Geplaatst op Geef een reactie

Ouderwets Modern

Het fragiele oude dametje laat me zien waar de schoonmaakspullen staan, en vertelt wat ze van me verwacht. Eerst de enorme boekenkast afstoffen.

‘Dat is grappig,’ zeg ik tegen haar, terwijl ik haar een flyer laat zien die ik even van een boek heb afgetild om beter te kunnen schoonmaken.

‘Dat is mijn vriendin, die in dit stuk speelt! Het was in de afstudeervoorstelling van Suzanna Jansen, die dit boek heeft geschreven.’

Ik wijs naar het boek ‘Het Pauperparadijs’ dat in de kast staat.

‘Ja, dat weet ik,’ zegt ze en ze glimlacht trots. ‘Dat is mijn dochter.’

 

We zijn allebei vrolijk verrast over onze connectie en praten over schrijven en theater terwijl ik schoonmaak en zij in haar stoel zit. Dan staat ze moeizaam op.

‘Ik ga haar even een mailtje sturen,’ zegt ze en ze loopt stapje voor stapje naar een andere kamer. ‘Suzanna is nu in het buitenland, in Frankrijk. Maar ze heeft er wel internet.’

Wat een moderne dame, denk ik. Gewoon mailen met haar dochter! Veel van de oudere dames waar ik schoonmaak moeten er niks van hebben, van computers, internet of mailen.

 

Even later komt er een bekend geluid uit haar studeerkamer. Het gekraak en gepiep van een ouderwets modem. Dat heb ik ruim vijftien jaar niet meer gehoord. Ik loop, nieuwsgierig geworden, op het geluid af. Daar staan inderdaad een vergeelde oude computer met een floppydiskspeler en een log scherm op een bureautje. Langzaam, uiterst langzaam start een programma op dat ze kan gebruiken om te gaan mailen. Het lijkt op wordperfect.

‘Dat geluid van het verbinden met internet heb ik al heel lang niet meer gehoord,’ zeg ik. Ze kijkt even om.

‘Ach, het doet wat het moet,’ zegt ze. ‘Ik hoef niet per sé al die nieuwigheid.’

Ze draait naar het scherm.

‘Ik ga even mijn dochter schrijven over jou en je acterende vriendin,’ zegt ze.

Ik ga de kamer uit, terug naar de woonkamer om bovenop de kasten schoon te maken. De ouderwets moderne dame mailt haar dochter. En ik hoop dat ik op een dag zulke mooie dingen schrijf dat mijn moeder net zo trots op mij is.

 

Geplaatst op Geef een reactie

Exit gesprek

Dua Lipa is aan het zingen, mijn zoontje kijkt naar het scherm, is even stil.

‘Het is heel erg mooi,’ zegt hij.

‘Is het mooi hoe ze zingt, of is zij zelf mooi?’ vraag ik.

‘Ze zingt heel erg mooi,’ zegt hij.

‘Is zij ook mooi?’ vraag ik. Ik ben benieuwd of hij dezelfde smaak heeft als ik.

‘Ik verlaat dit gesprek,’ zegt hij.

 

Geplaatst op 1 Reactie

Commentaar Harlandwedstrijd 2020: Object

Object 1 Jesse Dijksman 7,471 Mooi verhaal. Ontroerend ook wel. Zo ver weg alleen zijn, met kanker. Kan het me niet voorstellen. Zo eenzaam. Dat je er zo hard voor gewerkt hebt raakt me. Mooie referentie naar The Martian (film) Veel Tell no Show. De zinnen lopen slecht, onder andere, omdat veel synoniemen in een zin achter elkaar gebruikt worden ter aanduiding van eenzelfde begrip ( aanraken, vangen, tikken). Het verhaal leest als een opsomming in de trant van toen en toen. De vertelstijl is kinderlijk. Het verhaal springt van de hak op de tak. Er zijn ook taalfouten en leestekenfouten. Conclusies worden worden niet onderbouwd bijvoorbeeld in het geval “niet door mensen”. Het verhaal is bovendien op meerdere wijzen ongeloofwaardig. Bijvoorbeeld een stervende kapitein van een ruimteschip maken , uit de Ardennen geplukt door de Amerikanen terwijl hij een middelmatige carrière had. Gevolgtrekkingen komen uit de lucht vallen. Een groot deel van het verhaal bestaat uit oninteressante fantasieën over het Object Ook het einde en de conclusie is vreemd. Uit dit verhaal spreekt interesse voor de ruimtevaart, getuige de referenties naar ‘Startrek’ en ‘De Martian’, als ook naar Stephen King. De titel is ‘Object 1’ terwijl er in het verhaal maar sprake is van een enkel object, aangeduid als het ‘OBJECT’. Is dit een eerste versie van het verhaal en is de titel niet aangepast? Het verhaal heeft een nette opbouw, maar een onbevredigend einde waar de lezer niet zoveel mee kan. Het lijkt niet helemaal ‘af’. Dit verhaal is goed opgebouwd en sleept de lezer meteen mee in de gedachten van de hoofdpersoon. Er is aandacht voor de achtergrond en motivatie van deze persoon en de omschrijvingen van de ruimtemissie en het OBJECT zijn heel beeldend. Goed geschreven met een einde waar je zelf nog invulling aan kan geven. Geweldig leuk verhaal. Bijzonder en misschien zelfs nog mogelijk ook. Mooi uitgewerkt en zo geschreven dat ik zo snel mogelijk door wilde lezen. Het plot was deels verwacht al had ik wel wat anders gehoopt. Mooie korte zinnen geen moeilijk taalgebruik. Leuke personages. Echt bijzonder verhaal. Ik stelde me zelf al even voor als ik in zijn schoenen stond wat ik zou doen? luchtig en ontspannend geschreven. Lijkt een goed verhaal op zich indien zich interesseert in ruimteverhalen.
Geplaatst op Geef een reactie

OBJECT

Misschien is in het OBJECT wel de oplossing voor alle ziektes te vinden, ook hoe je kanker kan genezen. Bijvoorbeeld de kanker die in mijn ingewanden woedt en die voelt alsof ik van binnenuit wordt opgevroten door kevertjes met scherpe kaken. Ik kijk naar mijn beeldschermen en door het raampje aan de voorkant van mijn kleine ruimteschip. Ik zie het OBJECT nog niet in het echt, maar wel op het scherm. Het is langgerekt, rechthoekig, volledig zwart, helemaal glad, en duidelijk niet zomaar ontstaan ergens in het universum, maar gemaakt door denkende wezens, en niet door mensen.

‘Alleen kankerlijers krijgen wat ze willen, omdat ze het pakken,’ zei mijn vader ooit. Hagenees, dus hij gebruikte dat vervelende woord gewoon, ook al vond mijn moeder (uit Haarlem en dus een stuk beschaafder) het niks. Maar ze was er niet bij die dag, dus hij zei het. Toen haalde ik mijn schouders op, vond hem bot en lomp, maar een paar maanden geleden heb ik hem opgebeld om te zeggen dat hij gelijk had. Hij moest lachen en toen moest hij huilen en toen werd hij stil.

Vanaf mijn achtste wist ik al wat ik wilde worden, later, als ik groot was. Astronaut. Dat was een schattige opmerking op die leeftijd, op mijn twaalfde was dat lastig omdat ik per sé naar het atheneum wilde, terwijl ik een havo advies had gekregen. Met veel moeite kreeg mijn vader me op een gedeelde havo-vwo brugklas, waar ik door me helemaal de tering te werken, bij de vijf beste leerlingen hoorde en daarom het vwo mocht doen. Astronaut worden, dat was niet gewoon mijn droom, of mijn fantasie, het is gewoon wie ik ben. Alleen was ik heel lang nog niet een astronaut in een ruimteschip, maar iemand die op weg was om astronaut te zijn. Een beetje net als mijn jongere broer, die al vanaf zijn derde zei dat hij keeper was. Hij wilde geen keeper worden, hij wilde geen keeper zijn, hij wás het gewoon. Toen hij op zijn zesde mee mocht doen bij de keepertjes op de vereniging, en ik hem daar naar ballen zag duiken alsof het de normaalste zaak van de wereld was, toen wist ik dat hij gelijk had. We begrepen ineens ook allemaal waarom die kleine mafkees altijd en overal naar de grond dook, op de vloer ging liggen, slidings maakte op allerlei ongewenste momenten en locaties, in supermarkten, op bezoek bij oma, in de trein, op straat. Hij was gewoon een keeper. Is hij nog steeds, in het eerste van de vereniging waar ik ook altijd voetbalde. Ik zat in het tweede, ik voetbalde omdat het leuk is en omdat een astronaut natuurlijk een geweldige conditie moet hebben. En als het eerste speelde, ging ik kijken naar mijn broer, tenzij ik net heel ver weg was voor mijn astronautenopleiding. Want dat ben ik gaan doen, na een hele lange tijd.

Na het VWO ben ik in Leiden natuur- en sterrenkunde gaan studeren, en dáárna nog medische biologie. Twee studies afgerond dus, want nogal wat is voor een lefgozertje uit Scheveningen. Een master gedaan in psychologie, en gepromoveerd in een onderwerp dat met al mijn studies te maken had: de psychologische effecten van langdurige ruimtereizen op mensen. Er was niet heel veel onderzoek over gedaan, maar ik las alles, belde en mailde met onderzoekers, sprak zoveel mogelijk astronauten en mensen die zich als test subject lang hadden laten opsluiten. Ik ging op bezoek bij wetenschappers in Antarctica, een heel jaar lang en kreeg daar uiteindelijk te horen dat het zwaarste aan hun verblijf daar was dat ze constant mijn irritante vragen moesten beantwoorden. En nu ben ik Dr.

Tijdens al mijn studies meldde ik me steeds weer aan voor astronautenprogramma’s van de ESA. Eerst werd ik nog veel te licht bevonden, maar tijdens mijn promotieonderzoek kwam ik in de voorselectie en mocht ik testen. Afgewezen, de eerste keer. Dat deed zeer. Ik dacht dat ik er al was. Nog pijnlijker was het dat ik een van mijn lichtingsgenoten al binnen twee jaar een korte reis zag maken, naar het ruimtestation. Maar de keer erna werd ik aangenomen, en was ik de gelukkigste man op de planeet.

Ik kwam goed door alle onderzoeken, fysiek en mentaal. Ik wist hoe ik me moest voorbereiden, en had dat dus ook perfect gedaan. De programma’s waren zwaar, maar geweldig om te doen, zeker ook omdat ik in een groep enorm gemotiveerde briljante mensen terecht kwam, die elkaar hielpen om beter te worden in plaats van dat ze elkaar vliegen probeerden af te vangen. Dat was een verademing na de universiteit. En toen was ik er klaar voor, op een dag. Ergens, over anderhalf jaar, zou mijn reis naar het ruimtestation zijn, waar ik onderzoek zou gaan doen naar de psychische effecten van een lang verblijf in de ruimte, niet alleen bij de ESA-astronauten maar ook de Russen en de Amerikanen.

