Geplaatst op Geef een reactie

Bladel

Mijn privé-telefoon gaat. Een onbekend nummer, tien uur in de avond op zondag. Het kan werk zijn, ik noem mijn voornaam en achternaam.

Mijn moeder is aan de telefoon. Wij, haar kinderen, hebben haar net naar een verzorgingstehuis gebracht. Ze heeft meerdere ernstige lichamelijke klachten en ook last van beginnende dementie.

 

‘Bladel,’ begint ze. ‘Daar had je het toch vandaag over?’

‘Wat?’ zeg ik.

‘Bee, el, a, dee, ee, el,’ zegt ze.

‘Bladel?’

‘Je vertelde vandaag over Bladel,’ zegt ze geduldig, ‘En over wat er aan de hand was.’

‘Het Brabantse dorp?’ vraag ik.

‘Precies,’ zegt ze, alsof ze nu verwacht dat ik weet waar het over gaat.

‘Nee, daar heb ik het niet met je over gehad vandaag,’ zeg ik, ‘Wat is er dan in Bladel?’

 

Ik zoek het meteen op in de computer. ‘Bladel en nieuws.’ ‘De nieuwe burgemeester moet humor hebben’ is het belangrijkste nieuws.

‘Niks aan de hand in Bladel,’ zeg ik tegen haar.

‘Hè?!’ zegt ze. ‘Ik weet zeker dat ik het er met je over gehad heb vandaag.’

‘Nee,’ zeg ik, ‘we hebben elkaar niet gesproken. Was er iemand op bezoek? Of aan de telefoon gehad?’

‘Ik heb jou gesproken,’ zegt ze. Dan is ze even stil.

‘Weet je mam,’ zeg ik, ‘ik ga deze week foto’s van de kinderen printen en naar je toe sturen.’

‘Ja graag,’ zegt ze gretig. ‘Ik heb je dochter en je jongste nog helemaal niet op het kastje staan! Dat kan natuurlijk niet, die horen er ook bij.’

 

We groeten elkaar en hangen op. Ik ga die foto’s snel uitprinten zodat ze elke dag kan zien wie haar kleinkinderen zijn. Misschien onthoud ze hun gezichten nog eventjes.

Geplaatst op Geef een reactie

Heb ik al gezegd

Mijn dochter van bijna drie pakt het kleine roze boekje beet, slaat het open.

‘Ik ga voorlezen,’ verklaart ze.

‘Tjadabadaba da, padiepadie en toen moest de baby op de commode. Maar hij wilde niet!’

Ze laat me een bladzijde omslaan (‘Nee, de andere kant’) en dan vertelt ze hetzelfde verhaaltje.

‘Tjadadadie badiebadie en de baby moest op de commode. Maar hij wilde niet!’

En dan vertelt ze hetzelfde verhaal nog een keer. En nog een keer. En nog een keer en nog een keer en nog een keer. En nog een keer … en nog…

‘Tjadadadie badiebadie en de baby moest op de commode. Maar hij wilde niet!’

‘Tjadiedadie padiebabie en de baby moest op de commode.’

 

Dan zegt ze even niks, ze draait de pagina om, kijkt er naar. Ik wil helpen.

‘Maar hij wilde niet!’ zeg ik enthousiast.

Ze klapt haar boekje dicht.

‘Papa!’ zegt ze streng. ‘Dat heb heb ik net al gezegd.’

‘Sorry,’ zeg ik. Maar gelukkig mag ik snel weer een pagina omslaan.

Geplaatst op Geef een reactie

Blote Benies

‘Blote benies!’ roept mijn zoontje als de bejaarde dame met de mooie jurk langsloopt. Ze lacht vrolijk en zegt:

‘Nou, het zijn geen blote benen hoor.’

Ze loopt de trap op en mijn zoontje kijkt haar na, denkt. Dan weet hij het.

‘Blote billies!‘

Geplaatst op Geef een reactie

Eén auto

‘Eén auto,’ zeg ik tegen de jongste, die twee grote playmobiel auto’s en een plastic vuilniswagen de trap probeert op te sjouwen. Het is avond en hij moet naar bed.

Hij schreeuwt, probeert ze allemaal vast te houden.

‘Eén auto,’ zeg ik nogmaals, en ik probeer er twee uit zijn sterke knuistjes te trekken. ‘Eén auto of je mag er helemaal geen meenemen.’

Hij laat niks los dus ik pak ze allemaal af. Hij schreeuwt en huilt.

 

Eén avond later. Mijn vrouw heeft net gezegd tegen alle kinderen dat ze naar bed gaan. De jongste zit op zijn hurken bij zijn plastic bak met auto’s. Hij pakt er eentje uit, geeft die aan mij.

