien. Ik dacht aan de boeken waar ik vroeger heel erg blij van werd, de schatten die ik vond in de ‘we moeten er vanaf’ sectie van de bibliotheek. De vormgeefster heeft er iets moois van gemaakt, een boek dat er zó echt doorleefd uitziet dat je af en toe denkt dat je er een vlekje of viezigheid vanaf moet vegen.

Wil je het boek van dichtbij bekijken? Hier is de link waar je hem kan vinden om te kopen. Als het met de betaling om wat voor reden niet lukt (dat hoorde ik van één koper), stuur me dan maar even een mailtje.

Geplaatst op Geef een reactie

Slapeloos

Mijn oudste komt de slaapkamer binnen, om vier uur in de nacht. Hij is deze week al vaker bij ons komen liggen, misschien onrustig omdat hij na twee maanden thuisonderwijs weer naar school moet. Hij heeft enge dromen, vertelt hij, maar we weten niet waarover. Ik maak me er zorgen. Nachtmerries over de Witcher 3, waar hij vaak naast me zat en stukjes meespeelde? De filmpjes over een of andere ‘granny’ die ‘I see you’ zegt, op youtube? Stopmotion zombie-lego filmpjes? Laten we deze 7 jarige jongen té enge dingen zien?

Hij kruipt over ons bed, ik doe het dekbed open om hem tussen ons in te leggen.

‘Had je een enge droom?’ vraag ik. Hij knikt.

‘Waar ging het over?’

‘Ik werd overreden door een bus,’ zegt hij.

GELUKKIG MAAR! We zijn geen slechte ouders.

We vallen snel weer in slaap.

 

Geplaatst op Geef een reactie

Hij bestaat

Mijn twee oudste kinderen kijken een youtubefilmpje van Sinterklaas (in april).

‘Sinterklaas is zó leuk!’ zegt mijn dochter van bijna 4 jaar. ‘Zo jammer dat hij niet echt is…’

Haar grote broer, van bijna 7 jaar, kijkt haar aan.

‘Maar Malin!’ zegt hij. ‘Sinterklaas bestaat wél echt!’

‘Echt waar?’ Haar ogen worden groot.

‘Ja!’

Ze springt op en juicht.

‘Wauw! Hij bestaat echt!’

En ze kijken samen verder.

Geplaatst op Geef een reactie

Achmed

De juf met ruim veertig jaar ervaring op basisscholen in Amsterdam West kijkt me aan over haar bril.

‘Hoe spel ik dat?’

Ik leg haar uit hoe je de naam van het meisje moet schrijven. Ze schudt haar hoofd. Vijfentwintig kinderen in de klas, twintig nationaliteiten.

‘Waarom heet er niemand meer gewoon Achmed,’ verzucht ze, en dan lacht ze.

Geplaatst op 1 Reactie

De Eerlijke Dief is binnen!

Vandaag is dan eindelijk mijn tweede verhalenbundel binnengekomen. Wil je er eentje via de post ontvangen?

Klik dan hier!

Geplaatst op 1 Reactie

Metoo of Niet-too?

In het smalle gangetje voor de kleutergroep, waar kinderen hun mutsen, sjaals en jassen aan de kapstok hangen en ze zich omkleden voor de gym, proberen ouders hier zo goed mogelijk mee te helpen. Een van de moeders staat op als haar kind omgekleed is en draait tegelijkertijd om en slaat daarbij met haar hand vol in het kruis van een passerende vader. Hij schrikt maar loopt meteen door.

‘Ha!’ roept ze hem na, ‘nu kan jij ook #metoo zeggen!’

Geplaatst op 1 Reactie

Bruin

‘Willem had een gat in zijn kop, toen hij op vakantie was in Amerika, ‘ zegt mijn zoontje. ‘Allemaal bloed…’ Hij gebaart hoe het bloed over het hoofd van zijn klasgenootje moet hebben gestroomd.

‘Ik heb ook twee keer een gat in mijn hoofd gehad,’ zeg ik. Hij kijkt me aan.

‘Oh dáárom ben je zo bruin!’ zegt hij dan.

 

…..

 

Wat?