En toen kreeg ik pijn in mijn buik, en negeerde ik het want ik ben geen watje, maar het werd erger en ik liet me onderzoeken. Darmkanker, uitgezaaid naar lever en nieren. Dodelijk. Als een oncoloog direct begint te praten over goede palliatieve zorg, waarbij je alles zelf in de hand houdt, en waar ze ervoor kunnen zorgen dat je zo min mogelijk pijn hebt, dan weet je dat ze je al compleet hebben opgegeven. Dat was even slikken. En toen ik me realiseerde, twee seconden later, dat dat ook betekende dat ik nooit in een raket naar de ruimte zou gaan, werd ik verdrietig, heel erg verdrietig.

Ik heb het de arts niet verteld, dat mijn naderende dood me niet het meest verdrietig maakte, maar wel het feit dat ik geen astronaut kon zijn. Dat alles wat ik had gedaan in mijn leven ineens zinloos was, elke inspanning die ik had geleverd, de dingen die ik me heb ontzegd; vrienden, vriendinnetjes, tijd voor hobby’s. Alles wat ik deed, was met in mijn achterhoofd dat ik astronaut zou worden. En dat was voorbij, dacht ik op dat moment. Maar ik zit hier nu wel, in het haastig in elkaar gezette ruimteschip, gemaakt door wetenschappers en technici van de hele wereld: meer dan zestig landen hadden een bijdrage geleverd aan deze wetenschappelijke missie, en ik was de kapitein en gelijk ook de hele bemanning.

Na de uitslag van het onderzoek besloot ik om afscheid te nemen van mijn collega’s, wat mooi en liefdevol was. Ik dacht even dat ze me vies zouden vinden door die indringers in mijn buik, bang om me aan te raken, onbewust denkend dat de monsters misschien op hen over konden springen, maar dat waren ze niet: ze hielden me vast en huilden met me. En ik dacht erover na om daar nog een rapport over te schrijven, dat uitgebalanceerde mensen, die emoties kunnen hebben en deze durven te laten zien, dat die het meest geschikt zijn voor lange ruimtemissies, meer dan mensen die hun emoties proberen te verbergen, te onderdrukken. Maar ik vond er de kracht niet meer voor om nog iets zinnigs met mijn leven te doen, de weken erna. Ik ging niks doen, gek genoeg, wandelen, op een bank zitten en naar een bos kijken, lange wandelingen maken in de natuur.

In die stilte vonden ze me, anderhalve maand nadat ik afscheid had genomen. Ik had geen telefoon bij me tijdens mijn wandeling in de Ardennen, had niet het idee dat iemand me wilde bellen en wilde ook zelf met niemand contact. Ze vonden me daar en ze namen me mee naar de VS, waar ze me een missie wilden geven. Ze vertelden me niets meer dan dat het topgeheim was, maar dat ik wel de ruimte in zou gaan, en ik begreep meteen dat het een missie was zonder terugkeermogelijkheden en dat vond ik prima en ik ging mee.

Het was heel erg vreemd om al mijn collega’s weer te zien, die me vrolijk begroetten maar ook een beetje gereserveerd soms. Ze hadden het er met elkaar over gehad, blijkbaar, en iedereen vond dat ik het moest doen, dat ik de enige gekwalificeerde kandidaat was.

Langzaam nadert mijn ruimteschip het OBJECT, en tegelijk ga ik knetterhard: een paar duizend kilometer per uur. Maar het OBJECT waar ik naartoe ga, gaat bijna even hard, dus het verschil wordt alleen maar een heel klein beetje minder elk uur. Over een dag moet ik er dichtbij genoeg zijn om het te kunnen aanraken, vangen, aantikken, wat er ook mogelijk is. De wetenschappers wisten niks van het OBJECT, behalve dat het gemaakt moest zijn, en niet door mensen. Ik moest zelf maar uitzoeken hoe ik het moest benaderen. Dat was de voornaamste reden dat ze een mens stuurden naar dit vreemde ding. Van een afstandje beslissingen nemen, werkte vertragend. Ik ben zo ver weg van de aarde dat elk bericht er een minuut of vijf over duurt voordat het mij bereikt en terugsturen duurt even lang. Als er iets onverwachts gebeurt, is elke beslissing tien minuten te laat. Ik kan snel reageren op alles, en als het nodig is kan ik de slimste mensen van de aarde laten helpen.

Ze stelden een team samen om me te begeleiden, een bioloog, een natuurkundige, een ruimtevaartpiloot, twee technische mensen, een arts en een psycholoog natuurlijk, een oude bekende van me, een ex zelfs. Gek dat ze juist haar erbij hadden gehaald. Je zou denken dat het handiger was om een team samen te stellen van mensen die niks voor me voelden of gevoeld hadden, omdat ze me richting een zekere dood gingen sturen. Maar daar was ze dan, Stacey, de Amerikaanse vrouw ik tegenkwam tijdens mijn promotie op de Duke University en waar ik een paar maanden mee scharrelde, totdat ik klaar was met mijn onderzoek en naar Nederland terug ging. We wilde niet voor elkaar verhuizen, zodat de relatie daarna snel dood bloedde, de relatie. Stacey zei niet zo veel tijdens de training, en dat was ook niet de bedoeling.Ik moest heel veel dingen leren over alle software die was aangepast voor dit geïmproviseerde ruimteschip: een unit die eigenlijk een uitbreiding van de ISS had moeten worden, maar die werd aangepast om mij een enigszins leefbaar maar vooral veilig verblijf te bezorgen op mijn reis van twee weken naar het OBJECT. Met drie Amerikaanse raketten, twee Europese, een uit India en drie uit China werd alles de ruimte in gebracht, en mij stuurden ze later op een Russische raket er achteraan. Bij de ISS werd alles in elkaar gezet, schroefden ze de raket er aan vast die me het laatste stuk uit de aardse zwaartekracht zou schieten. Zij was er bij op de aarde als ik met de rest van het team sprak over de technische details, over welke apparatuur ik mee kreeg om betrouwbare metingen te doen over het OBJECT. Ze maakte aantekeningen, vooral als ik grapjes maakte of cynisch deed, maar ze vroeg niks en ze zei niks. Ik vroeg haar ook niks, had het te druk.

Ik slurp een tube leeg. Appelmoes, smaakt als een van de weinige dingen uit een tube hetzelfde als op aarde. Heel veel andere maaltijden krijg ik binnen als een babyprutje, te zacht van textuur, zodat ik blij ben als ik iets proef wat vertrouwd binnenkomt.

 

Elk uur laat ik foto’s maken van het OBJECT, elke keer kijk ik of ik al iets anders kan zien dan dat het een rechthoekige vage blob is. Het begint ergens op te lijken: het is inderdaad rechthoekig, en er zitten geen uitsteeksels of inkepingen aan, en de kleur is zwart. Ik ben benieuwd of het inderdaad glad is, en hoekig.

Eén gedachte kwam steeds weer naar boven vanaf het moment dat ik hoorde dat het OBJECT glad, zwart en rechthoekig was. Stel je voor dat de Kaaba, in Mekka, het broertje is van dit OBJECT. Als dat ook een mysterieus zwart glimmend rechthoekig object is, het waard om vereerd te worden, dan passen die twee misschien wel bij elkaar. Stel dat aliens overal in het universum zijn, of zijn geweest en dat ze overal waar er levende wezens zijn twee OBJECTEN achterlaten, één op een plek waar niet veel verandert, zoals een woestijn zonder al te veel tektonische bewegingen, en één in een baan rond de planeet waar de levensvormen zijn. En dat ze dan wachten tot de levensvorm het tweede object waarneemt, opzoekt, beetpakt en naar de planeet brengt omdat het lijkt op twee puzzelstukjes die bij elkaar geplaatst moeten worden. En dan gebeurt er iets. Misschien worden die twee losse stukken samen een poort naar de rest van het universum. Misschien wordt er informatie zichtbaar, te ontcijferen door slimme wiskundigen en taalkundigen, die alle geheimen van het universum prijs zo kunnen ontrafelen. Misschien wordt het een baken, gaan er signalen uit en worden we bezocht door de makers van de OBJECTEN. Of misschien is het samenbrengen van die twee genoeg om een zwart gat te laten ontstaan, waar de aarde door wordt verzwolgen. Doen aliens dat om mogelijke concurrenten voor grondstoffen en energie in het universum uit te schakelen voordat ze echte ruimtevaart ontwikkelen.

Ik heb verschillende soorten pijnstillers tegen de pijn in mijn buik, die langzaam erger wordt. Ze zorgden goed voor me, die artsen. Toch kan ik niet te veel van de zwaarste categorie nemen, omdat ik heel graag zo scherp mogelijk wil zijn voordat ik bij het OBJECT kom. Nog een paar uur, geleid door de automatische piloot, en dan ben ik er dichtbij genoeg om af te remmen en contact te maken. Ik kan het nu zien, groot, zwart, perfect glad, glimmend. Het is nog een wonder dat we het hebben gezien vanaf de aarde. Het is best groot, bijna honderd meter lang, maar het is zo donker dat het nauwelijks opvalt. Het gebrek aan sterren waar het OBJECT zich bevindt, is bijna duidelijker dan het ding zelf.

Elke zestien jaar komt het in de buurt van de aarde, kreeg ik te horen bij mijn eerste briefing. Elke zestien jaar komt het eventjes zó dichtbij dat we er met een ruimteschip naar toe kunnen vliegen, de rest van de tijd zit het buiten het zonnestelsel. Het draait geen rondje in het vlak van de planeten, het staat er haaks op, duikt vanaf de duistere diepte aan de ene kant van het zonnestelsel even het licht in en schiet daarna weer verder, de duisternis aan de andere kant in. De uiterste punten van de reis van het OBJECT liggen even ver als de Oort-wolk. Ik heb zin om me aan het ding vast te maken en mee te vliegen naar de Oort-wolk, om ‘Boldly go where no man has gone before’ maar ik wil ook niet het OBJECT van gewicht laten veranderen zodat het misschien een route krijgt die het ooit keihard op aarde laat landen. Ik wil geen derde grote Extinction Event veroorzaken.

Ik heb een pil meegekregen, een pil die alle astronauten ontvangen als ze in een ruimteschip stappen. Een pil waarmee ik in een korte tijd, op een relatief zachte manier afscheid kan nemen van het leven. Wel gek dat ik in een klein doosje een dodelijk middel bij me heb, terwijl ik een dodelijk monster in mijn ingewanden heb zitten dat me van binnen opvreet en dat terwijl er op een halve meter afstand van mij de Grote Leegte is, waar ik binnen een bijzonder korte tijd sterf als ik er zonder bescherming in terecht kom. Overal dood om me heen dus, buiten, van binnen en in mijn hand in een klein blauw doosje. Ik ben benieuwd hoe de pil werkt, hoe het gaat als ik hem neem. Ik kan me niet voorstellen dat ze hem vaak hebben uitgeprobeerd op mensen, zou een beetje lullig zijn. Misschien hebben ze het ooit een aap gegeven, slikte hij de pil, verborgen in een stukje banaan, zo in, ging hij liggen met een vredige glimlach op zijn gezicht en stierf hij toen. Misschien kwam hij eerst in gedachten wel in het paradijs terecht, vol met fruitbomen en gewillige andere aapjes en ging hij toen het hoekje om. Zou wel mooi zijn, om het gevoel te hebben dat je in het paradijs terecht komt voordat je dood gaat. Ik kijk nog één keer naar het doosje en leg hem dan weer in het kastje onder de console. Af en toe check ik of hij er is, en dat is raar, want er is niemand die hem kan afpikken en op zijn eigen houtje aan de wandel gaan is ook onwaarschijnlijk.