‘Eén auto…’ zegt hij en hij pakt de volgende. ‘Eén auto,’ zegt hij, en hij geeft er nog eentje. ‘Eén auto,’ zegt hij bij de volgende en de volgende, en de volgende die hij allemaal aan mij geeft totdat ik er uiteindelijk acht in mijn handen heb.

‘Nu echt naar boven!’ zegt mijn vrouw. De jongste kijkt me tevreden aan, wijst op de auto’s in mijn handen.

‘Eén auto,’ zegt hij en hij loopt langs me, naar de trap, waar hij naar boven klimt. En ik loop achter hem aan, met allemaal één auto’s in mijn handen.

Geplaatst op Geef een reactie

Bosplatform. Ommekeer

Ik zie nog steeds maar één kleur onder het boorplatform als ik naar beneden kijk. Alleen is het een andere kleur dan vorige week. Toen was het nog het grijsgroen van de zee met af en toe een witte schuimkop, nu zijn het honderd varianten van groen. Bosgroen. Tot zover ik kan zien zijn er alleen maar bomen, vooral eiken, met hier en daar de schittering van een klein beekje of meertje.

Toen ik wakker werd, merkte ik meteen dat er iets niet klopte. Ik snoof de lucht op: nog steeds staal en roest en olie, maar er was nog een andere geur bijgekomen, een wilde, zoete, volle, warme geur. Ik herkende de geur, maar kon het niet benoemen. Ik zat meteen rechtop. Op een boorplatform ben je altijd scherp: er gaat bijna nooit iets mis, maar als er problemen zijn, is je leven in gevaar. Onbekende geuren of geluiden? Gelijk alert zijn. Dat was het tweede: het geluid was anders. De zee geeft een diep ruisend geluid, er zit een ritme in, ook al is het soms onregelmatig. Dat geluid was weg. Vogels, die hoorde ik, heel erg veel vogels. Geen meeuwen. Die kwamen hier regelmatig langs om te kijken of we oud voedsel wilden delen. Werk op een platform is saai. Meeuwen naar oud brood laten happen geeft afleiding, zeker als je er een stuk staal in verbergt zodat ze direct tien meter naar beneden donderen voordat ze het broodje staal loslaten en boos krijsend wegvliegen. Maar meeuwen hoorde ik niet meer, het waren andere vogels, duiven vlak naast mijn kajuit die koerden en krabbelden over het staal maar ook duizenden vogels die krijsend rond onze toren vlogen.

Ik stond op, keek naar buiten en zag meteen het bos. Overal bos en duizenden vogels die in grote zwermen langs vlogen, genoeg om de prille ochtendzon half te verduisteren. Ik wreef in mijn ogen en stapte de gang op, zag daar André lopen, die met grote ogen naar buiten keek.

‘Wat de fuck,’ zei André. Hij vloekte normaal nooit. We liepen samen naar buiten en keken over de galerij naar beneden. Vijftig meter lager zagen we de toppen van enorme eiken. We keken elkaar aan, verbijsterd.

‘Heeft Chef gisteren magische paddenstoelen in het eten gedaan?’ zei André.

Ik haalde mijn schouders op.

We klommen naar het laagste punt van ons boorplatform, de onderhoudsruimte. Daar zagen we de bomen van dichterbij, herkenden sommige vogels die er in nestelden, merels en kauwtjes, spreeuwen en kraaien. Ook vogels die ik niet herkende. André wees een roedel herten aan die even zichtbaar was op een open plek in het bos, tussen twee omgevallen woudreuzen. De bomen waren nu zó dichtbij dat ik het gevoel weer kreeg dat ik vroeger altijd had in de flat waar mijn oma woonde, dat ik zo over de reling zou kunnen springen naar de bomen toe, om me door de takken op te laten vangen. Ik deed het natuurlijk nooit, maar het voelde altijd wel alsof het mogelijk was, dat de takken mijn val zouden breken zodat ik heelhuids op de grond kon belanden.

We maken de andere mannen wakker. Iedereen is verbaasd en stil eerst, daarna komen de discussies.

We pompen geen olie meer op, dat is wel duidelijk. Alle machines staan uit. De telefoons doen het niet meer, de computers en de beamer ook niet. De gasfornuizen doen het nog wel in de keuken, en het opwind horloge van Ferenc tikt vrolijk door. We wachten. Zittend op een volstrekt nutteloze toren van beton en staal wachten we een paar dagen tot we gered worden. We praten over hoe het kan dat we nu met onze toren in een bos zitten, maar geen enkele mogelijke oplossing klinkt als een logische verklaring. We weten het niet.