Geplaatst op Geef een reactie

Tuttebel

‘Oh wat ben je toch een tuttebel,’ zegt mijn vriendin tegen ons dochtertje van 2.

‘Ik ben geen kuttebel!’ roept ze. ‘Ik ben ech geen kuttebel! Ech nie!’

Dat beamen we.

Geplaatst op Geef een reactie

Verkocht

‘Wil je met me spelen, met de Lego?’ vraagt mijn zoontje. Het is zondagochtend, half negen. Ik zit al een uur achter de computer te werken, hij is net bij me komen staan. Hij moest van mij na twee afleveringen van de Drakenserie de televisie uit doen en gaan spelen met speelgoed.

Ik kijk naar mijn scherm, weet hoeveel ik nog moet doen, hoeveel er altijd te doen is met dit bedrijf. Ik voel me zo’n vader in een tv-film die er uiteindelijk achter komt dat kinderen en familie véél belangrijker zijn dan werk en succes.

‘Ik moet nog even werken,’ zeg ik toch. Hij zucht zoals al die jongetjes op tv zuchten als hun vaders dat zeggen.

‘Maar waarom dan?’

‘Omdat ik, omdat ik dan geld verdien en leuke legocadeautjes kan kopen voor je verjaardag!’

‘Topidee pap,’ zegt hij en hij steekt zijn duim op. Ik ben trots en voel me tegelijkertijd nog veel schuldiger. Ga ik hem ook nog omkopen? Weer een stap op het pad van de slechte, afwezige vaders.

 

Een weekend later. We lopen samen de trap af naar beneden.

‘Mag ik tv kijken?’

‘Ja, want het is weekend! Je hoeft niet naar school.’

‘Is Malin ook vrij?’

‘Malin hoeft ook niet te werken.’

‘Joepie! En Bor?’

‘Die hoeft ook niet te werken.’

‘Gelukkig,’ zegt hij. Hij springt van de laatste twee treetjes af.

‘En mama?’

‘Die hoeft ook niet te werken,’ zeg ik.

‘Gelukkig,’ zegt hij weer. ‘En jij?’ vraagt hij dan.

‘Ik hoef ook niet te werken!’ zeg ik vrolijk.

‘Oh jammer,’ zegt hij en zijn schoudertjes zakken.

‘Hoezo?’ vraag ik.

‘Als je niet werkt, kan je geen Legocadeautjes voor me kopen!’ zegt hij.

Ik doe het godverdomme ook nooit goed.

 

ps: koop mijn boek!

Geplaatst op Geef een reactie

‘De Eerlijke Dief’ en andere verhalen. Nu te koop!

Lang, lang geleden, schreef ik meer dan honderd verhalen per jaar. Toen werd het ineens druk met Lukida, waarmee ik ervoor kon zorgen dat op tientallen scholen tientallen kunstenaars les konden geven zodat de scholen minder last hadden van het lerarentekort. Jaren lang werkte ik 60-70 uur per week om dat mogelijk te maken, en altijd was ik met het bedrijf bezig. Nieuwe verhalen kwamen even niet in me op (maar wel een oud verhaal…).

De verhalen die ik de jaren ervoor had geschreven, zette ik wel in een bundel: Eva Disselhoff selecteerde en verbeterde ze en Marie-José Schouten deed daarna de vormgeving.

Nu is het boekje ineens bijna klaar, zo midden in de Corona-crisis. Een boekpresentatie zit er niet in, maar ik kan natuurlijk wel de boeken in een envelop stoppen en opsturen naar iedereen die er eentje wil ontvangen.

Dus: vond je mijn verhalen op mijn site of op Facebook leuk? Wil je nog meer verhalen lezen van mij, ook thuis op de bank bijvoorbeeld? Bestel nu mijn tweede verhalenbundel ‘De Eerlijke Dief’. Als je de bestelling vóór 15 april doet, krijg je korting. Verzendkosten zijn niet inbegrepen, daar vraag ik 3 euro voor (postzegels en enveloppen zijn niet gratis helaas).

BESTEL NU

 

 

Geplaatst op Geef een reactie

Bladel

Mijn privé-telefoon gaat. Een onbekend nummer, tien uur in de avond op zondag. Het kan werk zijn, ik noem mijn voornaam en achternaam.