Er is niks op het OBJECT te zien. Perfect glad, vertellen de camera’s mij van deze afstand. Ik moet zeggen dat ik wel een beetje teleurgesteld ben. In mij zit een nieuwsgierige puber die graag gave alienteksten had gezien, die dan een prachtige uitdaging waren voor een team geleerden, taalkundigen, wiskundigen en biologen die dan jaren lang moesten ploeteren om de taal te ontcijferen. Nu is het OBJECT tegelijk eenvoudiger én ingewikkelder. Wat is de bedoeling van het ding? Is het een database, een soort back-up van een samenleving die ooit verdwenen is en zijn herinneringen de ruimte in heeft geschoten, in de hoop dat er ooit iemand zou zijn die het kon openen en lezen? Is het een onderdeel van een ruimteschip, een soort galactische versie van een remschijf, per ongeluk achtergelaten door een team alien-astronauten die achterom keken, het OBJECT zagen en dachten: daar gaan we niet voor in zijn achteruit? Is het een grap van kosmische omvang? Zitten er aliens in een ruimteschip een stukje verderop achter een planetoïde te wachten tot iemand zoals ik er naartoe vliegt, zeggen ze zo meteen de intergalactische versie van ‘kiekeboe’. Is het een test? Mogen samenlevingen die dit OBJECT bereiken meedoen aan de grote overlegorganen van de ‘ruimtevarende wezens’-federatie? Alles kan.

Mijn buik doet elke dag meer zeer, een groeiende brand woedt in mijn ingewanden, vlammen likken mijn longen van binnenuit, kevers krioelen in mijn darmen, proberen zich een weg naar buiten te banen. Ik heb het ze gevraagd, de artsen, hoeveel pijn het zou doen, maar ze wilden niet meer vertellen dan dat iedere mens een andere pijngrens heeft en dat er goede pijnmedicatie was tegenwoordig en meer van dat soort blabla. De mensen die in de wachtkamer zaten met mij, met hun dunne armen, hun bleke gezichten en met hun kale chemokoppen, glimlachten en zwegen als ik het ze vroeg. Een ervan aaide me over mijn hoofd toen ze de spreekkamer van de oncoloog verliet, een fragiel meisje van niet meer van 15 jaar. Ik neem een iets hogere dosis normale pijnstillers, maximaal tot aan wat het medische team me had aangeraden. De grens daarvan is bereikt. De zware pillen wachten en daarna het kleine doosje. Ik ben in ieder geval de baas over deze situatie, dat is positief. Of in ieder geval: ik ben de baas over de beslissingen.

Ik kan het nu ook zien in het raampje: het OBJECT is lang, ruim 78 meter, vijftien meter breed ongeveer en even diep. Glimmend zwartig, met een zweem erin, een andere kleur, niet perfect zwart. Welke kleur erbij zit weet ik niet. De zon verlicht alles goed, we zitten op dezelfde afstand ongeveer als de aarde is van de zon, maar ik weet niet of het glas waar ik doorheen kijk of iets anders de zichtbare kleur beïnvloed. Ik kijk ernaar terwijl mijn kleine ruimtehuisje rustig doorzweeft door het niets, langzaam het OBJECT inhalend.

Teruggaan is onmogelijk. Daar heb ik voor getekend. Daar heb ik heel veel papieren voor getekend. Ik ga hier dood, in dit huisje, of misschien ga ik dood zwevend in de ruimte, in het ruimtepak dat ik mee heb. Ik moet er nog over nadenken wat ik de mooiste dood vind. Eerst nog maar even een stukje leven en de mensheid helpen het grootste mysterie aller tijden te helpen oplossen.

Ik heb het ruimteschip gedraaid en de koepel van het grote raam geopend. Ik zit op vijftig meter afstand van het OBJECT en ik kijk er naar. De zweem lijkt een soort paarsig zwartrood te zijn. Ik heb het gecheckt met de aarde en die lieten weten dat het glas in principe geen grote kleurverandering zou moeten opleveren, en dat de camera’s dezelfde kleuren zien. Ik kijk naar het OBJECT en ik kijk ernaar, doe even niets anders dan dat. Ik val zelfs in slaap, en word wakker, kijkend naar het ding. Het is nog steeds even ver als voordat ik in slaap viel, zo’n anderhalf uur geleden. De automatische piloot houd me op de juiste plek en dat is fijn.

Geen radioactieve straling of andere warmte straalt er vanuit het OBJECT. Geen energiebron van binnen dus, of een energiebron die leeg is. Het OBJECT is verder niet massief en niet hol, maar mijn apparatuur kan niet onderscheiden wat er in zit. Misschien is de buitenkant te dik. Ik vraag en krijg toestemming, en dan ga ik iets dichterbij, tot twintig meter.

Ik kijk door het grote raam naar het koude levenloze ding, vraag me af of er ooit leven in had gezeten, of iets levends het ooit had aangeraakt of dat het misschien een mechanisch ding was door robots gebouwd lichtjaren verwijderd van de wezens die ooit de robots hadden ontworpen en op pad gestuurd.

Een dag en een nacht zijn alle apparaten bezig om metingen te verrichten, data te verzamelen. Het gewicht is precies gemeten. Het OBJECT was waarschijnlijk voor een deel hol. Zou geinig zijn als ik er in kon klimmen, om daar te gaan liggen en te sterven, in de meest sjieke doodskist aller tijden. Nog geiniger als dan pas over een paar honderd jaar het OBJECT weer door mensen gevonden wordt, na een wereldoorlog ofzo, en dat iedereen dan superverbaasd is dat er een mens in een alien-ding zit. Maar misschien moet ik maar even niet nadenken over practical jokes. Tijd voor een uitstapje.

Ik doe het pak aan, ga in het minuscule sluisje staan waar ik maar net in pas, doe het deurtje achter me dicht, wacht. En dan doe ik de deur open en duw mezelf uiterst voorzichtig naar buiten. Geen enkele mens heeft ooit een wandeling in de ruimte gemaakt, zo ver als ik nu ben. Dat is wel heel erg geweldig. Godverdomme, ik had dit nooit verwacht. Het voelt alsof ik er nu écht ben, alsof ik nu pas een officiële astronaut ben! Dat had ik toch moeten voelen in het ruimteschip? Misschien is dat het effect van zweven vlak buiten mijn kleine ruimtehuisje, in het absolute niets. Ik zweef verder, doe mijn vizier naar beneden en kijk even naar de zon, heel klein en heel ver weg. Ik kan de aarde niet zien, kijk op mijn armcomputer, reken het uit, draai en kijk dan nogmaals en daar zie ik het, een klein lichtblauw stipje, waar iedereen is waar ik van hou. En het is ook de plek waar op dit moment duizenden mensen, misschien wel miljoenen, zitten te wachten tot ik iets nuttigs ga doen met mijn tijd. Ik draai me weer om en kijk naar het OBJECT. Van zo dichtbij is het erg groot. Langzaam maar zeker laat ik mezelf de kant van het OBJECT op duwen door de kleine jetpack die aan mijn pak is vastgemaakt. Elke vijf meter wacht ik, dan laat ik metingen verrichten. Geen straling, geen giftige stoffen, geen biologische of andere gevaren, voor zover de apparaten het kunnen zien. En elke keer wacht ik tien minuten, tot ze het ook thuis allemaal hebben bestudeerd, de waarden die er gemeten worden.

Ik zou het nu bijna kunnen aanraken, het OBJECT, met mijn ingepakte vinger, zó dichtbij ben ik. Ik doe het nog niet, wacht weer de metingen af, en ik heb ook iets in mijn pak zitten dat mijn vinger moet vervangen, iets dat nog gevoeliger is dan de top van mijn vinger. De kop ziet er een beetje uit als een grote dildo, wat ook bij universitair geschoolde en zeer serieuze en professionele mensen nogal wat gegniffel opleverde. Ik haal mijn ding uit mijn zak en hou het tegen het OBJECT aan, zie dat het contact maakt. Meer metingen.

Een pijnscheut in mijn buik, de monsters vallen me weer aan van binnen, ik beweeg even, vervloek mezelf en de ziekte omdat zo de meting misschien verstoord is. Ik zeg het tegen thuis, wat er gebeurde, omdat ik nergens over mag en wil liegen, eigenlijk. Ik zet het ding weer tegen het OBJECT en ineens zie ik iets gebeuren, op het gladde vlak van het grote zwartige OBJECT. De zweem van roodachtig paars lijkt iets te verschuiven, te veranderen, precies in de buurt van mijn dikke meetapparaat.

Maar ik zeg het niet. Want ik weet niet of het in mijn hoofd gebeurde of in het echt. Eerst afwachten of ze het op aarde hebben gezien, of iemand van het hele team dat de meer dan 20 camera’s in de gaten houdt, in meerdere golflengtes alle data bestuderend, of die iets gezien hebben. Want misschien is de pijn mij beelden in mijn hoofd aan het geven, en zijn mijn waarnemingen onbetrouwbaar. Als dat zo is, is mijn rol hier klaar, dan zullen ze alles wat ik zeg met een korreltje zout nemen. Ik wil niet nutteloos zijn, zo vlak voor mijn einde. Ik wacht, de tijd verstrijkt, ik wacht nog even en dan nog even, maar ze zeggen er niets over. Zometeen thuis, ik bedoel: in het high tech koekblik, zelf even alle beelden naspeuren om te zien of het echt is. Misschien nemen mijn hersenen me niet twee keer in de maling. En dan hoor ik haar stem, hoor ik Stacey. Ze vraagt of ik nog iets bijzonders gezien heb. Stacey heeft verder nog geen vragen gesteld. Dit is vreemd. Ik vraag haar wat ze bedoelt, en ze legt uit dat ze zag dat ik ergens op reageerde. Ik denk er even over na. Ik zou willen dat ik het met haar kon bespreken, privé, van mens tot mens, dat ik mijn zorgen over mijn geest met haar kon delen en dat ze eerlijk kon zijn tegen me, mijn waarnemingen kon gebruiken bij het onderzoek als ik het goed gezien had en me kon troosten als het niet echt was. Ik zeg dat ik graag de volgende stap wil zetten in het onderzoek. Ze denken er even over na, zeggen ze.

Mijn broer heeft kinderen, drie zelfs. Drie wilde jongetjes die altijd bovenop me klimmen als ik er op bezoek ben. Ik ben de coole oom, en dat is logisch, want ik ben astronaut. En ik heb altijd zin en tijd om met ze te spelen als ik bij ze op bezoek ben: papa heeft het vaak te druk. Vroeger stoeide ik met ze of voetbalden we, nu pakken we de oude bordspelletjes die mijn broer en ik vroeger speelden met onze vader of moeder en gaan we monopoly of risk spelen met limonade en chips erbij. Als ik daar dan bij hun aan de keukentafel zit, in dat gezellige volle huisje, geniet ik er van en ben ik blij dat ze zo zijn, zo warm, en ik misgun mijn broer niks totdat ik weer buiten sta en naar binnen kijk en ze nog even bestudeer door het raam, van een afstandje. Dan knuffelt mijn broer zijn vrouw altijd even en ik beeld me in dat hij dan zegt dat hij het zo vervelend voor mij vindt dat ik alleen ben, dat ik niemand heb om me vast te houden en zij zegt dan vast dat ze het wel begrijpt dat vrouwen het spannend vinden om een echte relatie met me aan te gaan omdat ik zo’n veeleisend beroep heb, zo gevaarlijk. En misschien zegt hij dan wel dat hij mij begrijpt, dat hij weet wat voor eisen ik aan mezelf heb moeten stellen om te komen waar ik nu ben, en dat daar ook offers bij horen.

