Geplaatst op Geef een reactie

BIGSPEK ™

Ik kijk naar het gespierde lichaam van mijn zoontje van zeven jaar als ik hem help omkleden in het zwembad en zucht.

‘Nee, je bent écht niet dik,’ zeg ik tegen hem. ‘Je hebt dat buikje omdat je een sixpack hebt.’

‘Een wat?’ vraagt hij.

‘Een sixpack, van spieren,’ zeg ik en ik wijs zijn zes duidelijk zichtbare buikspieren aan. Dit is al de zoveelste keer dat hij er over begint nadat een ventje uit zijn klas hem dik had genoemd.

 

Een paar dagen later. Hij staat naast de keukentafel, doet zijn T-shirt omhoog en mept op zijn buikje.

‘Kijk mama, ik heb een BIGSPEK,’ zegt hij

‘Een wat?’ zegt ze.

‘Een Bigspek,’ zegt hij nogmaals, terwijl hij op zijn buikspieren wijst.

‘Een sixpack heet dat,’ zeg ik.

‘Oh ja,’ zegt hij, ‘Een sixpack. Kijk mama, ik heb een sixpack.’

Mama kijkt en bewondert.

Ik kijk naar mijn eigen buik en klop er op.

‘Kijk, ik heb een BIGSPEK, zeg ik, ‘geen sixpack. Helaas.

 

Geplaatst op Geef een reactie

Opa en de hoeren

‘Dus als ik het goed begrijp,’ zegt hij, ‘mag mijn opa mij geen knuffel geven, maar hij mag wel een hoer neuken?’

‘Ja,’ zeg ik.

‘Wat een rare corona-regels,’ zegt hij en ik knik.

Geplaatst op 1 Reactie

Over Leven

Licht sijpelt tussen de gordijnen door die ik, liggend op de grond en met nauwelijks nog kracht in mijn lichaam, niet verder open krijg dan een kiertje. Ik heb het koud, ijskoud zelfs sinds ik uit de douche stapte en viel, op de grond terecht kwam en niet meer op kon staan. Dat was gisteren in de ochtend, om 8:46. Dat weet ik zo zeker omdat ik vanaf de grond mijn nachtkastje kon zien naast mijn bed, en de wijzers gaven precies aan hoe laat het was.

En daar lag ik dan, gisteren, op de grond. Ik merkte meteen dat er iets mis was met mijn linkerbeen, en mijn linkerarm, die geen kracht meer hadden. Nog steeds niet. En door de val heb ik ook mijn rechterpols bezeerd, zodat het gruwelijk veel pijn doet als ik hem probeer te gebruiken. Daarom bleef ik eerst ook liggen toen ik viel: het deed te veel zeer om iets te doen, om naar de woonkamer te kruipen om de telefoon te proberen te pakken, of… ja dat andere ding.

Vorige week gaf ik toe aan mijn oudste zoon. Ik nam zo’n stomme alarmknop, omdat hij dat zo graag wilde. Hij had het ook meteen geregeld: misschien had hij het stiekem al voorbereid voordat hij mijn toestemming had gekregen. Daar moet ik nog een keer een hartig woordje met hem over spreken. Maar goed, hij doet ook zoveel voor me, dus ik gaf maar toe aan zijn voortdurende gedram. Soms moet je een nederlaag incasseren, om te laten merken dat je het waardeert, de inspanning van de ander. Het alarmsysteem is geïnstalleerd nu, en er is een alarmknop aan een goedkoop koordje die ik om mijn nek kan hangen, zodat ik altijd om hulp kan vragen als er iets gebeurt. Zoals vallen als je uit de douche stapt. Alleen hangt dat stomme ding nog in de woonkamer, aan de kast. Dat ik een alarmknop accepteer, betekent niet dat ik er de hele tijd mee ga rondsjouwen! Ik heb het even geprobeerd, de eerste dag, maar dat ding zat steeds in de weg. Ik heb er door geknoeid met mijn koffie en ik liet een sigaret vallen. Niet brandend, gelukkig, anders had ik misschien het huis in de fik gestoken. Zo zie je maar weer, dingen die zogenaamd voor je veiligheid zijn, kunnen juist ook gevaar opleveren.

Ik lig en ik kijk naar de deur van de slaapkamer. Gisteren al wist ik dat het maximaal één dag zou duren, het liggen op de grond in mijn blote kont. Op woensdag namelijk komt mijn fysio. Een lieve jongen, en dat hij homo is, maakt me helemaal niks uit. Dat vind ik juist heel leuk, kunnen we samen over knappe mannen praten. Hij is er om tien uur, elke woensdag, en dan helpt hij ervoor zorgen dat mijn oude lijf nog een beetje in beweging kan blijven. En nu is het woensdag zeven uur. Nog maar drie uur bibberen van de kou dus.