Mijn moeder is aan de telefoon. Wij, haar kinderen, hebben haar net naar een verzorgingstehuis gebracht. Ze heeft meerdere ernstige lichamelijke klachten en ook last van beginnende dementie.

 

‘Bladel,’ begint ze. ‘Daar had je het toch vandaag over?’

‘Wat?’ zeg ik.

‘Bee, el, a, dee, ee, el,’ zegt ze.

‘Bladel?’

‘Je vertelde vandaag over Bladel,’ zegt ze geduldig, ‘En over wat er aan de hand was.’

‘Het Brabantse dorp?’ vraag ik.

‘Precies,’ zegt ze, alsof ze nu verwacht dat ik weet waar het over gaat.

‘Nee, daar heb ik het niet met je over gehad vandaag,’ zeg ik, ‘Wat is er dan in Bladel?’

 

Ik zoek het meteen op in de computer. ‘Bladel en nieuws.’ ‘De nieuwe burgemeester moet humor hebben’ is het belangrijkste nieuws.

‘Niks aan de hand in Bladel,’ zeg ik tegen haar.

‘Hè?!’ zegt ze. ‘Ik weet zeker dat ik het er met je over gehad heb vandaag.’

‘Nee,’ zeg ik, ‘we hebben elkaar niet gesproken. Was er iemand op bezoek? Of aan de telefoon gehad?’

‘Ik heb jou gesproken,’ zegt ze. Dan is ze even stil.

‘Weet je mam,’ zeg ik, ‘ik ga deze week foto’s van de kinderen printen en naar je toe sturen.’

‘Ja graag,’ zegt ze gretig. ‘Ik heb je dochter en je jongste nog helemaal niet op het kastje staan! Dat kan natuurlijk niet, die horen er ook bij.’

 

We groeten elkaar en hangen op. Ik ga die foto’s snel uitprinten zodat ze elke dag kan zien wie haar kleinkinderen zijn. Misschien onthoud ze hun gezichten nog eventjes.

Geplaatst op Geef een reactie

Heb ik al gezegd

Mijn dochter van bijna drie pakt het kleine roze boekje beet, slaat het open.

‘Ik ga voorlezen,’ verklaart ze.

‘Tjadabadaba da, padiepadie en toen moest de baby op de commode. Maar hij wilde niet!’

Ze laat me een bladzijde omslaan (‘Nee, de andere kant’) en dan vertelt ze hetzelfde verhaaltje.

‘Tjadadadie badiebadie en de baby moest op de commode. Maar hij wilde niet!’

En dan vertelt ze hetzelfde verhaal nog een keer. En nog een keer. En nog een keer en nog een keer en nog een keer. En nog een keer … en nog…

‘Tjadadadie badiebadie en de baby moest op de commode. Maar hij wilde niet!’

‘Tjadiedadie padiebabie en de baby moest op de commode.’

 

Dan zegt ze even niks, ze draait de pagina om, kijkt er naar. Ik wil helpen.

‘Maar hij wilde niet!’ zeg ik enthousiast.

Ze klapt haar boekje dicht.

‘Papa!’ zegt ze streng. ‘Dat heb heb ik net al gezegd.’

‘Sorry,’ zeg ik. Maar gelukkig mag ik snel weer een pagina omslaan.

Geplaatst op Geef een reactie

Blote Benies

‘Blote benies!’ roept mijn zoontje als de bejaarde dame met de mooie jurk langsloopt. Ze lacht vrolijk en zegt:

‘Nou, het zijn geen blote benen hoor.’

Ze loopt de trap op en mijn zoontje kijkt haar na, denkt. Dan weet hij het.

‘Blote billies!‘

Geplaatst op Geef een reactie

Eén auto

‘Eén auto,’ zeg ik tegen de jongste, die twee grote playmobiel auto’s en een plastic vuilniswagen de trap probeert op te sjouwen. Het is avond en hij moet naar bed.

Hij schreeuwt, probeert ze allemaal vast te houden.

‘Eén auto,’ zeg ik nogmaals, en ik probeer er twee uit zijn sterke knuistjes te trekken. ‘Eén auto of je mag er helemaal geen meenemen.’