Godzijdank, ook op de schermen zijn ze zichtbaar, heel fragiele lijntjes die lijken te bewegen op het oppervlakte van het OBJECT, maar alleen in infrarood zijn ze zichtbaar. Helemaal gek ben ik dus niet, alleen zou ik die frequentie niet moeten kunnen zien. Zou mijn vizier iets andere frequenties door kunnen laten dan normaal licht? Ik weet het niet, maar durf nu wel te vragen naar wat ik zie op het scherm: zij zien het ook. Het antwoord komt binnen tien minuten: ze zijn er druk mee bezig.

Ik realiseer me dat die lijntjes van alles kunnen zijn, patronen in materie waar het van gemaakt is, sporen gemaakt door het fabricageproces, slijtage door het rondvliegen in de ruimte, maar ook een vastgelegde taal. Wie zegt dat geschreven teksten statisch moeten zijn, ook bewegende vormen kunnen iets vertellen, meer zelfs. Het is fijn dat een enorm team bezig is met nadenken erover.

Ze laten mij het ruimteschip dichterbij manoeuvreren, tot ik er tegenaan hang. Twee lange lussen verlaten mijn schip, cirkelen rondom het OBJECT, trekken me er vast tegen aan alsof het twee armen zijn die een lang gemiste vriend of een geliefde omhelzen. Pootjes op mijn schip zorgen ervoor dat er geen schade aan het OBJECT zou kunnen ontstaan en tegelijk meten ze of het materiaal ingedrukt wordt door de druk die we er op zetten. Het geeft niet mee, blijkbaar, ook al trekken we het strakker en strakker. Dan weten we dat ook weer.

Er is nog geen uitslag over de bewegende lijntjes in infrarood. Ik vraag er geen tweede keer naar, omdat ze anders denken dat het belangrijk voor me is. Ik zit achter een scherm, stuur beweegbare arm aan dat een scherp mesje naar het OBJECT toe brengt. Steeds dichterbij komt het bij het OBJECT. Met de camera die dicht naast het mesje zit, kijk ik naar het oppervlak van het OBJECT. Zwartig, met een roodpaarse zweem, geen bewegende lijntjes. Ik kijk naar de andere schermen, waar ik in infrarood alles kan zien, ook niks. Misschien was het toch een glitch. Ik laat het mesje steeds dichterbij komen, zet het puntje op het oppervlak, maar het geeft niet mee. Ook al is het mes van gehard staal, hoe veel druk ik er ook achter zet, er komt geen kras in het materiaal, laat staan dat ik er een stukje van af kan snijden om het te analyseren. Wel gaaf eigenlijk, dat het zo hard is. Ze hebben het mesje uitgeprobeerd op metaalsoorten, steensoorten en diamant, en overal kon het wel een kras in maken. Maar niet hierin dus. Ze hebben wel vaardigheden, die aliens.

Zou het een dataverzamelaar zijn? Is dit OBJECT een ding dat informatie verzamelt over het leven op planeten waar er een kans is dat er denkende wezens ontstaan, zelfbewuste wezens? Misschien is dit wel een soort grote camera die alles in de gaten houdt, zoals camera’s in het bos gericht kunnen zijn op een plek waar vaak wilde dieren komen. En dan ben ik als een aap die de camera in de gaten krijgt en er met zijn grote neus aan gaat zitten snuffelen. Als dat zo is, hoe lang is het OBJECT hier dan al? Tientallen miljoenen jaren misschien? Heeft het tienduizend jaar geleden gezien dat we sedentair werden en heeft het een bericht gestuurd naar zijn bouwers, die misschien op tienduizend lichtjaar leven, en weten ze pas net van onze stappen tussen jagers/verzamelaars en boeren? Of misschien hebben zijn bouwers zichzelf al honderddduizenden jaren geleden teruggetrokken in pods waar ze een leven kunnen leiden in oneindige gelukzaligheid en zijn ze niet meer geïnteresseerd in anderen, is dit OBJECT zinloos geworden.

De apparaten verwarmen het OBJECT, bekijken het met een microscoop, schijnen er licht op, laten er een klein rotje naast knallen. Niets heeft invloed op het ding. Nu is het tijd voor de laatste stap, de meest spannende stap ook voor mij en voor de mensen op aarde.

Ik sprak tot voor kort elke dag met vertraging met mijn familie, via een videoverbinding. Ik zeg wat, zij reageren erop, ik zeg iets terug. Soms gaat het net als met chatten, we voeren een paar gesprekken ongeveer gelijktijdig, reageren op iets van tien minuten geleden, horen dan iets anders van onze gesprekspartner, reageren daar gelijk op: vijf minuten later hoort de ander het pas. Het is vreemd maar wel gezellig en het zorgt ervoor dat de ergste eenzaamheid minder is. Alleen heb ik nu niet meer de kracht om deze gesprekken te voeren. De pijn doet me steeds weer ineenkrimpen, mijn gezicht verwringen en ik wil niet dat de mensen die me lief vinden, mij zien lijden. Ik wil graag dat ze denken dat ik wel pijn had, maar dat het wel ging, dat de pillen hielpen. Ik wil niet dat ze weten dat ik al twee nachten vrijwel niet geslapen heb omdat de pijn me wakker houdt. Twee keer nu heb ik zwaardere pillen genomen, om twee tot drie uur wat dieper te kunnen slapen in de slaapperiode, en ik merk dat ik er suffer van begin te worden, maar vooral ook dat ik steeds meer zin krijg om meer van die pillen te slikken, verder weg te zakken in een verdoofd bestaan met minder pijn. Maar ik wil nog wakker blijven, scherp blijven, helder blijven. Ik wil vragen kunnen stellen en beantwoorden, ik wil op hoog niveau in gesprek blijven met de mensen op aarde die dit project begeleiden. Ik besluit het tegen Stacey te vertellen en ze begrijpt het, hoopt dat ik het zo lang mogelijk vol hou voor de wetenschap maar zegt ook dat ze het begrijpt als ik er niet meer tegen kan en er tussenuit knijp. Daar hoopte ik op, dat ze dat zou zeggen.

We brengen het ruimteschip steeds dichtbij het OBJECT, het perfect gladde, keiharde OBJECT, trekken onze pootjes in zodat we nog dichterbij kunnen komen en brengen dan de dubbele ringen van rubber die aan de buitenkant van de sluis speciaal voor dit doel zijn gemonteerd, met de sluis samen naar het OBJECT toe. Als een enorme zuigzoen zuigen de ringen zich vast aan het OBJECT, een soort eerste kus voor iemand waar je van houdt maar die je al heel lang niet gezien hebt. Ik zie de metingen, lees dat het goed dicht zit, dat er geen gassen verdwijnen tussen de ringen en het oppervlak van het OBJECT. Gisteren heb ik een flinke stapel meetapparatuur in de sluis gebracht, samen met de afstandbestuurbare armpjes die hiervoor gemaakt zijn, ik zet de 3D-bril op en kijk, zie de armpjes in realtime. We gaan metingen doen aan de oppervlakte van het OBJECT, maar nu van dichtbij.

Schijtzooi. Door de pijnkrampen heb ik een van de armpjes te hard tegen de wand aangeduwd, en nu is hij verbogen. Ik kan er niet meer mee werken. Ik bied mijn excuus aan, maar iedereen zegt dat het niks uitmaakt, dat met het andere armpje ook prima te werken is. Ik accepteer het, met woorden, maar van binnen voel ik alsof ik faal, alsof ik door die kloteziekte ineens toch echt minder waard ben, minder nuttig dan een andere astronaut zou zijn. Met één armpje werk ik verder, ik breng de apparaten dichterbij het object, ze lezen en meten en registeren. Ze passen kleine beetje zuur toe en andere chemische stoffen, steeds maar een klein beetje, om te zien of ze er wat stukjes vanaf kunnen weken zodat ze erachter komen waar het nou precies van gemaakt is.

Deze nacht kon ik pas slapen na een dubbele dosis van de pijnbestrijding. Ik werd niet wakker op het geplande tijdstip, maar pas later, toen de kevers weer begonnen te knagen in mijn darmen. Ik wil meer pillen, ik wil ze de hele dag. En het doosje met de laatste pil blijft me ook roepen. Hoe lang hou ik dit nog vol?

De metingen zijn verwarrend en interessant, volgens de mensen beneden, op het kleine blauwe bolletje dat ik nauwelijks meer kan zien, zo ver ben ik al met het OBJECT mee gevlogen de diepste ruimte in. Ik kijk wel vaak die kant op, waar het moet zijn en dan stel ik de camera’s bij, zoek naar hem en check dan in het raam en zie hem op de plek waar ik hem moet zien. Of zie ik de aarde niet echt, kijk ik naar een klein stipje en vertel ik mezelf alleen maar dat het mijn thuis was?

Ik kijk om me heen in het benauwde maar ook knusse ruimteschip. Ik heb zaadjes opgekweekt in bolletjes van mijn poep en een beetje papier-maché: geen stank maar wel vruchtbare grond. De resultaten van deze onderzoekjes stuur ik ook naar de aarde, als een extra projectje. Tomatenplantjes doen het prima, overigens, onder deze omstandigheden. Hadden ze ook aan Matt Damon moeten meegeven in the Martian, was zijn dieet wat gevarieerder geweest.

Mijn onderzoeksdeel is klaar, ik durf niet eens meer voor te stellen om dingen te doen waarbij nagedacht moet worden. Ik voel dat mijn hersenen het niet meer de hele tijd goed doen, niet door de kanker maar gewoon, omdat de pijnflitsen ervoor zorgen dat ik gedachten niet langer dan een paar seconden kan vasthouden. Ik zit, eet een heel klein beetje, meer uit gewoonte dan uit noodzaak, ik drink wat. Soms kijk ik naar de plantjes die aan het opkomen zijn in mijn poep. Misschien moet ik overal in het ruimteschip plantjes laten ontkiemen, die kunnen groeien in mijn poep en resten papier, zodat als ze me over al die jaren terugvinden, een kleine groene oase is ontstaan in het ruimteschip.

En wat doe ik met mijn lichaam? Het is een vreemde gedachte. Ga ik mezelf inpakken in het buitenpak, vacuüm verpakt, zodat ze als ze me vinden, ze mijn lichaam kunnen collecteren en inclusief pak kunnen begraven? Dat zou wel vet zijn, om als astronaut te sterven en om als astronaut begraven te worden. Maar ergens heb ik geen zin om de pil te nemen en dan in het pak te kruipen en dan daarin te sterven, de gedachte benauwd me. Misschien moet ik iets anders verzinnen.