Normaal gesproken komt er een helikopter, als we problemen hebben. Er komt er zelfs elke drie dagen eentje om eten te brengen en dvd’s (Netflix heeft het hier nooit gedaan: geen fatsoenlijk internet). Maar er komt geen helikopter en al snel realiseren we ons dat die nooit meer zal komen, niet in deze wereld. We zien namelijk ook geen vliegtuigen overvliegen, niet meer het lichtje van het internationale ruimtestation boven ons hoofd.

We eten eerst alle vis en vlees uit de vriezers op en daarna eten we de koelkasten leeg. Nu hebben we nog meel voor pannenkoeken en heel veel blikken met allerlei soorten bonen. Het vult. We kijken steeds vaker naar beneden. De Polen vertellen wat er allemaal aan eetbaars in het bos te vinden is. Ook ik wil wel op avontuur uit in het eikenwoud. Ik ben altijd al een boskind geweest, van mijn vierde tot mijn veertiende ging ik elk weekend op pad met mijn oudere broers, het bos en de moerassen in aan het eind van onze wijk om avonturen te beleven en om te vissen, fikkie te stoken en boomhutten te maken.

Twintig mannen op een boorplatform draaien hun hand er niet voor om: een ladder maken die tachtig meter lang is. Kabels hebben we genoeg, en hoewel de lasapparaten het niet doen, weten we met twee lange staalkabels, bouten en moeren en haken, een ijzersterke ladder te maken. Ik ga er als eerst langs naar beneden, vrijwillig. Het bos ziet er niet gevaarlijker uit dan de bossen die ik uit mijn jeugd ken, ook al zijn er duidelijk veel meer dieren en zijn de bomen hoger, krommer, schever, vaker half omgevallen en leunend tegen andere bomen aan. Het is een wild bos, een oerwoud, waar nog nooit een mens lijkt te zijn geweest.

De ladder zwiept heen en weer terwijl ik naar beneden klauter. Ik zeker me steeds aan de staalkabels. Dat ik naar beneden durf te klimmen, betekent niet dat ik dom ben. Twee stapjes, haak 1 losmaken en verplaatsen, twee stapjes, haak 2 losmaken en verplaatsen. Het duurt even voordat ik beneden ben, met een brandbijl op mijn rug en een hamer en  klinknagels, bouten, een stuk kabel en moeren in een tas die aan mijn middel hangt. Ik kijk om me heen als mijn schoenen de vaste grond raken. Het bos lijkt terug te kijken, nieuwsgierig naar wat voor soort wezen er nu aan een wiebelende stalen ladder naar beneden komt. Maar ik zie niets waar ik me zorgen over zou hoeven maken en ik maak de ladder stevig vast aan een boom. Op de een of andere manier voel ik me er niet prettig over om spijkers in de boom te slaan, dus ik sla gewoon de kabel om de boom en maak daar de ladder aan vast.

Al snel zijn de Polen beneden, die vrolijk lachend het bos in lopen om paddenstoelen en planten te verzamelen. Andere mannen volgen, tot iedereen beneden is, inclusief Chef, die direct een paar pannen en een rooster meeneemt.

We maken een kamp. De discussies over waar we zijn en hoe we hier komen, laaien af en toe op, maar we praten nu steeds vaker over wie we graag zouden willen zien en welke dingen we missen, en wat we missen. En ik merk tot mijn schrik dat ik mijn hond Schorrie méér mis dan mijn vriendin.

We eten pannenkoeken omdat de Polen eieren hebben gevonden, de helft opgebakken met paddenstoelen en de andere helft bestrooid met het laatste beetje suiker. We drinken water uit een beekje, dat ik eerst voor de zekerheid heb gekookt, maar het zag er zo helder en schoon uit dat het als overbodige moeite voelde.

We praten niet meer, in de avond, niet meer over hoe het kan dat we hier nu zitten, niet meer over wie we missen, niet over wat we gaan doen. We zitten zwijgend rond het kampvuur en drinken de laatste restjes sterke drank. Morgen gaan we weg, in de richting van waar we ooit woonden, waar de vaste land was. De Polen, Sven uit Antwerpen, André en ik gaan naar het Oosten, de Engelsen en Ieren gaan naar het Westen.

Van de mannen die naar het Westen gingen, kwam ik alleen Chef nog een keer tegen, jaren later. Hij werkte als kok in een soort geïmproviseerde herberg in de vervallen stad waar de Spiegelrijn uit het Engelse meer stroomt. Ik had drie dagen verlof uit het Amsterdamse leger, waar ik een van de verkenners was. Chef en ik wisten nog steeds niet waarom onze Boortoren ineens in het bos stond, ook al hadden we het de eerste maanden aan iedereen gevraagd die we spraken, hij aan de vluchtelingen rondom het Engelse meer en ik aan iedereen in de omgekeerde steden in Holland waar ik maanden rondzwierf tot ik Schorrie (en mijn toenmalige vriendin) terug vond. Niemand wist waarom de wereld ineens was omgekeerd. En nu maakte het ook niet meer uit: we hadden allebei een nieuw leven gevonden waar we voldoening uit haalden. Hij met zijn baan als kok en ik samen met Schorrie, die heel goed bleek te zijn in het speuren naar vreemde en gevaarlijke wezens.