Aan sigaretten denken, dat had ik niet moeten doen. Sigaretten. Ze liggen op tafel, een open pakje, met de aansteker er naast. En een slof in de kast natuurlijk. Gauloise blauw, andere soorten vind ik smerig, en ik rook ze al meer dan zestig jaar, vanaf het moment dat ik op vakantie ging in Frankrijk en daar mijn eerste vriendje (een Griek, het leven kan raar lopen) leerde kennen tijdens de druivenpluk. Hij rookte Gauloise, en ik dus ook. Ze liggen te ver: een slaapkamer uit, kruipend, terwijl alles, mijn hele lijf en hoofd stervens pijn doen, de gang door, de woonkamer in, naar de tafel. En dan kan ik er nog niet bij want de tafel is hoog.

Toen ik wakker werd vanochtend, had ik dorst, zo vreselijk veel dorst dat ik dacht dat mijn tong vergroeide met mijn verhemelte. Ik heb me omgedraaid en ben terug gekropen naar de badkamer, stukje bij beetje. Het washandje was nog nat en gelukkig had ik mijn handdoek op de grond later vallen! Het tweedehands water deed me goed. Nooit gedacht hoe blij een mens kan zijn met een paar druppels.

Ik hoest, omdat het kriebelt en dan hoest ik nog eens omdat het niet los komt. Normaal gesproken drink ik nu mijn tweede koffie en rook ik er een sigaret bij. De rook verdooft mijn longen zodat het hoesten stopt, zodat ik dan, gek genoeg, juist meer lucht krijg. Vandaag niet, deze ochtend niet. De kamer is te ver, de keuken ook, ik lig en heb pijn en kan niets.

Soms worden mensen pas na een paar dagen of zelfs maanden gevonden. Je ziet het op het nieuws, of je leest erover in de krant. Mensen die in huis vallen of gewoon sterven omdat het tijd is, en die dan maanden liggen, langzaam verdrogen en een mummie worden of beschimmelen en wegrotten. Of ze worden opgegeten door hun hond of kat. Maar dat zal mij niet gebeuren, want de fysio komt woensdag, vandaag dus en die redt me wel.

De tijd maakt kleine stapjes op de klok, knipper, knipper van de secondes, en af en toe verdwijnen of verschijnen streepjes die de tijd wat verder helpen, een minuutje tegelijk. Hij is altijd op tijd, Hans, mijn fysio, die lieve jongen. Bijna, bijna is het tien uur, en dan belt hij aan en dan doe ik niet open, dan belt hij nogmaals want misschien zit ik op het toilet. Hij is geduldig, Hans. En dan maakt hij zich zorgen en breekt hij in, of hij belt de politie of hij doet wat anders, maar dan is het liggen en wachten en pijn hebben in ieder geval voorbij.

Ik schrik. Poepen. Ik moet poepen. Ik kijk om me heen, weet niet waar ik naar zoek. Wat moet ik doen? Ik moet poepen, en als ik moet, moet het. Gisteren heb ik niet gepoept. Waarom niet? Omdat ik een groot deel van de dag bewusteloos was? Hoe werkt dat met poepen? Als je slaapt, hoef je niet natuurlijk.

Vechten ertegen lukt niet, dus ik kijk om me heen of ik een plek kan vinden waar ik het kan laten gaan, ik zoek iets om het mee op te vangen en ik zie het, een tijdschrift dat naast mijn bed is gevallen, er onder is geschoven een paar dagen geleden. ik kruip er naar toe, beetje bij beetje en probeer het te pakken maar ik ga te langzaam en alles doet zeer en het komt er gewoon uit, uit mijn stomme poepgat, loopt langs mijn billen en benen en in mijn vagina, vieze, natte plakkerige poep en ik voel me een baby, of nog erger, een stom varken dat in zijn eigen poep rondwroet. Ik voel de viezigheid zitten, voel het verder sijpelen, het vermengd zich met de plas die ook maar gelijk mijn lichaam heeft verlaten, alsof het allemaal nog niet erg genoeg was.

Even lig ik stil. Dan denk ik na. Hans is er zo, mijn lieve Hans, en die vindt mij. Ik wil niet dat hij mij zo ziet, dat ik bloot ben is al erg genoeg, maar ik wil niet zo hulpeloos zijn, zo kapot dat ik niet eens mezelf schoon kan houden. Als ze me zo vinden, brengen ze me vast naar een verzorgingstehuis en dat wil ik juist niet, ik wil mijn vrijheid houden, mijn eigen huis, in mijn eigen tijd dingen doen die ik wil doen.

Ik moet iets doen. Weer verken ik de kamer: wat kan ik gebruiken om de poep weg te vegen? Het tijdschrift ligt te ver weg en die gladde blaadjes nemen natuurlijk niks op. Er ligt geen kleding op de grond, alles ligt in de wasmand die op het kasje staat en waar ik dus niet bij kan. Dan kijk ik naar de badkamer. De vochtige handdoek. Die moet ik hebben.