Dan krijg ik een idee, misschien ingegeven door mijn verslechterende geestelijke capaciteiten, of misschien is het juist wel geniaal. Ik neem die pil, misschien vandaag, misschien morgen, en dan film ik me terwijl ik naar het OBJECT toe kruip, en ik ga het met mijn blote handen aanraken om erachter te komen hoe het voelt. Ik film het, en als er dan iets mis gaat, als het OBJECT een mensenetend monster blijkt te zijn, dan ziet iedereen op aarde dat en zijn ze gewaarschuwd. En dan ben ik niet alleen de eerste mens die zo ver is gekomen in een ruimteschip, maar heb ik ook als eerste mens een OBJECT aangeraakt dat door aliens is gemaakt. En misschien ben ik dan ook de eerste die opgegeten wordt door een alien OBJECT. Dat is wel wat waard, als ik daarmee niet in de geschiedenisboekjes kom, naast Neil Armstrong en Einstein, dan weet ik het ook niet.

Ik bereid me voor. Ik hoef geen camera’s speciaal die kant op te richten, die staan overal en bestuderen alles. Ik voel me even heel goed, vind het een erg goed idee van mezelf. En dan bekruipt me het gevoel dat ik hier helemaal niet had willen zijn, niet zo ver weg van alle andere mensen. Ik voel dat ik veel liever in een bedje had gelegen, omringd door de paar vrienden die ik heb, mijn familie. Ineens was ik veel liever een ander mens geweest, met een gewoon leven en zonder kanker bijvoorbeeld, die nu met zijn vrouw en kinderen op de bank zat te kijken naar het verslag van deze ruimtemissie, waar een andere idioot voor gevonden was. Heel mijn leven heb ik het gevoel gehad, de wetenschap zelfs, dat je maar een tijdje bestaat, heel, heel kort, en dan verdwijn je weer in het oneindige niets. Misschien dat ik daarom altijd astronaut wilde worden, om zo vér mogelijk te komen voordat ik verdwijnen moet. Ik ben heel ver gekomen, en het niets kijkt me aan, buiten, in de ruimte, en in het doosje, in de vorm van een pil. Maar het niets vreet me ook op van binnen, als de Langoliers in het verhaal van Stephen King, monsters die het verleden opeten als de tijd voorbij is en waar je voor moet blijven wegrennen, zo lang je dat kan.

Ik heb het doosje in mijn hand en ik kijk er naar, ik kijk naar het object aan de andere kant van het kleine kijkgat in de sluis. Ik weet het even niet, en dan weer wel en dan niet. Ik zucht, iets te diep en de gloeiende kankerkevers worden weer wakker, vechten zich door mijn ingewanden naar boven en dan weet ik het zeker. Voordat ze mijn brein bereikt hebben, voordat ik mijn verstand verlies door de pijn, voor die tijd wil ik weg zijn uit mijn lichaam. Ik doe het doosje open, en gooi de pil in mijn mond. Dat gaat mis, hij gaat de verkeerde kant op, ik hoest en hoest om hem weer naar boven te krijgen want de pil zit in mijn keelgat en om nou heel stom te stikken in een zelfmoordpil is ook weer zo zuur. Ik krijg hem mijn luchtgat uit, hoest hem op, heel even kan ik nog beslissen om niet meteen dood te gaan maar dan besluit ik het toch en met een glimlach slik ik hem nu door, het juiste gat in. Ik lach hardop om de vreemde situatie en knik dan. Het is mooi geweest.

De sluis is open. Ik ben bij het OBJECT, het enorme ding waar ik nu een heel klein deel even van kan aanraken. Misschien zit ik hier wel verkeerd, zit het meest interessante deel op de kop of aan de andere kant. Geen tijd om meer uit te zoeken. En de kleine drones die we er omheen gezonden hebben, vonden ook niets anders dan dit materiaal.

Ik zweef dichterbij en dichtbij en strek mijn handen uit, verwacht dat ik gelijk vast vries, omdat het OBJECT voor een groot deel aan het oneindige universum grenst en daar is het nogal koud. Maar het voelt niet koud, net zo warm als de lucht in de sluis, en het materiaal is glad.

Ik aai het OBJECT, tik er dan tegen met een stukje metaal. Dan met een stukje hout, een opgerold stuk papier, mijn plastic pen. Elke keer klinkt het een beetje anders. Dan ruik ik er aan: geen geur. En dan steek ik mijn tong uit en lik. Het smaakt naar, naar, ja waar smaakt het naar, naar water eigenlijk. Ik kijk naar de camera’s, vertel wat ik waarneem, wacht dan. Ze ontvangen mijn bericht, stellen vragen over wat ik voel en meemaak en ik vertel het ze eerlijk. Een collega van me die ik altijd heel erg mocht vraagt of ik het ding nog even wil swaffelen, puur voor de wetenschap maar ik zie dat hij een duw krijgt van een van de andere mensen die in die ruimte zijn. Ik sla zijn aanbod af, al moet ik er wel om lachen, wat ook weer gruwelijke pijn doet.

Langzaam wordt alles mistig. Ik weet niet of het er bij hoort, bij de pil, maar ik vertel het en ik weet dat ze het zo horen. Misschien hoor ik het antwoord nog.

Dan kruip ik dichterbij het OBJECT, zet mezelf klem met mijn voeten om met mijn rug naar het ding te kunnen zitten, en blijf daar zo. Zo wil ik wel weggaan, het einde ontmoeten, met mijn rug tegen het belangrijkste OBJECT dat ooit door mensen is ontdekt. En dan realiseer ik me dat ik lieg, dat dat helemaal niet waar is, dat ik veel liever in de armen had gelegen van Stacey, waar ik echt wel van hield maar waarvan ik dacht dat ze me zou afleiden in mijn pad om astronaut te worden, met haar voorzichtige vragen of ik misschien ooit kinderen wilde. Ik wil hier toch helemaal niet zijn, niet hier in mijn eentje verdwijnen zonder iemand die mijn hand vasthoudt, mij gedag zegt en me zachtjes de goede kant op laat gaan. Ik wil daar zijn, bij haar en ineens

zie

ik haar

Ben ik heel dichtbij en

ruik ik haar geur terwijl alles donker wordt

 

hoor ik haar stem zonder vertraging,

terwijl ze mijn haren streelt en zegt

 

je bent thuis, lieverd.

 

en dan, vlak voordat ik in het alles verdwijn denk ik

 

shit.

 

ik weet niet of dit nu echt gebeurt,

dat het OBJECT je allerdiepste wens vervult als je het

aanraakt

dat dat de oplossing van dit mysterie is

 

of dat

ik me dit inbeeld

omdat ik het nodig heb

dit laatste stukje

 

ik wil mijn ogen weer open doen om het zeker te weten

maar

 

 

 

feedback van de juryleden

Geplaatst op Geef een reactie

Verrassing

Mijn zoontje van 7 kijkt naar de twee playmobilpoppetjes in zijn handen. Hij twijfelt welke hij in de ME-bus gaat zetten. Dan zet zijn broertje van 3 een stap zijn kant op, en grist er eentje uit zijn hand.

De kleine kijkt hem uitdagend aan, wijst met zijn vingertje naar zijn grote broer.

‘Dat had je niet verwacht hè,’ zegt hij.

De grote broer kijkt hem aan, te verbijsterd om boos te worden.

 

De kleine man loopt rustig weg. En zijn grote broer schiet in de lach.

Geplaatst op Geef een reactie

Schrap

Ons schattige blonde dochtertje van vier nestelt zich op haar moeders schoot. Samen kleuren ze barbiemeisjes in het kleurboek, netjes binnen de lijntjes, streepje voor streepje. Haar tong steekt een beetje uit haar mond, zó geconcentreerd is ze.

Dan gaat ze rechtop zitten, legt haar roze stift neer. Ze steekt haar vingertje op.

‘Mama?’ zegt ze.

“Ja schat,’ zegt haar moeder, die de kleine even over haar haar aait.

‘Mama!’ zegt ze dan, met nadruk. ‘Zet. Je. Schrap!’

Ze komt een stukje overeind, steekt haar bips naar achteren en laat een knetterharde scheet, met een trotse blik op haar gezicht.

 

Ons dochtertje gaat zitten, pakt de roze stift weer op.

‘Bedankt voor de waarschuwing,’ zegt haar moeder. ‘Jij kleine smeerlap.’

En dan lacht de kleine haar heerlijk frisse lach.

Geplaatst op Geef een reactie

Allemaal Vrienden

‘Hoi!’ roept mijn zoontje van zeven tegen de donkere man met het witte pak en de oranje veiligheidshelm die uit de fabriek loopt als we er langs fietsen. De man kijkt even verbaasd, groet dan terug, glimlacht.

‘Ik wil altijd wel nieuwe vrienden maken!’ zegt mijn zoontje terwijl we doorfietsen.

Ik glimlach. Zijn moeder en ik maken ook altijd praatjes met iedereen die we tegenkomen.

‘…zelfs als ze bruin zijn, dat maakt me niks uit,’ zegt mijn zoontje dan, helaas.

Geplaatst op Geef een reactie

de Terugkeer

‘Maar wat wil je zelf nou eigenlijk?’ vroeg ze en twee keer gaf ik antwoord op een andere vraag. Tenslotte begreep ik wat ze wilde weten en antwoordde ik: ‘Ik wil weer gaan schrijven, want dat mis ik.’

Dat was het juiste antwoord, voor mij. Maar waar kon ik tijd vinden om te schrijven, naast mijn drukke werkweken bij #lukidabv en een gezin met drie kinderen? Het antwoord was: in de trein, tussen Zaandijk en Amsterdam. Tien minuten heen en tien minuten terug. Vertraging is dan een cadeautje. In één jaar tijd schreef ik 365 pagina’s.

Deze versie van het verhaal waar ik al tientallen jaren mee bezig ben, en waarvoor ik ook naar de Schrijversvakschool ben gegaan, was vorige week klaar om in ruwdruk te gaan. Ik laat het aan vijf mensen lezen die nog nooit een eerdere versie hebben gelezen.

Met hun feedback herschrijf ik het boek, en daarna gaan er een paar professionals mee aan de slag om het af te ronden. En dan ga ik dit boek op mijn geheel eigen manier de wereld in brengen.

Geplaatst op Geef een reactie

de Huilziekte

‘We waren ervoor gewaarschuwd, dat het virus dat de wereld al maandenlang in zijn greep had, kon muteren. De meeste landen deden hun uiterste best om de pandemie te bedwingen, maar één land deed dat niet, in één groot land kon de ziekte ongelimiteerd huishouden. En daar muteerde de ziekte, daar veranderde het in een monster die de hele wereld definitief op zijn knieën kreeg.

Natuurlijk vielen de meeste doden tijdens de Grootste Oorlog, die met kogels begon maar met atoomwapens eindigde, en die voor het eerst geen overwinnaar opleverde, geen land of regio die de macht kon grijpen toen de stofwolken neerdaalden. Vooral omdat het jaren duurde voordat de stofdeeltjes uit de lucht verdwenen en ook omdat deze deeltjes vaak radioactief waren. Er was weinig wereld meer om de baas over te zijn.

Toch werden de meeste tranen gelaten tijdens de tweede fase van de pandemie, die de ‘Amerikaanse Griep’ werd genoemd maar later een nieuwe naam kreeg: de ‘Huilziekte’ en in het Engels de ‘Crying Disease’. Deze naam paste om twee redenen perfect. Ten eerste omdat mensen die ziek waren dagenlang tranende ogen hadden, naast een snotneus en een pijnlijke keel: deze variant deed ook iets met de traanbuisjes. De tweede reden was dat deze keer niet de oude mensen, de mensen met ernstige ziektes, de mensen met overgewicht het slachtoffer werden, maar juist de jongste mensen, de gezonde kindjes, van pasgeborenen tot tieners, waardoor ouders en grootouders, broers en zussen, neven en nichten, ooms en tantes, vrienden en vriendinnen oneindig hard huilden, oneindig lang.