Chef maakte pannenkoeken voor mij die avond. Eentje met paddenstoelen en eentje met suiker. En daarmee hadden we er genoeg over gezegd.

Geplaatst op Geef een reactie

De Vieze Man van het Jagersveld

Hij heeft een opengesneden wit broodje in zijn ene hand en een briefje van tien gulden in zijn andere. Wij zijn acht jaar, behalve Barry, die is al negen. Tien gulden is een heleboel snoep.

‘Ik durf te wedden,’ zegt de man, ‘ik durf te wedden dat ik dit broodje opeet, wat jullie er ook mee doen. Hoe vies ook.’

We kijken elkaar aan. Dit is dus de vieze man waar de oudere jongens over verteld hebben.

 

‘Durven jullie niet hè,’ zegt de man, hoopvol.

‘Dus als we het broodje heel vies maken,’ zegt Barry, ‘en u eet het niet op, dan krijgen wij tien gulden?’

‘Precies,’ zegt de man.

We kijken elkaar aan. Dan steek ik mijn hand uit, om het broodje aan te pakken.

‘Wat we er ook mee doen?’ vraag ik. Hij knikt.

 

Ik doe mijn best om een flinke pulk uit mijn neus te halen. Niet zo’n grote als vanochtend, helaas. Ik smeer de groene kledder in het broodje. Dan geef ik het broodje aan Barry. Hij grijnst, draait zich om. Zijn rits gaat open. Ik kijk ondertussen naar de vieze man. Hij ziet er wel normaal uit. Een beetje zenuwachtig alleen.

 

‘Heb je het gehoord?’ vraagt Barry. We zitten al dertig jaar in hetzelfde voetbalteam. We kleden ons om in de kleedkamer voor de training.

‘Wat?’ vraag ik.

‘Ze hebben de vieze man opgepakt.’

‘Wat?’ zeg ik, ‘de vieze man van het Jagersveld?’

Barry knikt.

‘Weet je nog wat we met dat broodje hebben gedaan?’

Ik lach en walg tegelijkertijd.

‘Ja gatver, Dat hij het op at, echt niet normaal.’

 

En ik hoop maar dat dat alles was, wat de vieze man de afgelopen tientallen jaren heeft gedaan: vieze broodjes opeten van kleine kinderen.

Geplaatst op Geef een reactie

Heb ik al gezegd

Mijn dochter van bijna drie pakt het kleine roze boekje beet, slaat het open.

‘Ik ga voorlezen,’ verklaart ze.

‘Tjadabadaba da, padiepadie en toen moest de baby op de commode. Maar hij wilde niet!’

Ze laat me een bladzijde omslaan (‘Nee, de andere kant’) en dan vertelt ze hetzelfde verhaaltje.

‘Tjadadadie badiebadie en de baby moest op de commode. Maar hij wilde niet!’

En dan vertelt ze hetzelfde verhaal nog een keer. En nog een keer. En nog een keer en nog een keer en nog een keer. En nog een keer … en nog…

‘Tjadadadie badiebadie en de baby moest op de commode. Maar hij wilde niet!’

‘Tjadiedadie padiebabie en de baby moest op de commode.’

 

Dan zegt ze even niks, ze draait de pagina om, kijkt er naar. Ik wil helpen.

‘Maar hij wilde niet!’ zeg ik enthousiast.

Ze klapt haar boekje dicht.

‘Papa!’ zegt ze streng. ‘Dat heb heb ik net al gezegd.’

‘Sorry,’ zeg ik. Maar gelukkig mag ik snel weer een pagina omslaan.

Geplaatst op Geef een reactie

Snik

Als ik terug kom in het lokaal van groep 5b, zie ik dat twee meisjes huilen: hoofd in hun handen, tranen over de wangen. Ik loop op ze af, ga op mijn hurken naast ze zitten.

‘Wat is er aan de hand?’ vraag ik aan het ene meisje.

‘Ze heeft…, ze is…, met haar stoel…, op mijn teen…, gaan zitten en dat doet zo’n pijhijn,’ jammert ze.

‘Wat vervelend voor je!’ zeg ik tegen haar, en dan kijk ik naar het andere snikkende meisje. ‘En waarom moet jij huilen?’

‘Ik vind het zo verdrietig…, dat zij zo veel pijn…, heeft,’ zegt het andere meisje.

‘Uhm,’ zeg ik, ‘fijn dat jullie zulke goede vrienden zijn.’