Hij laat niks los dus ik pak ze allemaal af. Hij schreeuwt en huilt.

 

Eén avond later. Mijn vrouw heeft net gezegd tegen alle kinderen dat ze naar bed gaan. De jongste zit op zijn hurken bij zijn plastic bak met auto’s. Hij pakt er eentje uit, geeft die aan mij.

‘Eén auto…’ zegt hij en hij pakt de volgende. ‘Eén auto,’ zegt hij, en hij geeft er nog eentje. ‘Eén auto,’ zegt hij bij de volgende en de volgende, en de volgende die hij allemaal aan mij geeft totdat ik er uiteindelijk acht in mijn handen heb.

‘Nu echt naar boven!’ zegt mijn vrouw. De jongste kijkt me tevreden aan, wijst op de auto’s in mijn handen.

‘Eén auto,’ zegt hij en hij loopt langs me, naar de trap, waar hij naar boven klimt. En ik loop achter hem aan, met allemaal één auto’s in mijn handen.

Geplaatst op Geef een reactie

Bosplatform. Ommekeer

Ik zie nog steeds maar één kleur onder het boorplatform als ik naar beneden kijk. Alleen is het een andere kleur dan vorige week. Toen was het nog het grijsgroen van de zee met af en toe een witte schuimkop, nu zijn het honderd varianten van groen. Bosgroen. Tot zover ik kan zien zijn er alleen maar bomen, vooral eiken, met hier en daar de schittering van een klein beekje of meertje.

Toen ik wakker werd, merkte ik meteen dat er iets niet klopte. Ik snoof de lucht op: nog steeds staal en roest en olie, maar er was nog een andere geur bijgekomen, een wilde, zoete, volle, warme geur. Ik herkende de geur, maar kon het niet benoemen. Ik zat meteen rechtop. Op een boorplatform ben je altijd scherp: er gaat bijna nooit iets mis, maar als er problemen zijn, is je leven in gevaar. Onbekende geuren of geluiden? Gelijk alert zijn. Dat was het tweede: het geluid was anders. De zee geeft een diep ruisend geluid, er zit een ritme in, ook al is het soms onregelmatig. Dat geluid was weg. Vogels, die hoorde ik, heel erg veel vogels. Geen meeuwen. Die kwamen hier regelmatig langs om te kijken of we oud voedsel wilden delen. Werk op een platform is saai. Meeuwen naar oud brood laten happen geeft afleiding, zeker als je er een stuk staal in verbergt zodat ze direct tien meter naar beneden donderen voordat ze het broodje staal loslaten en boos krijsend wegvliegen. Maar meeuwen hoorde ik niet meer, het waren andere vogels, duiven vlak naast mijn kajuit die koerden en krabbelden over het staal maar ook duizenden vogels die krijsend rond onze toren vlogen.

Ik stond op, keek naar buiten en zag meteen het bos. Overal bos en duizenden vogels die in grote zwermen langs vlogen, genoeg om de prille ochtendzon half te verduisteren. Ik wreef in mijn ogen en stapte de gang op, zag daar André lopen, die met grote ogen naar buiten keek.

‘Wat de fuck,’ zei André. Hij vloekte normaal nooit. We liepen samen naar buiten en keken over de galerij naar beneden. Vijftig meter lager zagen we de toppen van enorme eiken. We keken elkaar aan, verbijsterd.

‘Heeft Chef gisteren magische paddenstoelen in het eten gedaan?’ zei André.

Ik haalde mijn schouders op.

We klommen naar het laagste punt van ons boorplatform, de onderhoudsruimte. Daar zagen we de bomen van dichterbij, herkenden sommige vogels die er in nestelden, merels en kauwtjes, spreeuwen en kraaien. Ook vogels die ik niet herkende. André wees een roedel herten aan die even zichtbaar was op een open plek in het bos, tussen twee omgevallen woudreuzen. De bomen waren nu zó dichtbij dat ik het gevoel weer kreeg dat ik vroeger altijd had in de flat waar mijn oma woonde, dat ik zo over de reling zou kunnen springen naar de bomen toe, om me door de takken op te laten vangen. Ik deed het natuurlijk nooit, maar het voelde altijd wel alsof het mogelijk was, dat de takken mijn val zouden breken zodat ik heelhuids op de grond kon belanden.