De tijd dringt. Ik heb maar een half uur voordat er wordt, voordat Hans er is. Mijn hand doet zo veel zeer dat ik alleen maar wil huilen en schreeuwen maar ik wil mijn kracht daar niet aan verspillen. Dichterbij en dichterbij, en dan ben ik er, ik pak de handdoek waar ik net nog wat water uit heb gedronken. Ik pak hem beet met mijn pijnlijke hand en breng hem dan naar achteren, naar mijn bips.

Het doet te veel zeer, mijn arm en pols en hand en het lukt niet. Ik kan de handdoek niet met genoeg kracht over mijn bil en vagina halen om de poep echt weg te krijgen en alles blijft vies, de poep streept zelfs over steeds grotere delen van mijn lichaam, van anus naar navel en over mijn benen want de poep zit aan de handdoek en komt ongewild overal terecht.

Het is 09:59 uur. De deurbel gaat. Hans is vroeg. Of misschien is mijn klok niet juist. Even twijfel ik of ik wel wil dat Hans me zo ziet, nu ik zo vies, zo kwetsbaar, zo kapot ben. Misschien is het maar beter dat ik dood ga, zodat ik er zelf tenminste niet bij ben als mijn lichaam gevonden wordt. Dat bespaart me die schande. Maar dan pep ik mezelf op.

Ik probeer me op te richten, wil Hans roepen maar mijn armen willen niet en mijn stem blijft weg. Ik adem de woorden uit, roep zo zacht ‘Help’ en ‘Hans’ dat mijn eigen oren het niet eens kunnen horen. Hans belt weer aan, roept. ‘Hallo? Mevrouw de Vries!’ Eén keer, twee keer. Hij bonst op de deur. Dan gaat mijn telefoon in de woonkamer. Hans belt, één keer, de telefoon blijft over gaan, stopt dan, en dan probeert Hans het nog een keer. Hij geeft niet zo maar op, want zo is mijn Hans.

Ik hoor voetstappen naderen aan de andere kant van het raam, probeer omhoog te komen om naar de gordijnen te kruipen, het lukt een klein beetje maar ik kan niet bij het doek, bij de zware gordijnen die zo hoog hangen. Ze blijven dicht, op het kleine kiertje na dat eventjes verduistert en nog eventjes, als Hans er langs loopt en het licht tegen houdt. Weer probeer ik te roepen, maar ik lijk alleen maar te kunnen grommen. Ben ik echt na één nacht en dag niet meer dan een dier, zonder taal en zonder woorden?

‘Mevrouw de Vrie-hies!’ roept hij weer en hij tikt op het raam met zijn ring met dat ene diamantje erin, die hij van zijn verloofde heeft gekregen een paar maanden geleden. Ik worstel om omhoog te komen maar het lukt niet omdat mijn arm zo veel pijn doet. Ik probeer te schreeuwen en doe dat ook van binnen maar uit mijn mond komt alleen maar zielig gepiep. Hij loopt weer weg, naar de voordeur. Ik hoor het klepje van de brievenbus. Nu weet ik wat ik moet doen.

Mezelf oprichten lukt niet, maar ik kan me wel een beetje voortduwen, langzaam, over de laminaatvloer. Beetje bij beetje moet ik mezelf naar de slaapkamerdeur duwen, want daar, als ik mijn arm uit steek, als ik net ver genoeg ben, dan kan ik zwaaien naar de gang en als hij dan naar binnen kijkt, door de brievenbus, waar mijn oudste gelukkig nog steeds geen tochtborstels heeft gemonteerd, ook al heb ik ze allang gekocht en liggen ze klaar in het schuurtje, dan kijkt Hans, mijn lieve fysio, door de brievenbus en dan ziet hij mijn hand zwaaien, weet hij dat ik in de problemen ben.

Ik schuif over de grond, duw me vooruit met mijn tenen en trek me naar voren met mijn vingers. Ik maak poepsporen op de grond en heel mijn lichaam raakt besmeurd, maar ik heb hoop, hoop dat deze bezoeking snel voorbij is. Hans belt, hoor ik, met het kantoor.

’Ze doet niet open, nee. Alweer niet.’

Hij is even stil. Ik was me een keer vergeten af te melden toen ik naar het ziekenhuis ging voor een afspraak, dat was niet zo charmant van me. Stond hij hier voor niks.

‘Ja dat denk ik ook,’ zegt Hans tegen zijn telefoon. ‘Is goed,’ zegt hij dan. ‘Dan kan ik gelijk mijn administratie bijwerken,’ zegt hij en hij lacht.

Ik lig hier binnen en krijg het nog kouder. Met alle kracht die er nog in mijn lichaam zit, kruip ik naar voren. Hans gaat weg. Hans gaat weg en ik denk niet dat ik het overleef als ik hier nog drie dagen en nachten moet liggen in mijn eigen vuil. Ik ben er bijna, bijna bij de deuropening, iets verder nog, iets verder en ik steek mijn hand uit, hij moet het zien als hij door de brievenbus kijkt, hij moet me zien, mijn hand, hij mag niet zomaar weg gaan, hij mag niet…

Hij bonkt op het raam van de slaapkamer en roept nog een keer ‘Hallo? Mevrouw de Vries?’ Dan loopt hij naar het raam van de woonkamer en klopt er op, roept nog een keer. Kom nu naar de gang en kijk door de brievenbus, lieve Hans! Kom en kijk en zie mij, zie mijn hand die om hulp vraagt, kom.