Ik sta direct op en loop weer terug naar het bureau. Ik kan niets voor ze betekenen. Maar ze hebben me ook niet nodig.

Geplaatst op Geef een reactie

Snik

Als ik terug kom in het lokaal van groep 5b, zie ik dat twee meisjes huilen: hoofd in hun handen, tranen over de wangen. Ik loop op ze af, ga op mijn hurken naast ze zitten.

‘Wat is er aan de hand?’ vraag ik aan het ene meisje.

‘Ze heeft…, ze is…, met haar stoel…, op mijn teen…, gaan staan en dat doet zo’n pijhijn,’ jammert ze.

‘Wat vervelend voor je!’ zeg ik tegen haar, en dan kijk ik naar het andere snikkende meisje. ‘En waarom moet jij huilen?’

‘Ik vind het zo verdrietig…, dat zij zo veel pijn…, heeft,’ zegt het andere meisje.

‘Uhm,’ zeg ik, ‘fijn dat jullie zulke goede vrienden zijn.’

Ik sta direct op en loop weer terug naar het bureau. Ik kan niets voor ze betekenen. Maar ze hebben me ook niet nodig.

Geplaatst op Geef een reactie

Gevaarlijke verhalen

‘Er loopt een man over straat,’ zeg ik met dreigende stem, ‘Hij heeft een grote hakbijl over zijn schouder. Gaat hij iemand zijn kop eraf hakken? Een deur kapot slaan van een winkel om dingen te stelen?’

Mijn zoontje van vijf ligt in bed. Hij kijkt me verwachtingsvol aan.

‘Nee!’ zeg ik vrolijk. ‘Hij gaat een boom omkappen die op zijn schuurtje dreigt te vallen.’

‘Er loopt een man over straat met een hamer…’ zeg ik dan. ‘Gaat hij iemand op zijn hoofd meppen? Een autoruit breken omdat hij een slecht humeur heeft?’

Mijn kleine kerel is zeer benieuwd.

‘Nee!’ zeg ik. ‘Hij gaat een paar spijkers in de muur slaan bij zijn oma, zodat ze schilderijtjes kan ophangen.’

Hij lacht.

‘Nu jij,’ zeg ik.

‘Uhm…’ Hij denkt even na. ‘Er loopt een man over straat met een groot mes! Gaat hij iemand in zijn hoofd steken? Gaat hij iemand… (hij pauzeert even voor het effect) zijn arm er af hakken?’

Ik wil hem nu al beetpakken en knuffelen.

‘Nee!’ Hij zegt het triomfantelijk. ‘Hij gaat een komkommer snijden!’

Ik ben apetrots. Mijn kleine verhalenverteller krijgt een hele lange knuffel en drie dikke zoenen en dan kruipt hij onder zijn dekbed. En hij heeft wel een enge droom die nacht waardoor hij bij ons in bed kruipt, maar die gaat over de Goliath spin, de grootste spin ter wereld, waar ik hem eerder die dag een foto van had laten zien.

#Roalddahlparenting

Geplaatst op Geef een reactie

Lekker

‘Zo!’ zegt mijn zoontje. ‘Die heeft lekkere tieten!’

Hij staat in het sprookjesbos van de Efteling voor het beeld van de kleine zeemeermin.

Mijn vriendin kijkt me aan.

‘Typisch zijn vader.’

Ik denk aan het aantal keer dat ik ‘lekkere tieten’ heb gezegd, terwijl ik keek naar een vrouw. Nul keer, alles bij elkaar opgeteld. En ineens vraag ik me af wie dan wèl de vader is, van die kleine man.

Geplaatst op Geef een reactie

When Harry met Jesse

Aan het begin van de zomer van 2019 ben ik geïnterviewd door Harry Starren, in het kader van Café Weltschmerz. Het was een prettig gesprek, zoals jullie hier ook kunnen zien.

Geplaatst op Geef een reactie

Afscheid

‘Ik hou niet meer van je,’ zegt ze en ze huilt. Dikke tranen biggelen over haar wangen. Het doet me een beetje zeer.

Gelukkig is ze pas drie en denkt ze er snel weer anders over.

Geplaatst op Geef een reactie

Morgen

‘…en dan mag je morgen weer je schoen zetten,’ zegt mijn vriendin.

‘Heej,’ zegt mijn zoontje. ‘Nú is het toch morgen?’

‘Nee,’ zegt mijn vriendin. ‘Nu is het vandaag.’

‘Oh ja,’ zegt hij.

Geplaatst op Geef een reactie

Ommekeer (1/20)

Henri maakte me wakker toen het nog donker was. Normaal gesproken kon ik zien hoe laat het precies was: mijn wekkerradio heeft heldere rode cijfers. Maar deze nacht was hij uit, net als al die andere dingen die nooit meer aan zouden gaan.