We maken de andere mannen wakker. Iedereen is verbaasd en stil eerst, daarna komen de discussies.

We pompen geen olie meer op, dat is wel duidelijk. Alle machines staan uit. De telefoons doen het niet meer, de computers en de beamer ook niet. De gasfornuizen doen het nog wel in de keuken, en het opwind horloge van Ferenc tikt vrolijk door. We wachten. Zittend op een volstrekt nutteloze toren van beton en staal wachten we een paar dagen tot we gered worden. We praten over hoe het kan dat we nu met onze toren in een bos zitten, maar geen enkele mogelijke oplossing klinkt als een logische verklaring. We weten het niet.

Normaal gesproken komt er een helikopter, als we problemen hebben. Er komt er zelfs elke drie dagen eentje om eten te brengen en dvd’s (Netflix heeft het hier nooit gedaan: geen fatsoenlijk internet). Maar er komt geen helikopter en al snel realiseren we ons dat die nooit meer zal komen, niet in deze wereld. We zien namelijk ook geen vliegtuigen overvliegen, niet meer het lichtje van het internationale ruimtestation boven ons hoofd.

We eten eerst alle vis en vlees uit de vriezers op en daarna eten we de koelkasten leeg. Nu hebben we nog meel voor pannenkoeken en heel veel blikken met allerlei soorten bonen. Het vult. We kijken steeds vaker naar beneden. De Polen vertellen wat er allemaal aan eetbaars in het bos te vinden is. Ook ik wil wel op avontuur uit in het eikenwoud. Ik ben altijd al een boskind geweest, van mijn vierde tot mijn veertiende ging ik elk weekend op pad met mijn oudere broers, het bos en de moerassen in aan het eind van onze wijk om avonturen te beleven en om te vissen, fikkie te stoken en boomhutten te maken.

Twintig mannen op een boorplatform draaien hun hand er niet voor om: een ladder maken die tachtig meter lang is. Kabels hebben we genoeg, en hoewel de lasapparaten het niet doen, weten we met twee lange staalkabels, bouten en moeren en haken, een ijzersterke ladder te maken. Ik ga er als eerst langs naar beneden, vrijwillig. Het bos ziet er niet gevaarlijker uit dan de bossen die ik uit mijn jeugd ken, ook al zijn er duidelijk veel meer dieren en zijn de bomen hoger, krommer, schever, vaker half omgevallen en leunend tegen andere bomen aan. Het is een wild bos, een oerwoud, waar nog nooit een mens lijkt te zijn geweest.

De ladder zwiept heen en weer terwijl ik naar beneden klauter. Ik zeker me steeds aan de staalkabels. Dat ik naar beneden durf te klimmen, betekent niet dat ik dom ben. Twee stapjes, haak 1 losmaken en verplaatsen, twee stapjes, haak 2 losmaken en verplaatsen. Het duurt even voordat ik beneden ben, met een brandbijl op mijn rug en een hamer en  klinknagels, bouten, een stuk kabel en moeren in een tas die aan mijn middel hangt. Ik kijk om me heen als mijn schoenen de vaste grond raken. Het bos lijkt terug te kijken, nieuwsgierig naar wat voor soort wezen er nu aan een wiebelende stalen ladder naar beneden komt. Maar ik zie niets waar ik me zorgen over zou hoeven maken en ik maak de ladder stevig vast aan een boom. Op de een of andere manier voel ik me er niet prettig over om spijkers in de boom te slaan, dus ik sla gewoon de kabel om de boom en maak daar de ladder aan vast.

Al snel zijn de Polen beneden, die vrolijk lachend het bos in lopen om paddenstoelen en planten te verzamelen. Andere mannen volgen, tot iedereen beneden is, inclusief Chef, die direct een paar pannen en een rooster meeneemt.

We maken een kamp. De discussies over waar we zijn en hoe we hier komen, laaien af en toe op, maar we praten nu steeds vaker over wie we graag zouden willen zien en welke dingen we missen, en wat we missen. En ik merk tot mijn schrik dat ik mijn hond Schorrie méér mis dan mijn vriendin.