Zijn voetstappen verwijderen zich. Hans is weg. Binnen in de woonkamer hoor ik de telefoon nog een keer overgaan en dan, als hij op het antwoordapparaat gaat, hoor ik Hans. ‘Voortaan wel even zeggen als je een afspraak hebt, hè lieverd? Nou, goed, ik zie je volgende week wel. En dan zal ik je eens flink knijpen als straf dat je me voor niks hebt laten komen. Nou doei!’

Hij hangt op. Hans is weg en ik hoor hem ook niet meer. Ik weet niet wat ik moet doen. Voor het eerst voel ik tranen opkomen, maar dan merk ik dat ik geen vocht meer in mijn lichaam heb om druppels te kunnen maken. Ik zak weg.

Als ik wakker wordt, is het alweer donker aan het worden. Blijkbaar werkt tijd anders, en slapen ook. Ik droom, denk ik, want ik zie mijn oom in de deuropening staan en dat kan niet want hij is al heel lang dood. Is hij een geest? Of ben ik overleden en zie ik nu andere doden? Ik weet het niet. Als ik mijn hand probeer te bewegen schiet er een pijnscheut door mijn lichaam en vermoed ik dat ik nog niet dood ben. Dood zijn zou wel extra naar zijn als je niet verlost werd van de pijn. Ik zucht diep, en dat doet zeer. Dorst. Ik heb verschrikkelijke dorst. Als ik nu kan kiezen tussen een glas water en een sigaret, zou ik voor het water kiezen, zo erg is mijn dorst. Wat moet ik doen. Waar is water? Ik heb het washandje al leeg gezogen en de handdoek is besmeurd met poep. Waar is water?

Het huis is stil, ik denk na. Dan hoor ik het. De douche lekt. De douche lekt! Al maanden klaag ik bij mijn oudste dat hij hem moet repareren, maar hij heeft nooit tijd. En daar ben ik nu blij om.

Ik val flauw tussen de deur van de slaapkamer en de badkamer, van de pijn misschien of de kou. Als ik wakker wordt, realiseer ik me dat de volgende keer dat ik weg raak, ik misschien niet meer wakker word. Ik sleur mezelf naar voren, naar de badkamer, en pak daar het washandje waar ik gisteren nog water uit sabbelde. Ik kijk omhoog, naar de douchekop waar tergend traag druppels uit vallen, en leg het er precies onder. Drup. Drup. Drup.

Misschien ben ik in slaap gevallen, misschien ben ik weer bewusteloos geraakt. Kan een mens meer dan 15 uur per dag slapen? Als je ziek bent misschien. Ben ik ziek, of ben ik gewond? Kan je van gewond zijn slaperig worden? Probeert mijn lichaam te herstellen door in slaap te vallen, alles in stilstand te zetten om geen energie te verspillen? Ik weet het niet. Ik weet wel dat mijn pols steeds dikker wordt en dat elke beweging me meer kracht kost. Drup Drup Drup.

Het washandje is goed vochtig. Ik knijp het water er uit met mijn pijnlijke hand, in mijn mond. De druppels die langs mijn mond op de tegels vallen, lik ik er af alsof ik een hondje ben. Het is niet veel, maar mijn mond is tenminste niet meer zo uitgedroogd. Drup, drup, drup. Blijf ik nu hier, om op de volgende slok water te wachten? Kruip ik naar de woonkamer? Misschien kan ik de tafel omduwen en valt de telefoon er af. Dan denk ik aan het massief eikenhouten ding en weet dat dat niet gaat lukken. Wacht, misschien aan het snoer trekken.

De vloer van de badkamer is te koud om er te blijven liggen in ieder geval: ik kruip er weer uit, laat het washandje achter onder de drup om nog meer water voor me te vangen.

Mijn oudste zoon komt van het weekend pas, en hij haalt altijd boodschappen voor me waar hij vrijdag over belt. Als hij me niet aan de telefoon krijgt, zal hij zich wel zorgen maken. Misschien komt hij dan langs. Maar nu is het woensdag en het is koud en ik heb alleen maar een beetje water en ik ben vies. Hoe lang kan je leven zonder eten en met zo weinig water? Een paar weken, of een paar dagen? En wanneer raak je onderkoeld? Tot wanneer houdt mijn lichaam het vol? Hou lang houdt een lichaam van een vrouw van 78 het vol, op de grond, ongekleed, zonder eten en drinken?