‘Lieverd,’ zei Henri, ‘liefje, je moet opstaan.’

Hij stond naast ons bed met Amy op zijn arm. Ze had een dikke jas aan, en haar rubberen laarsjes. Toen ik mijn ogen verder open deed en rechtop ging zitten, zag ik dat hij ook een dikke jas aan had, en zijn rubberen lieslaarzen. Zijn laarzen waren nat, zag ik in het licht dat door het half open gordijn naar binnen scheen.

Ik keek hem aan, vragend.

‘Er is water, beneden,’ zei hij, ‘en het stijgt. We gaan naar zolder.’

Henri was altijd heel rustig. Nooit kon ik hem betrappen op grote emoties, of grote gebaren. Hij deed altijd wat er nodig was, zeurde nooit, klaagde nergens over. Maar als er iets was dat hij echt wilde, gebeurde het ook, dan was hij onwrikbaar. Daarom woonden we ook in een huisje búiten Breda, en niet in een buitenwijk van de stad. En daarom hadden we Amy. Als het aan mij had gelegen, was ik er na de vierde miskraam mee opgehouden. Ik was toen zelfs te verdrietig om er nog om te kunnen huilen. Gelukkig troostte hij me door me ’s nachts in bed zachte verhalen te vertellen over alle avonturen die we gingen beleven met de kleine die zeker weten geboren zou worden, ook al was ze nog niet eens verwekt. Ik vond moed om het wéér te proberen en toen kwam er het wondertje.

Henri stond daar met Amy, en ik luisterde. Ik trok mijn jas aan, die hij op het voeteneind van het bed had gelegd, en mijn stevige schoenen. Toen nam ik Amy over en liep naar het trappenhuis, waar het aardedonker was. Ik probeerde het licht aan het doen maar het werkte niet. Henri schudde zijn hoofd toen ik een andere lichtknop wilde proberen, die van de badkamer. Ik begreep dat hij alle lichtknoppen al had geprobeerd. Hij wees op de zaklamp die op de trap lag.

‘Ook niet,’ zei hij.

Toen viel me een vreemd geluid op, beneden. Henri zag me kijken.

‘Dat zijn de meubels die door de woonkamer drijven,’ zei hij. ‘Ze botsen tegen elkaar aan.’

Ik keek de trap af, maar zag niks.

‘Ik haal gereedschap,’ zei Henri, ‘Zo terug.’

Henri stommelde de trap af en ik hoorde hem het water in stappen. ‘Shit,’ zei hij toen hij beneden kwam. ‘Het water is in mijn lieslaarzen gelopen.’

‘Is het zoet of zout water?’ vroeg ik.

Even was het stil beneden. Toen spoog Henri.

‘Zout,’ zei hij. Ik hoorde hem verder plonzen door de woonkamer.

Ik liep met Amy op mijn arm terug naar de slaapkamer, om naar buiten te kijken. De halve maan bescheen de wereld rondom ons kleine huisje. Ik zag water glimmen in het zilveren licht. Overal om ons huisje heen, rondom de bomen, klotsend over de weg die iets verhoogd aan het eind van onze tuin liep, overal was water zichtbaar. Zout water dus, de zee was blijkbaar door de dijken gebroken. Maar hoe kon dat? Er was geen storm geweest, het waaide nu ook niet eens. Een aanslag op een dijk? Maar dan zou het water hier niet zo hoog worden, toch? En wie zou er nou een aanslag willen plegen waar iedereen alleen maar natte voeten van kreeg? Toen wist ik natuurlijk nog niet dat héél de wereld was veranderd, dat er meer gebeurd was dan alleen een doorgebroken dijkje in West-Brabant.

Ik zag nergens licht, behalve in het raam van de overburen, het oudere Hollandse echtpaar dat een stuk verderop achter de grote ligusterheggen woonde en waar eigenlijk niemand contact mee had. Een klein lichtje, dat onregelmatig bewoog. Misschien hadden ze een kaarsje aangestoken? Dat bracht me op een idee. Ik liep met Amy naar de badkamer, waar ik regelmatig lag te ontspannen. Daar had ik een paar geurkaarsen staan. Op de tast vond ik de lucifers.

‘Fjuuu!’ zei Amy, want ze was gek op vlammetjes.

‘Mooi hè,’ zei ik tegen haar. Samen wachtten we op Henri, die even later weer de trap op kwam soppen, met zijn gereedschapskoffer in zijn hand, en in zijn andere hand een tas.

‘Drinken en eten,’ zei hij. We sjouwden alles naar de zolder.