Het begon met een paar gevallen in het zuiden van de VS. Een klein aantal kinderen werd ziek en overleed na een paar weken, gestikt in snot, nat van tranen. Door de gebrekkige registratie en overbelaste medische zorg in dat gebied, én omdat iedereen er vanuit ging dat kinderen helemaal niet zo erg ziek konden worden, had niemand door wat er aan de hand was, dat het een nieuwe variant was van de gevreesde ziekte en dus een groot gevaar. Er werden geen extra maatregelen genomen, geen scholen gesloten, geen speeltuinen afgezet, geen treinen en bussen tegengehouden, geen boten aan de ketting gelegd. Het land ging gewoon door, bereidde zich voor op de verkiezingen, vol angst dat de president het land ten gronde zou richten voor of vlak na de verkiezingstijd. Dáár ging alle aandacht naar uit, van de sociale en oude media, dáár sprak iedereen over. En buiten het land waren er nog geen gevallen van jonge slachtoffers, alleen oudere mensen en zieke mensen die de pech hadden om in de buurt te komen van onvoorzichtige, onverschillige of onhandige mensen.

Het kindje van een beroemde acteur ging dood en er kwam een beetje aandacht. Toen overleden twee kleinkinderen van een politicus en toen nóg een paar kinderen waar mensen even van opschrokken, van rijke mensen die weleens in het nieuws waren, niet de onbekende arme kinderen in het oorspronkelijke besmettingsgebied. De media keken ernaar, kort, bespraken het, vergaten het weer tijdens de gewelddadige verkiezingsmaand. Het aantal zieken groeide snel, omdat de ziekte niet van aandacht leefde, maar juist door genegeerd worden kon groeien. Honderden kinderen raakten besmet, via hun ouders, vrienden, op scholen, bij sportverenigingen, maar de verkiezingsuitslag was niet naar de zin van de ene partij en die dreigde met een opstand. De aandacht viel nog niet op de nieuwe variant van de ziekte, ook al probeerden sommige artsen en wetenschappers er wanhopig aandacht voor te vragen. Een paar oplettende mensen kregen door wat er aan de hand was: specialisten in dienst van de 1 procent. Ze informeerden hun bazen en deze rijke mensen vlogen weg naar hun huizen in Europa, naar bunkers diep in bossen of op eilanden ver weg, namen de ziekte mee zonder dat ze het wisten, besmetten de lokale bevolking. En daar waren wél mensen die opletten, die merkten wat er gebeurde. Voordat in de VS duidelijk werd dat er een mutatie was die kinderen trof, sloten steeds meer landen zich af voor toeristen of medische vluchtelingen uit dat land, en toen ook voor álle mensen uit álle landen. Grensversperringen werden opgezet, havens gecontroleerd, vliegtuigen aan de grond gehouden of, als ze toch gingen vliegen, op de vliegvelden van bestemming vastgehouden waar iedereen in quarantaine moest blijven, in het vliegtuig of in tentjes of containers naast de landingsbaan.

Al snel kwam de hele wereld tot stilstand. Alleen mensen zonder kinderen mochten en wilden nog het huis uit, om te werken bij de essentiële beroepen: nu niet meer dan medische zorg, politie, brandweer en nutsvoorzieningen als water en elektriciteit. Iedereen kroop dicht tegen elkaar aan in huis.

Toen kwam de Wrede Selectie: als er in een gezin iemand besmet was, overleed de helft van de kinderen, gemiddeld gezien. Sommige gezinnen overleefden het dus helemaal, andere gezinnen raakten iedereen kwijt. Iedereen huilde, toen ze nog tranen hadden, over hun eigen verlies of het verlies van hun neefjes en nichtjes of kleinkinderen, de vriendjes van de eigen kinderen of hun eigen vrienden. Er overleden ook nog zieke mensen en oudere mensen, mensen met overgewicht, maar daar hadden de meeste mensen geen tranen meer voor, droevig genoeg.

In de rijkere landen betaalde de overheid voor het thuis zitten, in armere landen gebeurde dat niet en ging het land failliet, raakte grote delen van de bevolking hun baan kwijt, konden veel mensen geen eten meer kopen: en dat was er ook steeds minder omdat er bijna geen mensen waren die in de fabrieken durfden te werken waar voedsel werd geproduceerd. Honger dreef de mensen naar buiten, er kwamen demonstraties en opstanden, want als je dood gaat van de honger kan je ook je kinderen niet meer in leven houden. Natuurlijk kwam er in die delen van de wereld wéér een uitbraak, die weer de kwetsbare groepen trof, jong en oud en deze landen zakten weg in chaos en burgeroorlogen, die uiteindelijk nog meer doden eisten dan de pandemieën.

Iedereen werd bang voor andere mensen, voor mensen die snotterden, voor mensen die rode oogjes hadden. En zeker voor mensen die huilden. Groepen mensen die elkaar vertrouwden sloten zich op in veilige gebieden, achter muren, hekken en grachten of zelfs onder de grond, als het boven de grond te giftig of te koud was om te leven. Hier bijvoorbeeld, dit is zo’n veilige plek waar al héél erg lang niemand meer ziek geworden is. En dat hebben we niet zo maar voor elkaar gekregen. Dat komt omdat we ons allemaal aan twee Regels houden. Wat is de eerste Regel?’

‘Ben je buiten, draag een masker!’ roept de hele klas.

‘En de tweede?’

‘Huilen is verboden!’

De juffrouw glimlacht. Ze heeft haar leerlingen goed getraind. Hopelijk halen ze allemaal minimaal hun twintigste verjaardag.

Geplaatst op Geef een reactie

Wegwezen

‘Zo, jullie gaan verhuizen,’ zeg ik tegen de telefoniste van het bedrijf naast ons kantoortje. Haar bazin, Melanie, had me de dag ervoor aangesproken om te vragen of wij behoefte hadden aan een paar van de meubels op haar kantoor omdat zij ze niet meer nodig hadden.

‘Waar gaan jullie eigenlijk heen?’ vraag ik.

‘Wat?’ zegt ze, ‘gaan we verhuizen? Ik weet van niks. Waarom zeg je dat? Hoe kom je daarbij?’

 

‘Uhm, misschien moet je even Melanie bellen,’ zeg ik, en dan loop ik snel weg.

Geplaatst op Geef een reactie

BIGSPEK ™

Ik kijk naar het gespierde lichaam van mijn zoontje van zeven jaar als ik hem help omkleden in het zwembad en zucht.

‘Nee, je bent écht niet dik,’ zeg ik tegen hem. ‘Je hebt dat buikje omdat je een sixpack hebt.’

‘Een wat?’ vraagt hij.

‘Een sixpack, van spieren,’ zeg ik en ik wijs zijn zes duidelijk zichtbare buikspieren aan. Dit is al de zoveelste keer dat hij er over begint nadat een ventje uit zijn klas hem dik had genoemd.

 

Een paar dagen later. Hij staat naast de keukentafel, doet zijn T-shirt omhoog en mept op zijn buikje.

‘Kijk mama, ik heb een BIGSPEK,’ zegt hij

‘Een wat?’ zegt ze.

‘Een Bigspek,’ zegt hij nogmaals, terwijl hij op zijn buikspieren wijst.

‘Een sixpack heet dat,’ zeg ik.

‘Oh ja,’ zegt hij, ‘Een sixpack. Kijk mama, ik heb een sixpack.’

Mama kijkt en bewondert.

Ik kijk naar mijn eigen buik en klop er op.

‘Kijk, ik heb een BIGSPEK, zeg ik, ‘geen sixpack. Helaas.

 

Geplaatst op Geef een reactie

Plons

We zijn in het zwembad met de kinderen. Ik til de jongste op en gooi hem omhoog, laat hem bij het opvangen in het water plonzen. En nóg een keer en nog een keer. Hij kijkt blij.

‘Nog een keer in de lucht gooien?’ vraag ik aan hem.

Hij denkt er even over na.

‘Nou vooruit. Nog één keertje dan,’ zegt hij.

Geplaatst op Geef een reactie

Opa en de hoeren

‘Dus als ik het goed begrijp,’ zegt hij, ‘mag mijn opa mij geen knuffel geven, maar hij mag wel een hoer neuken?’

‘Ja,’ zeg ik.

‘Wat een rare corona-regels,’ zegt hij en ik knik.

Geplaatst op Geef een reactie

Droomzoon

‘Weet je wat ik heb gedroomd?’ vraagt mijn zoontje van zeven als hij uit zijn slaapkamer komt.

‘Ik droomde dat ik in de Witcher was, samen met jou, en dat ik de Witcher was, en jij hielp mij. We stonden in een kasteel, en er was een gat in de grond, en jij zei: niet vallen! Maar toen viel ik toch en kwam ik in een kelder met twee geesten. Ik pakte mijn zilveren zwaard en vocht met de geesten en de ene ging dood maar de ander sleurde mij op de grond. Ik sloeg hem wel met mijn zwaard maar deed te weinig damage.’

‘En wat deed je toen?’ vraag ik.

Hij grijnst ondeugend. ‘Toen zei ik: Fuck You, Bitch! En toen was hij dood.’

‘Uhm,’ zeg ik. ‘Goed zo.’

Lang, lang geleden had ik regelmatig dromen waarin ik achtervolgd werd door monsters waar ik niet van kon winnen en waardoor ik angstig wakker werd. Op een nacht zat er een weerwolf achter me aan en was ik er klaar mee, draaide me om en gromde GRRRRRRR tegen hem. De weerwolf keek me verbijsterd aan, en rende toen snel weg, jammerend van angst en schrik. Ik werd wakker, vol trots op mijn nachtelijke overwinning.

En heel toevallig vind mijn zoontje het die dag minder spannend om de school binnen te gaan in zijn eentje.

Geplaatst op 1 Reactie

Over Leven

Licht sijpelt tussen de gordijnen door die ik, liggend op de grond en met nauwelijks nog kracht in mijn lichaam, niet verder open krijg dan een kiertje. Ik heb het koud, ijskoud zelfs sinds ik uit de douche stapte en viel, op de grond terecht kwam en niet meer op kon staan. Dat was gisteren in de ochtend, om 8:46. Dat weet ik zo zeker omdat ik vanaf de grond mijn nachtkastje kon zien naast mijn bed, en de wijzers gaven precies aan hoe laat het was.

En daar lag ik dan, gisteren, op de grond. Ik merkte meteen dat er iets mis was met mijn linkerbeen, en mijn linkerarm, die geen kracht meer hadden. Nog steeds niet. En door de val heb ik ook mijn rechterpols bezeerd, zodat het gruwelijk veel pijn doet als ik hem probeer te gebruiken. Daarom bleef ik eerst ook liggen toen ik viel: het deed te veel zeer om iets te doen, om naar de woonkamer te kruipen om de telefoon te proberen te pakken, of… ja dat andere ding.