Donker. Drup drup drup. Blijkbaar was ik weer weg, en dat is niet goed. De tijd gaat wel sneller, en dat is goed. Vrijdag komt dichterbij, redding komt dichterbij. Alles doet zeer. De cijfers op de klok dansen, zodat ik niet precies weet hoe laat het is. Ik hoor voetstappen boven, van de bovenbuurman die ik nooit spreek, die me nooit wilde groeten op straat sinds het moment dat ik er iets van zei dat hij de poep van zijn hond niet opruimde. Die zak mist me vast niet. Of, misschien, misschien kan ik me laten horen. Ik kijk om me heen, zie de verwarmingsbuizen die naar het plafond gaan. Bovenlangs naar de gang en weer naar beneden de kast met de cv ketel in. Hoort de bovenbuurman het als ik op de buizen tik? Drup drup drup hoor ik. Ik ga tikken, tik, tik tik. Ik kruip naar de muur, zie mijn schoen liggen, een stevige hak. De muur, de buis met water, een beetje warm omdat ik twee dagen geleden de verwarming op 8 had gezet. Of 18? 80? Er zat een acht in, dat weet ik nog. waarom weet ik niet meer welk getal? Ik kruip er zo dicht mogelijk tegenaan, om een beetje van de warmte te voelen.

Ik bonk op de verwarmingsbuis. En nog eens. drup drup, tik tik. De hond blaft. Ik tik nog eens, de hond blaft weer.

Het is donker, ik zie rood op de klok maar niet cijfers.

Donker. cijfers? ik tik, alles doet zeer. Blaf blaf.

Licht. Ik ben er weer. Ik ben bang. Ik kruip naar de badkamer. Ga ik achteruit? Ik weet niet meer wat mijn hand moet doen. mijn been. Wat doe ik? ik ga vooruit. beetje beetje, drup drup. Badkamer. Het washandje is nat. Mijn goede hand heeft geen kracht meer, kan niet knijpen. Ik lik het washandje, zuig er aan. drup drup ernaast. Ik lig met mijn gezicht op het vochtige washandje. Koud en stinkt. Hij ligt hier nu al een paar dagen natuurlijk, geen wonder dat hij een beetje begint te ruiken. Maar ik stink vast nog meer.

Blaft de hond? Waarom blaft hij niet? Oh ja, ik tik niet op de verwarming…

Licht uit de gang en door de kier. Misschien kijk ik er al een tijdje naar. Zijn er echt een paar dagen voorbij? Of misschien een week. Ben ik al dood en blijft mijn geest bij mijn lichaam tot het lichaam begraven is? Of in het huis? Misschien wordt ik een geest. Ik kijk naar de gang. Kan ik er heen? kloppen op d deur met schoe. als aanbelt

drupdrupdrup. koudkoud, dorst. ik lig in de gang. weet niet hoe. schoen in hand

bonk bonk bonk. Stemmen, harde stemmen. Schreeuw. VRIES hoor ik, en dat ben ik, Vries, dé Vries. Bonk op deur.

Glas breekt, gerinkel, ik kijk. Enge mannen ENGE MANNEN! het is donker, enge mannen. Ik probeer te schreeuwen, maar ben stil. ze pakken me beet en

donker. het is warm. mijn mond doet geen zeer meer. ik zie lichtjes. waar ben ik. drup drup drup. ik zie hem. mama zegt hij. het is goed.

 

Geplaatst op 1 Reactie

Metoo of Niet-too?

In het smalle gangetje voor de kleutergroep, waar kinderen hun mutsen, sjaals en jassen aan de kapstok hangen en ze zich omkleden voor de gym, proberen ouders hier zo goed mogelijk mee te helpen. Een van de moeders staat op als haar kind omgekleed is en draait tegelijkertijd om en slaat daarbij met haar hand vol in het kruis van een passerende vader. Hij schrikt maar loopt meteen door.

‘Ha!’ roept ze hem na, ‘nu kan jij ook #metoo zeggen!’

Geplaatst op Geef een reactie

Bladel

Mijn privé-telefoon gaat. Een onbekend nummer, tien uur in de avond op zondag. Het kan werk zijn, ik noem mijn voornaam en achternaam.

Mijn moeder is aan de telefoon. Wij, haar kinderen, hebben haar net naar een verzorgingstehuis gebracht. Ze heeft meerdere ernstige lichamelijke klachten en ook last van beginnende dementie.

 

‘Bladel,’ begint ze. ‘Daar had je het toch vandaag over?’

‘Wat?’ zeg ik.

‘Bee, el, a, dee, ee, el,’ zegt ze.

‘Bladel?’

‘Je vertelde vandaag over Bladel,’ zegt ze geduldig, ‘En over wat er aan de hand was.’

‘Het Brabantse dorp?’ vraag ik.

‘Precies,’ zegt ze, alsof ze nu verwacht dat ik weet waar het over gaat.

‘Nee, daar heb ik het niet met je over gehad vandaag,’ zeg ik, ‘Wat is er dan in Bladel?’

 

Ik zoek het meteen op in de computer. ‘Bladel en nieuws.’ ‘De nieuwe burgemeester moet humor hebben’ is het belangrijkste nieuws.