Daar zagen we het langzaam licht worden. We zagen het dag worden, en we zagen het water steeds hoger komen, eerst tot aan de bovenkant van de heg, en toen zelfs tot aan de top van het straatnaambordje. Binnen kwam het eerst tot bovenaan de trap, en toen zelfs de gang in. We probeerden zoveel mogelijk dingen naar boven te sjouwen, kleren en alles waar we aan gehecht waren, maar toen het water bleef stijgen, wisten we dat het zinloos was. Alles zou toch doordrenkt raken met het zoute water, we zagen het langs de muren naar boven en over de vloer kruipen.

Henri bleef uiterlijk kalm, zoals altijd, ook de tweede dag toen het water niet meer steeg. Maar ik voelde dat hij onrustig werd. Het was een beetje net zoals toen we een spannende wedstrijd van het Nederlands elftal keken, de halve finale die we op penalty’s verloren. Ik keek naar hem, en hij leek totaal niets te voelen, ook al was iedereen in het café aan het schreeuwen en aan het joelen. Ik vroeg hem of hij het niet spannend vond, en toen pakte hij zacht mijn hoofd beet met beide handen en hij drukte mijn oor tegen zijn borst. Ik hoorde zijn hart razendsnel bonken, keek hem verrast aan en hij lachte. Toen wist ik dat hij wel iets voelde, ook al liet hij niets zien. Tijdens de bevalling, die zo lang duurde, bleef hij ook rustig. Eén keer pakte hij mijn hand en liet die op zijn borst rusten, zodat ik voelde dat hij het ook spannend vond. Daar werd ik dan weer rustig van, gek genoeg.

Nadat Henri het kleine dakraampje had losgeschroefd, ging hij elk kwartier het dak op. Elke keer kwam hij teleurgesteld terug. Niemand kwam ons redden. Eén keer leek hij iemand te zien, in de verte. Hij floot op zijn vingers, waarvan ik niet wist dat hij het kon, schreeuwde en zwaaide. Tevergeefs.

We maakten met stukken nat behang grote, hoekige letters: ‘HELP’ op het dak, in de ijdele hoop dat er een vliegtuig over zou vliegen en ons zou zien. Maar we zagen nergens vliegtuigen, ook de ijle witte sporen in de lucht die je altijd zag, waar je ook was, waren opgelost.

De derde dag maakte we de laatste blikjes open in de ochtend. Henri stelde voor dat hij in het water zou duiken om in de schuur naar zijn oude hengel te zoeken, maar ik wilde liever niet dat hij ons alleen liet. Hij leek ook niet zoveel zin te hebben om het koude, troebele water in te gaan en liet zich overtuigen. We hadden voor de avond nog maar een paar koekjes over, niet genoeg om ons allemaal te voeden. Henri en ik hadden nu al honger. Vannacht had ik Henri een paar keer zachtjes horen jammeren. Toen ik hem wakker maakte, keek hij me verward aan en vertelde dat hij droomde dat hij schreeuwde naar een vliegtuigje dat overvloog, een oude dubbeldekker, zei hij. Toen viel hij weer in slaap en in de ochtend was hij het vergeten.

Vandaag klommen we om beurten het dak op. Henri was de moed aan het verliezen, zag ik, maar hij vond dat we alert moesten zijn. Daarom hees ik mezelf door het smalle dakraampje, met genoeg honger en dorst om mijn handen te laten trillen. Henri wilde per se dat ik een touw om mijn middel deed, en de twee keer dat ik wankelde en bijna in het klotsende water viel, was ik daar erg blij mee.

Er stak een windje op, donkergrijze wolken verzamelden zich aan de horizon. Golven die eerst alleen maar rustig kabbelden, klotsten steeds harder tegen het huis aan, sloegen af en toe in de dakgoten. Er sijpelde steeds meer water naar binnen. Henri legde planken op de dozen en kisten die op zolder stonden, zodat we in ieder geval nog droge voeten hielden. Amy speelde er op met het oude speelgoed van Henri dat al jaren op zolder was opgeborgen en wij keken samen naar het laatste pakje met koekjes dat we hadden bewaard, de laatste maaltijd voor Amy.

Henri pakte het pakje op. Hij keek naar buiten. En toen moest hij ineens huilen, eerst zachtjes, en daarna steeds harder, tot hij snikkend gehurkt op de wankele planken zat. Amy liep naar hem toe, aaide hem over zijn rug. ‘toetoe papa’ zei ze, ‘toetoe’. Ik beet op mijn lip om niet mee te hoeven doen. Nog nooit was Henri gebroken, ook niet toen zijn moeder was overleden aan een herseninfarct, drie jaar geleden. Niet waar ik bij was in ieder geval. Eén keer had ik hem toen uit de schuur zien komen met rode ogen, maar toen ik vroeg of het wel goed ging, haalde hij zijn schouders op en ging aan de slag. Nu was hij stuk, waarschijnlijk omdat hij voor het eerst in jaren geen idee had wat hij moest doen, hoe hij voor ons moest zorgen. Ik keek naar hem, en pakte toen de roestige teil die we al lang hadden moeten weggooien maar waar Henri geen afstand van kon nemen omdat hij er vroeger altijd in badderde, in de zomer, in de tuin van zijn ouders.