Vorige week gaf ik toe aan mijn oudste zoon. Ik nam zo’n stomme alarmknop, omdat hij dat zo graag wilde. Hij had het ook meteen geregeld: misschien had hij het stiekem al voorbereid voordat hij mijn toestemming had gekregen. Daar moet ik nog een keer een hartig woordje met hem over spreken. Maar goed, hij doet ook zoveel voor me, dus ik gaf maar toe aan zijn voortdurende gedram. Soms moet je een nederlaag incasseren, om te laten merken dat je het waardeert, de inspanning van de ander. Het alarmsysteem is geïnstalleerd nu, en er is een alarmknop aan een goedkoop koordje die ik om mijn nek kan hangen, zodat ik altijd om hulp kan vragen als er iets gebeurt. Zoals vallen als je uit de douche stapt. Alleen hangt dat stomme ding nog in de woonkamer, aan de kast. Dat ik een alarmknop accepteer, betekent niet dat ik er de hele tijd mee ga rondsjouwen! Ik heb het even geprobeerd, de eerste dag, maar dat ding zat steeds in de weg. Ik heb er door geknoeid met mijn koffie en ik liet een sigaret vallen. Niet brandend, gelukkig, anders had ik misschien het huis in de fik gestoken. Zo zie je maar weer, dingen die zogenaamd voor je veiligheid zijn, kunnen juist ook gevaar opleveren.

Ik lig en ik kijk naar de deur van de slaapkamer. Gisteren al wist ik dat het maximaal één dag zou duren, het liggen op de grond in mijn blote kont. Op woensdag namelijk komt mijn fysio. Een lieve jongen, en dat hij homo is, maakt me helemaal niks uit. Dat vind ik juist heel leuk, kunnen we samen over knappe mannen praten. Hij is er om tien uur, elke woensdag, en dan helpt hij ervoor zorgen dat mijn oude lijf nog een beetje in beweging kan blijven. En nu is het woensdag zeven uur. Nog maar drie uur bibberen van de kou dus.

Aan sigaretten denken, dat had ik niet moeten doen. Sigaretten. Ze liggen op tafel, een open pakje, met de aansteker er naast. En een slof in de kast natuurlijk. Gauloise blauw, andere soorten vind ik smerig, en ik rook ze al meer dan zestig jaar, vanaf het moment dat ik op vakantie ging in Frankrijk en daar mijn eerste vriendje (een Griek, het leven kan raar lopen) leerde kennen tijdens de druivenpluk. Hij rookte Gauloise, en ik dus ook. Ze liggen te ver: een slaapkamer uit, kruipend, terwijl alles, mijn hele lijf en hoofd stervens pijn doen, de gang door, de woonkamer in, naar de tafel. En dan kan ik er nog niet bij want de tafel is hoog.

Toen ik wakker werd vanochtend, had ik dorst, zo vreselijk veel dorst dat ik dacht dat mijn tong vergroeide met mijn verhemelte. Ik heb me omgedraaid en ben terug gekropen naar de badkamer, stukje bij beetje. Het washandje was nog nat en gelukkig had ik mijn handdoek op de grond later vallen! Het tweedehands water deed me goed. Nooit gedacht hoe blij een mens kan zijn met een paar druppels.

Ik hoest, omdat het kriebelt en dan hoest ik nog eens omdat het niet los komt. Normaal gesproken drink ik nu mijn tweede koffie en rook ik er een sigaret bij. De rook verdooft mijn longen zodat het hoesten stopt, zodat ik dan, gek genoeg, juist meer lucht krijg. Vandaag niet, deze ochtend niet. De kamer is te ver, de keuken ook, ik lig en heb pijn en kan niets.

Soms worden mensen pas na een paar dagen of zelfs maanden gevonden. Je ziet het op het nieuws, of je leest erover in de krant. Mensen die in huis vallen of gewoon sterven omdat het tijd is, en die dan maanden liggen, langzaam verdrogen en een mummie worden of beschimmelen en wegrotten. Of ze worden opgegeten door hun hond of kat. Maar dat zal mij niet gebeuren, want de fysio komt woensdag, vandaag dus en die redt me wel.

De tijd maakt kleine stapjes op de klok, knipper, knipper van de secondes, en af en toe verdwijnen of verschijnen streepjes die de tijd wat verder helpen, een minuutje tegelijk. Hij is altijd op tijd, Hans, mijn fysio, die lieve jongen. Bijna, bijna is het tien uur, en dan belt hij aan en dan doe ik niet open, dan belt hij nogmaals want misschien zit ik op het toilet. Hij is geduldig, Hans. En dan maakt hij zich zorgen en breekt hij in, of hij belt de politie of hij doet wat anders, maar dan is het liggen en wachten en pijn hebben in ieder geval voorbij.

Ik schrik. Poepen. Ik moet poepen. Ik kijk om me heen, weet niet waar ik naar zoek. Wat moet ik doen? Ik moet poepen, en als ik moet, moet het. Gisteren heb ik niet gepoept. Waarom niet? Omdat ik een groot deel van de dag bewusteloos was? Hoe werkt dat met poepen? Als je slaapt, hoef je niet natuurlijk.

Vechten ertegen lukt niet, dus ik kijk om me heen of ik een plek kan vinden waar ik het kan laten gaan, ik zoek iets om het mee op te vangen en ik zie het, een tijdschrift dat naast mijn bed is gevallen, er onder is geschoven een paar dagen geleden. ik kruip er naar toe, beetje bij beetje en probeer het te pakken maar ik ga te langzaam en alles doet zeer en het komt er gewoon uit, uit mijn stomme poepgat, loopt langs mijn billen en benen en in mijn vagina, vieze, natte plakkerige poep en ik voel me een baby, of nog erger, een stom varken dat in zijn eigen poep rondwroet. Ik voel de viezigheid zitten, voel het verder sijpelen, het vermengd zich met de plas die ook maar gelijk mijn lichaam heeft verlaten, alsof het allemaal nog niet erg genoeg was.

Even lig ik stil. Dan denk ik na. Hans is er zo, mijn lieve Hans, en die vindt mij. Ik wil niet dat hij mij zo ziet, dat ik bloot ben is al erg genoeg, maar ik wil niet zo hulpeloos zijn, zo kapot dat ik niet eens mezelf schoon kan houden. Als ze me zo vinden, brengen ze me vast naar een verzorgingstehuis en dat wil ik juist niet, ik wil mijn vrijheid houden, mijn eigen huis, in mijn eigen tijd dingen doen die ik wil doen.

Ik moet iets doen. Weer verken ik de kamer: wat kan ik gebruiken om de poep weg te vegen? Het tijdschrift ligt te ver weg en die gladde blaadjes nemen natuurlijk niks op. Er ligt geen kleding op de grond, alles ligt in de wasmand die op het kasje staat en waar ik dus niet bij kan. Dan kijk ik naar de badkamer. De vochtige handdoek. Die moet ik hebben.

De tijd dringt. Ik heb maar een half uur voordat er wordt, voordat Hans er is. Mijn hand doet zo veel zeer dat ik alleen maar wil huilen en schreeuwen maar ik wil mijn kracht daar niet aan verspillen. Dichterbij en dichterbij, en dan ben ik er, ik pak de handdoek waar ik net nog wat water uit heb gedronken. Ik pak hem beet met mijn pijnlijke hand en breng hem dan naar achteren, naar mijn bips.

Het doet te veel zeer, mijn arm en pols en hand en het lukt niet. Ik kan de handdoek niet met genoeg kracht over mijn bil en vagina halen om de poep echt weg te krijgen en alles blijft vies, de poep streept zelfs over steeds grotere delen van mijn lichaam, van anus naar navel en over mijn benen want de poep zit aan de handdoek en komt ongewild overal terecht.

Het is 09:59 uur. De deurbel gaat. Hans is vroeg. Of misschien is mijn klok niet juist. Even twijfel ik of ik wel wil dat Hans me zo ziet, nu ik zo vies, zo kwetsbaar, zo kapot ben. Misschien is het maar beter dat ik dood ga, zodat ik er zelf tenminste niet bij ben als mijn lichaam gevonden wordt. Dat bespaart me die schande. Maar dan pep ik mezelf op.

Ik probeer me op te richten, wil Hans roepen maar mijn armen willen niet en mijn stem blijft weg. Ik adem de woorden uit, roep zo zacht ‘Help’ en ‘Hans’ dat mijn eigen oren het niet eens kunnen horen. Hans belt weer aan, roept. ‘Hallo? Mevrouw de Vries!’ Eén keer, twee keer. Hij bonst op de deur. Dan gaat mijn telefoon in de woonkamer. Hans belt, één keer, de telefoon blijft over gaan, stopt dan, en dan probeert Hans het nog een keer. Hij geeft niet zo maar op, want zo is mijn Hans.

Ik hoor voetstappen naderen aan de andere kant van het raam, probeer omhoog te komen om naar de gordijnen te kruipen, het lukt een klein beetje maar ik kan niet bij het doek, bij de zware gordijnen die zo hoog hangen. Ze blijven dicht, op het kleine kiertje na dat eventjes verduistert en nog eventjes, als Hans er langs loopt en het licht tegen houdt. Weer probeer ik te roepen, maar ik lijk alleen maar te kunnen grommen. Ben ik echt na één nacht en dag niet meer dan een dier, zonder taal en zonder woorden?

‘Mevrouw de Vrie-hies!’ roept hij weer en hij tikt op het raam met zijn ring met dat ene diamantje erin, die hij van zijn verloofde heeft gekregen een paar maanden geleden. Ik worstel om omhoog te komen maar het lukt niet omdat mijn arm zo veel pijn doet. Ik probeer te schreeuwen en doe dat ook van binnen maar uit mijn mond komt alleen maar zielig gepiep. Hij loopt weer weg, naar de voordeur. Ik hoor het klepje van de brievenbus. Nu weet ik wat ik moet doen.

Mezelf oprichten lukt niet, maar ik kan me wel een beetje voortduwen, langzaam, over de laminaatvloer. Beetje bij beetje moet ik mezelf naar de slaapkamerdeur duwen, want daar, als ik mijn arm uit steek, als ik net ver genoeg ben, dan kan ik zwaaien naar de gang en als hij dan naar binnen kijkt, door de brievenbus, waar mijn oudste gelukkig nog steeds geen tochtborstels heeft gemonteerd, ook al heb ik ze allang gekocht en liggen ze klaar in het schuurtje, dan kijkt Hans, mijn lieve fysio, door de brievenbus en dan ziet hij mijn hand zwaaien, weet hij dat ik in de problemen ben.

Ik schuif over de grond, duw me vooruit met mijn tenen en trek me naar voren met mijn vingers. Ik maak poepsporen op de grond en heel mijn lichaam raakt besmeurd, maar ik heb hoop, hoop dat deze bezoeking snel voorbij is. Hans belt, hoor ik, met het kantoor.

’Ze doet niet open, nee. Alweer niet.’

Hij is even stil. Ik was me een keer vergeten af te melden toen ik naar het ziekenhuis ging voor een afspraak, dat was niet zo charmant van me. Stond hij hier voor niks.

‘Ja dat denk ik ook,’ zegt Hans tegen zijn telefoon. ‘Is goed,’ zegt hij dan. ‘Dan kan ik gelijk mijn administratie bijwerken,’ zegt hij en hij lacht.