‘Niks aan de hand in Bladel,’ zeg ik tegen haar.

‘Hè?!’ zegt ze. ‘Ik weet zeker dat ik het er met je over gehad heb vandaag.’

‘Nee,’ zeg ik, ‘we hebben elkaar niet gesproken. Was er iemand op bezoek? Of aan de telefoon gehad?’

‘Ik heb jou gesproken,’ zegt ze. Dan is ze even stil.

‘Weet je mam,’ zeg ik, ‘ik ga deze week foto’s van de kinderen printen en naar je toe sturen.’

‘Ja graag,’ zegt ze gretig. ‘Ik heb je dochter en je jongste nog helemaal niet op het kastje staan! Dat kan natuurlijk niet, die horen er ook bij.’

 

We groeten elkaar en hangen op. Ik ga die foto’s snel uitprinten zodat ze elke dag kan zien wie haar kleinkinderen zijn. Misschien onthoud ze hun gezichten nog eventjes.

Geplaatst op Geef een reactie

Graaahaaahhhhhh!!!

‘Weet je wat ik voor muziek ik ècht leuk vind?’ De strak geklede BMW verkoper uit Brabant doet het handschoenkastje van de auto open, pakt de bovenste van een stapel zelf gebrande cd’s, doet deze in de ingebouwde cd-speler van zijn glimmende auto. Een dikke BMW uiteraard. Met leren bekleding.

Een klein half uur geleden beloofde hij me naar het station te brengen in Uitgeest, zodat ik op tijd in Amsterdam kon zijn: daar werd voor de eerste keer in mijn leven een toneelstuk van mij gespeeld op een klein festival. Maar overdag moest ik eerst nog een cateringklus uitvoeren in Heemskerk. Er daar komt weinig openbaar vervoer, zeker op zondag.

Hij drukt op play.

In Uitgeest zagen we dat er geen treinen reden: tientallen mensen liepen verdwaasd rond, keken op de kaart van de regio of naar het scherm van de NS, een enkeling was aan het bellen met een mobiele telefoon. De BMW-verkoper stelde voor om mij helemaal naar Amsterdam te brengen en ook wat andere mensen een lift te geven, ik sprak de eerste drie mensen aan die ik zag lopen. Daarom zaten er nu ook een bejaarde dame, een student met een kater en een jong gothic-gekleed meisje achterin de auto.

De muziek begint.

Snerpende gitaren, stampende bassen en donderende drums. En daar overheen extreem luid gegrunt. De oude dame achterin de auto kijkt alsof ze net heeft gehoord op welke dag en hoe laat ze dood gaat, de student met een kater is ineens klaarwakker, en het meisje dat volledig in zwart gekleed is, met de diepzwarte makeup, zit rechtop en lacht breed.

‘Dat is MURKDEATHSPIRALSKULL van SKRULLFODGERSKROOOMP’ zegt ze, met een intens gelukkige uitstraling. ‘Dat is een van mijn favoriete nummers!’

Hij laat het grommende, dampende en stampende nummer nog even doorbrullen, en dan zet hij het uit. Het oude dametje achterin slaakt een zucht van verlichting, de student grinnikt.

‘Ken je ook hun eerste album?’ vraagt ze en hij knikt.

‘Ik ben zelfs bij hun enige Europese optreden geweest,’ zegt hij.

‘In Stuttgart,’ zeggen ze allebei tegelijk en dan lachen ze.

Hij brengt het gothic meisje en de student bij station Sloterdijk en de oude dame naar haar zus in Nieuw West. Mij brengt hij tot aan het festivalterrein. Als hij weg rijdt, druk hij weer op play.

GRAAAAHHHAAAAIIIIUUUUUUUUUUUURGHHHH!!!’ klinkt uit de auto tot hij het raampje dicht draait.

Geplaatst op Geef een reactie

Hints

‘Weet je waar ik echt niks mee kan? Met jongens die vrágen of ze me mogen zoenen. Ik wil gewoon besprongen worden, dat hij mijn kleren van mijn lijf rukt en me naar de slaapkamer sleurt. Lekker mannelijk!’

‘Ik ben dus wel zo’n jongen, die het netjes vraagt wanneer hij een meisje wilt zoenen,’ zeg ik. ‘Al een paar keer gehad dat zo’n meisje dan zei: ‘ja natuurlijk mag je me zoenen!’ Had ik hun hints niet begrepen.’

‘Ja,’ zegt ze, ‘van die jongens die je hints niet begrijpen. Daar word ik helemaal gek van.’

Geplaatst op Geef een reactie

Check

‘Waarom moet ik bij het volgende station uitstappen om alsnog in te checken?’ briest het knappe meisje tegen de conducteur. ‘Normaal krijg ik altijd gewoon een waarschuwing!’
Haar vriendje zwijgt en kijkt naar buiten.