Het was niet makkelijk om de teil door het raampje te wringen en stabiel op het dak te zetten. Oude schoolboeken verzamelen en er in gooien lukte beter. Henri kon alleen maar naar me kijken. Hij stond wel op toen ik me naar het raampje toe bewoog om mij de lucifers aan te geven. Hij gaf me ook een stapel plastic bordjes en glimlachte toen hij me aankeek.

‘Geeft heel erg vieze rook,’ zei hij. ‘Ik heb met mijn broers veel fikkies gestookt.’

De rook uit de teil steeg in dikke, vette wolken op. Eerst vervloog het in de wind, maar toen we meer oude boeken en meer plastic in de teil gooiden, werd de rook zo massief dat er uiteindelijk een lange zwarte vinger uit de hemel leek neer te dalen, een vinger die wees op ons dak. Henri keek me dankbaar aan, maar zei niks. En dat hoefde ook niet.

Een uur lang bleven we het uur voeden. En ook al zagen we de eerste vijftig minuten niemand op het water, we voelden ons rustig. Er zou iemand komen, we wisten het zeker.

Toen de roeiboot uiteindelijk bij ons dak aankwam, stapte ik als eerste in zodat Henri Amy aan mij kon geven. Hij gaf ook een tasje met kleding voor Amy aan, maar toen hij een tas met kleren voor ons wilde aangeven, schudde de stuurman van de boot nee en wees op de naderende storm.

‘We hebben haast,’ zei hij en Henri knikte en nam de plek over van een veertien jarige jongen die uitgeput over zijn roeiriem hing.

De tocht over het water dat ons Brabantse land overspoeld had, voelde als een droom. Ik zag bomen waarvan ik de kruinen herkende, een windvaan op een huis waar ik ooit op de koffie was geweest, de schoorsteen waar kauwtjes in nestelden, nog steeds zelfs, ik zag ze eruit vliegen en wees ze aan voor Amy, die ze zag en mij vrolijk nadeed toen ik ‘Kauw, kauw!’ zei.

De angst die ik een paar dagen had gevoeld was weg, vreemd genoeg. Mijn kind, mijn man en ik waren gered, en dat was genoeg.

En toen zag ik hem overvliegen, de eerste draak die ik ooit zag. Geen vage schim in de verte, maar honderd meter boven onze hoofden en groot genoeg om een flinke schaduw over onze boot te laten glijden. Een lichaam zo lang als een stadsbus, met groene schubben van zijn keel tot aan de punt van zijn staart, vleugels waar hij een huis mee in kon pakken, klauwen met lange kromme nagels. De roeiers stopten met roeien en iedereen zat doodstil, bang voor de draak of onder de indruk. Ik was blij. Mijn hele leven was gewoon geweest. Ik ben geen bijzonder mens, heb altijd alleen maar gewone wensen en verlangens gehad en doodnormale dingen gedaan. Maar ik droomde al sinds ik klein ben van draken. Ik probeer al jaren draken te tekenen, ook al kan ik dat niet zo goed. En nu vloog er eentje over mijn hoofd, zo dicht bij dat ik hem bijna aan kon raken! Even was ik gelukkig. Even dacht ik dat deze wereld wel eens mooier zou kunnen zijn dan de wereld waar ik een paar dagen geleden nog in leefde. Even schitterde het laatste zonlicht over het water. De schone hemel die langzaam werd verdrongen door de dreigende storm was intens donkerblauw. Amy keek naar de draak en zei: ‘Kauw?’ en ik lachte, en Henri lachte ook.

Maar de vreugde verdween toen ik hoorde dat mijn ouders overleden waren in hun dijkhuisje in Piershil, de nacht dat de wereld Ommekeerde. Toen lachte ik niet meer.

Geplaatst op Geef een reactie

Kak

‘Kak de Fak,’ zegt mijn zoontje tijdens het spelen.

‘Hee, heej!’ zeg ik.

Mijn vriendin kijkt hem aan.

‘Dat mag je niet zéggen!’ zegt ze.

‘Oh, mag ik dat niet zéggen?’ zegt mijn zoontje, ‘Dan ga ik het zingen. Kahaak de Fahak! Kak kak de fahahak. Kakkakdefak!’

Hij is snel uitgezongen, gelukkig. Mijn vriendin en ik waren toch niet in staat om er iets van te zeggen zonder het uit te proesten.