Ik lig hier binnen en krijg het nog kouder. Met alle kracht die er nog in mijn lichaam zit, kruip ik naar voren. Hans gaat weg. Hans gaat weg en ik denk niet dat ik het overleef als ik hier nog drie dagen en nachten moet liggen in mijn eigen vuil. Ik ben er bijna, bijna bij de deuropening, iets verder nog, iets verder en ik steek mijn hand uit, hij moet het zien als hij door de brievenbus kijkt, hij moet me zien, mijn hand, hij mag niet zomaar weg gaan, hij mag niet…

Hij bonkt op het raam van de slaapkamer en roept nog een keer ‘Hallo? Mevrouw de Vries?’ Dan loopt hij naar het raam van de woonkamer en klopt er op, roept nog een keer. Kom nu naar de gang en kijk door de brievenbus, lieve Hans! Kom en kijk en zie mij, zie mijn hand die om hulp vraagt, kom.

Zijn voetstappen verwijderen zich. Hans is weg. Binnen in de woonkamer hoor ik de telefoon nog een keer overgaan en dan, als hij op het antwoordapparaat gaat, hoor ik Hans. ‘Voortaan wel even zeggen als je een afspraak hebt, hè lieverd? Nou, goed, ik zie je volgende week wel. En dan zal ik je eens flink knijpen als straf dat je me voor niks hebt laten komen. Nou doei!’

Hij hangt op. Hans is weg en ik hoor hem ook niet meer. Ik weet niet wat ik moet doen. Voor het eerst voel ik tranen opkomen, maar dan merk ik dat ik geen vocht meer in mijn lichaam heb om druppels te kunnen maken. Ik zak weg.

Als ik wakker wordt, is het alweer donker aan het worden. Blijkbaar werkt tijd anders, en slapen ook. Ik droom, denk ik, want ik zie mijn oom in de deuropening staan en dat kan niet want hij is al heel lang dood. Is hij een geest? Of ben ik overleden en zie ik nu andere doden? Ik weet het niet. Als ik mijn hand probeer te bewegen schiet er een pijnscheut door mijn lichaam en vermoed ik dat ik nog niet dood ben. Dood zijn zou wel extra naar zijn als je niet verlost werd van de pijn. Ik zucht diep, en dat doet zeer. Dorst. Ik heb verschrikkelijke dorst. Als ik nu kan kiezen tussen een glas water en een sigaret, zou ik voor het water kiezen, zo erg is mijn dorst. Wat moet ik doen. Waar is water? Ik heb het washandje al leeg gezogen en de handdoek is besmeurd met poep. Waar is water?

Het huis is stil, ik denk na. Dan hoor ik het. De douche lekt. De douche lekt! Al maanden klaag ik bij mijn oudste dat hij hem moet repareren, maar hij heeft nooit tijd. En daar ben ik nu blij om.

Ik val flauw tussen de deur van de slaapkamer en de badkamer, van de pijn misschien of de kou. Als ik wakker wordt, realiseer ik me dat de volgende keer dat ik weg raak, ik misschien niet meer wakker word. Ik sleur mezelf naar voren, naar de badkamer, en pak daar het washandje waar ik gisteren nog water uit sabbelde. Ik kijk omhoog, naar de douchekop waar tergend traag druppels uit vallen, en leg het er precies onder. Drup. Drup. Drup.

Misschien ben ik in slaap gevallen, misschien ben ik weer bewusteloos geraakt. Kan een mens meer dan 15 uur per dag slapen? Als je ziek bent misschien. Ben ik ziek, of ben ik gewond? Kan je van gewond zijn slaperig worden? Probeert mijn lichaam te herstellen door in slaap te vallen, alles in stilstand te zetten om geen energie te verspillen? Ik weet het niet. Ik weet wel dat mijn pols steeds dikker wordt en dat elke beweging me meer kracht kost. Drup Drup Drup.

Het washandje is goed vochtig. Ik knijp het water er uit met mijn pijnlijke hand, in mijn mond. De druppels die langs mijn mond op de tegels vallen, lik ik er af alsof ik een hondje ben. Het is niet veel, maar mijn mond is tenminste niet meer zo uitgedroogd. Drup, drup, drup. Blijf ik nu hier, om op de volgende slok water te wachten? Kruip ik naar de woonkamer? Misschien kan ik de tafel omduwen en valt de telefoon er af. Dan denk ik aan het massief eikenhouten ding en weet dat dat niet gaat lukken. Wacht, misschien aan het snoer trekken.

De vloer van de badkamer is te koud om er te blijven liggen in ieder geval: ik kruip er weer uit, laat het washandje achter onder de drup om nog meer water voor me te vangen.

Mijn oudste zoon komt van het weekend pas, en hij haalt altijd boodschappen voor me waar hij vrijdag over belt. Als hij me niet aan de telefoon krijgt, zal hij zich wel zorgen maken. Misschien komt hij dan langs. Maar nu is het woensdag en het is koud en ik heb alleen maar een beetje water en ik ben vies. Hoe lang kan je leven zonder eten en met zo weinig water? Een paar weken, of een paar dagen? En wanneer raak je onderkoeld? Tot wanneer houdt mijn lichaam het vol? Hou lang houdt een lichaam van een vrouw van 78 het vol, op de grond, ongekleed, zonder eten en drinken?

Donker. Drup drup drup. Blijkbaar was ik weer weg, en dat is niet goed. De tijd gaat wel sneller, en dat is goed. Vrijdag komt dichterbij, redding komt dichterbij. Alles doet zeer. De cijfers op de klok dansen, zodat ik niet precies weet hoe laat het is. Ik hoor voetstappen boven, van de bovenbuurman die ik nooit spreek, die me nooit wilde groeten op straat sinds het moment dat ik er iets van zei dat hij de poep van zijn hond niet opruimde. Die zak mist me vast niet. Of, misschien, misschien kan ik me laten horen. Ik kijk om me heen, zie de verwarmingsbuizen die naar het plafond gaan. Bovenlangs naar de gang en weer naar beneden de kast met de cv ketel in. Hoort de bovenbuurman het als ik op de buizen tik? Drup drup drup hoor ik. Ik ga tikken, tik, tik tik. Ik kruip naar de muur, zie mijn schoen liggen, een stevige hak. De muur, de buis met water, een beetje warm omdat ik twee dagen geleden de verwarming op 8 had gezet. Of 18? 80? Er zat een acht in, dat weet ik nog. waarom weet ik niet meer welk getal? Ik kruip er zo dicht mogelijk tegenaan, om een beetje van de warmte te voelen.

Ik bonk op de verwarmingsbuis. En nog eens. drup drup, tik tik. De hond blaft. Ik tik nog eens, de hond blaft weer.

Het is donker, ik zie rood op de klok maar niet cijfers.

Donker. cijfers? ik tik, alles doet zeer. Blaf blaf.

Licht. Ik ben er weer. Ik ben bang. Ik kruip naar de badkamer. Ga ik achteruit? Ik weet niet meer wat mijn hand moet doen. mijn been. Wat doe ik? ik ga vooruit. beetje beetje, drup drup. Badkamer. Het washandje is nat. Mijn goede hand heeft geen kracht meer, kan niet knijpen. Ik lik het washandje, zuig er aan. drup drup ernaast. Ik lig met mijn gezicht op het vochtige washandje. Koud en stinkt. Hij ligt hier nu al een paar dagen natuurlijk, geen wonder dat hij een beetje begint te ruiken. Maar ik stink vast nog meer.

Blaft de hond? Waarom blaft hij niet? Oh ja, ik tik niet op de verwarming…

Licht uit de gang en door de kier. Misschien kijk ik er al een tijdje naar. Zijn er echt een paar dagen voorbij? Of misschien een week. Ben ik al dood en blijft mijn geest bij mijn lichaam tot het lichaam begraven is? Of in het huis? Misschien wordt ik een geest. Ik kijk naar de gang. Kan ik er heen? kloppen op d deur met schoe. als aanbelt

drupdrupdrup. koudkoud, dorst. ik lig in de gang. weet niet hoe. schoen in hand

bonk bonk bonk. Stemmen, harde stemmen. Schreeuw. VRIES hoor ik, en dat ben ik, Vries, dé Vries. Bonk op deur.

Glas breekt, gerinkel, ik kijk. Enge mannen ENGE MANNEN! het is donker, enge mannen. Ik probeer te schreeuwen, maar ben stil. ze pakken me beet en

donker. het is warm. mijn mond doet geen zeer meer. ik zie lichtjes. waar ben ik. drup drup drup. ik zie hem. mama zegt hij. het is goed.

 

Geplaatst op Geef een reactie

Afgeschreven

Automatisch probeer ik de vlek van de kaft te vegen, maar ik merk dat het niet lukt. Ik lach als ik me realiseer wat ik aan het doen ben: de vlekken op mijn boek zijn erop gedrukt. Vegen helpt dus niet.

Een groot deel van mijn middelbare schooltijd hadden we thuis heel erg weinig geld. We gingen nooit uit eten, aten zelfs maar een paar avonden per week warm, vakantie of zelfs een dagje uit zat er zelden in. We hadden tweedehands meubels en we droegen tweedehands kleding die we kregen van familieleden (beste neven en nichten: nog bedankt daarvoor! Het was altijd een feestje om de zakken met kleding uit te pluizen en allemaal prima kleding erin te vinden. En omdat we alle vijf totaal andere maten hadden, was er nooit ruzie over wie wat kreeg).

Vanaf het moment dat ik mocht werken, had ik een krantenwijk. Van de 200 gulden die ik er mee verdiende, gaf ik mijn moeder de helft voor het huishouden, maar de rest was voor mij! Ik kon zelf mijn schoolreisjes betalen, zodat ik niet weer als enige thuis moest blijven terwijl de rest naar Rome ging, zoals in de tweede klas. Ook kon ik af en toe foto’s laten ontwikkelen (gemaakt met mijn gekregen Praktica-camera, waarvan de lichtmeter het alleen deed als ik hem verticaal hield). En ik hield wat geld over om boeken te kopen. Want dat was mijn grootste hobby, lezen.

In de bibliotheek van Rijswijk was ik vaak te vinden, ik leende er zelfs zó veel boeken dat ik op een dag te horen kreeg dat ik het maximum had bereikt: 50 boeken. Nog niemand had dat aantal ooit gehaald. Maar in de bibliotheek werden ook regelmatig boeken verkocht, voor een paar dubbeltjes per stuk. Boeken die te oud en té versleten waren om nog uit te lenen. Daar zaten soms juweeltjes bij, kinderboeken die ik met veel plezier gelezen had, of wetenschappelijke boeken die ik nog niet kende, science fiction en fantasy boeken die ik toen begon te ontdekken. En daarvan bouwde ik mijn thuisbibliotheek op, boek voor boek.

Een jaar geleden dacht ik na over hoe mijn nieuwe verhalenbundel er uit moest zien. Ik dacht aan de boeken waar ik vroeger heel erg blij van werd, de schatten die ik vond in de ‘we moeten er vanaf’ sectie van de bibliotheek. De vormgeefster heeft er iets moois van gemaakt, een boek dat er zó echt doorleefd uitziet dat je af en toe denkt dat je er een vlekje of viezigheid vanaf moet vegen.

Wil je het boek van dichtbij bekijken? Hier is de link waar je hem kan vinden om te kopen. Als het met de betaling om wat voor reden niet lukt (dat hoorde ik van één koper), stuur me dan maar even een mailtje.