Geplaatst op Geef een reactie

Smeerlap

Mijn collega Annie en ik lopen naar de lift in ons kantoorgebouw. Ik knik naar de schriele, bleke beveiliger die al jaren achter de balie zit en van wie ik nog nooit echt hoogte heb kunnen krijgen. Hij knikt terug, kijkt even naar Annie, glimlacht een beetje. Zij grijnst breed.

‘Dag Benny!’ zegt ze luid.

‘Da- ag,’ zegt Benny zenuwachtig. Ik vraag me af waarom iemand zó verlegen en onzeker als Benny ooit is aangenomen bij een beveiligingsbedrijf. Hij zou toch nooit een dief kunnen tegenhouden, of zelfs maar streng toe kunnen spreken?

 

Als ik op het knopje van de lift wil drukken, buigt Annie zich naar me toe en fluistert in mijn oor.

‘Ik heb een porno gezien van Benny.’

Van schrik druk ik naast het liftknopje. Ik kijk om, naar Benny, naar zijn bril met dikke jampotglazen en het beveiligerstenue dat veel te ruim om zijn lichaam hangt.

‘Hoe, wat…?’

Ze grijnst breed, drukt op het liftknopje. Ze fluistert verder.

‘Ik vroeg hem laatst of hij een vriendinnetje had, weetje, voordegein, hij zei ‘nee’, ik zei: ook geen seks zeker dan, haha, jeweethoeikben (ik weet hoe ze is) en toen zei hij dat hij een pornoacteur is. Ik geloofde het niet, liet hij zo zijn porno zien.’

‘Waar?’ zeg ik. ‘Op zijn eigen computer?’

We stappen de lift in, ze knikt en wacht even tot de deuren sluiten.

 

‘Ik dacht natuurlijk: als zo’n kleine krielkip aan porno doet, moet hij vast een enorme dikke tampeloeris hebben. Maar nee hoor, zijn piemel is even klein en dun als hij zelf. Jammerrr!’

Ik lach, voel me daar gelijk schuldig over.

‘Hij was met zijn bleke lijf heel druk bezig met een dik wijf, beetje ouder dan hij. Ook heel bleek, van dat lillende vlees dat je ook wel eens in de sauna ziet en waardoor je denkt: goh ik zie er nog prima uit, weetjewel?’

‘Gadver,’ zeg ik. We stappen de lift in.

‘Ja hè! Zo vies! Ik heb het thuis aan Ruud laten zien, die vond het ook hele goedkope amateurporno. Wel een beetje zielig trouwens: ik denk dat hij het aan mij liet zien omdat hij me lekker vindt. Hij zei in ieder geval dat hij van volle vrouwen houdt.’

Ik kijk naar Annie. Ze is inderdaad behoorlijk vol.

‘Maar niet tegen hem zeggen dat je het weet hoor! Hij heeft me gevraagd of ik het alsjeblieft niet door wilde vertellen. Haha! Ik en geheimen bewaren.’

 

We stappen even later de lift uit. Annie vertelt het verhaal in geuren en kleuren aan al onze collega’s. Iedereen zegt ‘ieuw!’ en ‘getver!’ Ze gaan, zonder mij, het kantoor in van Annie om naar het amateur-pornofilmpje te kijken. Ik denk aan Bennie. Ik weet nu al dat ik vanaf nu elke keer als hij me groet, een beetje verlegen onhandig zoals altijd, aan zijn pornofilm denk, ook zonder de film gezien te hebben.

‘Je verwacht het niet, hè, dat iemand die je kent zo’n smeerlap kan zijn,’ zegt een andere collega later. En ze heeft gelijk.

Geplaatst op Geef een reactie

Geld!

‘Echt waar?’ Ik kan het niet geloven. ‘Zeventien gulden per uur?’

‘Zeventien hele guldens per uur! Lekker toch?’ zegt het meisje van het uitzendbureau door de telefoon.

Ik ben net zestien geworden. Met mijn krantenwijk verdien ik tien gulden per ochtend, en daar moet ik om half zes voor opstaan. Dit is een fantastisch salaris, zeker als ik de hele dag kan werken.

‘Je hoeft alleen maar flyers en proefpotjes met chocopasta uit te delen in het winkelcentrum! Geweldig hè!’ Ze klinkt heel erg blij. Ik denk even na.

‘Wat moet ik nog meer weten?’ vraag ik dan.

‘Eehhhh….’ zegt ze, ‘je moet werkkleding aan. Een soort uniform.’

‘Uniform?’

Ze zucht.

‘Je krijgt een berenpak aan.’

Ik ben even stil.

‘Maar niemand ziet dat jij er in zit! Er zit ook een kop op!’

Ik denk aan het winkelcentrum, waar mijn klasgenoten en honderden andere pubers elke dag rondhangen. Daar zit er vast wel eentje bij die het een uitdaging vindt om die kop van mijn romp te rukken.

‘Ehm,’ zeg ik.

‘Zeventien gulden per uur!’ zegt ze. Ze klinkt een beetje schril, ‘Waar krijg je dat nog meer?’