We eten pannenkoeken omdat de Polen eieren hebben gevonden, de helft opgebakken met paddenstoelen en de andere helft bestrooid met het laatste beetje suiker. We drinken water uit een beekje, dat ik eerst voor de zekerheid heb gekookt, maar het zag er zo helder en schoon uit dat het als overbodige moeite voelde.

We praten niet meer, in de avond, niet meer over hoe het kan dat we hier nu zitten, niet meer over wie we missen, niet over wat we gaan doen. We zitten zwijgend rond het kampvuur en drinken de laatste restjes sterke drank. Morgen gaan we weg, in de richting van waar we ooit woonden, waar de vaste land was. De Polen, Sven uit Antwerpen, André en ik gaan naar het Oosten, de Engelsen en Ieren gaan naar het Westen.

Van de mannen die naar het Westen gingen, kwam ik alleen Chef nog een keer tegen, jaren later. Hij werkte als kok in een soort geïmproviseerde herberg in de vervallen stad waar de Spiegelrijn uit het Engelse meer stroomt. Ik had drie dagen verlof uit het Amsterdamse leger, waar ik een van de verkenners was. Chef en ik wisten nog steeds niet waarom onze Boortoren ineens in het bos stond, ook al hadden we het de eerste maanden aan iedereen gevraagd die we spraken, hij aan de vluchtelingen rondom het Engelse meer en ik aan iedereen in de omgekeerde steden in Holland waar ik maanden rondzwierf tot ik Schorrie (en mijn toenmalige vriendin) terug vond. Niemand wist waarom de wereld ineens was omgekeerd. En nu maakte het ook niet meer uit: we hadden allebei een nieuw leven gevonden waar we voldoening uit haalden. Hij met zijn baan als kok en ik samen met Schorrie, die heel goed bleek te zijn in het speuren naar vreemde en gevaarlijke wezens.

Chef maakte pannenkoeken voor mij die avond. Eentje met paddenstoelen en eentje met suiker. En daarmee hadden we er genoeg over gezegd.

Geplaatst op Geef een reactie

De Vieze Man van het Jagersveld

Hij heeft een opengesneden wit broodje in zijn ene hand en een briefje van tien gulden in zijn andere. Wij zijn acht jaar, behalve Barry, die is al negen. Tien gulden is een heleboel snoep.

‘Ik durf te wedden,’ zegt de man, ‘ik durf te wedden dat ik dit broodje opeet, wat jullie er ook mee doen. Hoe vies ook.’

We kijken elkaar aan. Dit is dus de vieze man waar de oudere jongens over verteld hebben.

 

‘Durven jullie niet hè,’ zegt de man, hoopvol.

‘Dus als we het broodje heel vies maken,’ zegt Barry, ‘en u eet het niet op, dan krijgen wij tien gulden?’

‘Precies,’ zegt de man.

We kijken elkaar aan. Dan steek ik mijn hand uit, om het broodje aan te pakken.

‘Wat we er ook mee doen?’ vraag ik. Hij knikt.

 

Ik doe mijn best om een flinke pulk uit mijn neus te halen. Niet zo’n grote als vanochtend, helaas. Ik smeer de groene kledder in het broodje. Dan geef ik het broodje aan Barry. Hij grijnst, draait zich om. Zijn rits gaat open. Ik kijk ondertussen naar de vieze man. Hij ziet er wel normaal uit. Een beetje zenuwachtig alleen.

 

‘Heb je het gehoord?’ vraagt Barry. We zitten al dertig jaar in hetzelfde voetbalteam. We kleden ons om in de kleedkamer voor de training.

‘Wat?’ vraag ik.

‘Ze hebben de vieze man opgepakt.’

‘Wat?’ zeg ik, ‘de vieze man van het Jagersveld?’

Barry knikt.

‘Weet je nog wat we met dat broodje hebben gedaan?’

Ik lach en walg tegelijkertijd.

‘Ja gatver, Dat hij het op at, echt niet normaal.’

 

En ik hoop maar dat dat alles was, wat de vieze man de afgelopen tientallen jaren heeft gedaan: vieze broodjes opeten van kleine kinderen.