‘Sorry,’ zeg ik.

‘Shit,’ zegt ze. Dan is ze even stil.

‘Dan bel ik wel weer verder. Doei!’

‘Maar als jullie een ander baantje hebben voor de zomer…’

Ze heeft al opgehangen.

Geplaatst op Geef een reactie

Zuipen

Ik had nooit gedacht dat ik mijn vriendin op zoiets smerigs zou betrappen. In Amerikaanse films komt het regelmatig voor, dat ouders hun kinderen het zien doen, en dat deze opstandige pubers de verontwaardiging van hun ouders negeren, alsof wat ze deden een normale handeling is, totaal niet onhygiënisch, en dat oude mensen zich er niet mee moeten bemoeien.

‘Gadverdamme,’ zeg ik dan ook hartgrondig. Ze gaat er gewoon mee door, terwijl ze me ziet kijken! Ding aan haar mond en ze klokt het zo naar binnen terwijl ze naar het plafond staart. Pas na een paar gulzige slokken stopt ze er mee. Ze kijkt me tegelijk betrapt maar ook uitdagend aan terwijl ze met haar vingers haar lippen droog veegt.

‘Doe je dat vaker?’ vraag ik haar, in de hoop dat ze ‘oeps’ zegt of ‘ik wilde het eens proberen’. Ze draait de dop er op.

‘Altijd al,’ zegt ze.

‘Dus de afgelopen zes jaar, dat we een relatie hebben…’

‘Ja,’ zegt ze, ‘ook die zes jaar.’

Dan doet ze de koelkast open en zet ze het pak melk, waaraan ze net had staan slobberen, terug.

‘Je hebt hem niet eens leeg gedronken! Als het nou het laatste beetje was, dat je het lege pak pak daarna weggooit…’

Ze haalt haar schouders op en loopt van me weg, naar de trap. De kleine huilt, boven.

‘Ik ga bij je weg, smeerlap!’ roep ik haar na, en dan lacht ze hard.

Geplaatst op Geef een reactie

Pieper

Oogpotlood, mascara, felle ogen, een vrolijk gekleurde niqaab.

‘Hou toch eens op met pieperen!’ zegt ze tegen haar man (grote baard, djellaba).

Even later slaat hij zijn arm om haar schouder en geeft haar een knuffel.

Geplaatst op Geef een reactie

Geslaagd

‘Geslaagd voor föhnen! Met een 8!’ zegt het meisje in de tram. Haar vriendinnen van de kappersopleiding knikken goedkeurend.

Geplaatst op Geef een reactie

Geleegd

‘Pas na vier weken,’ zegt de kale man. Zijn grote hond probeert hem, vruchteloos, verder te sleuren.

‘Ocharme,’ zeggen de twee blonde vrouwen. Eentje slaat zelfs haar hand voor haar mond.

Ze staan naast een berg met oude kapotte meubels, stapels gele kranten, vieze kleding, een kapotte televisie, een matras vol met vlekken. De vuilniswagen komt er al aan.

‘En al die vliegen in het huis,’ zegt de man.

De vrouwen schudden hun hoofd. Het is toch wat.

Geplaatst op Geef een reactie

Gestemd

Ik ben dronken dus ik zeg het gewoon.

‘De meisjes hebben gestemd,’ zeg ik tegen hem.

‘Waarover?’ vraagt hij.

‘Over wie de knapste jongen van de studie is. En jij bent het geworden.’

Ongeloof golft over zijn gezicht.

‘Wat? Ga weg,’ zegt hij. Zijn mond blijft een beetje openstaan.

‘Ik zweer het je,’ zeg ik. Ik leg een hand op zijn schouder, ook een beetje om rechtop te blijven staan. ‘Eergisteren gestemd en zeiden zeven meiden het, en vandaag zeventien en weer: jij bent de knapste. Geen discussie zelfs.’

Hij is stil. De jongens met wie hij aan het praten was, zijn ook stil. Ze weten allemaal dat ik met de knappe meiden van de studie omga, dus ik kan dit soort dingen weten.

‘Wie dan? Welke meiden?’

‘Allemaal,’ zeg ik.

Ik zwaai met mijn arm als om ze allemaal te omvatten.

‘Ja maar, wie heeft… wat…’

‘Heej,’ zeg ik, ‘dat ga ik je niet vertellen. Was in vertrouwen, ga ik niet beschamen. Maar dit, dit, ik dacht: dat moet jij weten. Vind je vast leuk.’

Een steeds breder wordende grijns splijt zijn gezicht, zijn ogen stralen, hij kijkt naar de jongens om hem heen, die hem op de schouders kloppen en hem feliciteren alsof hij een etappe in de Tour heeft gewonnen en ze zijn teamgenoten zijn. Ik draai me om, ga weer richting mijn eigen groepje. Of naar de bar, wat ik het eerste kan vinden.

Hij komt me even achterna.

‘Bedankt man. Bedankt dat je het hebt verteld,’ zegt hij, met zijn brede grijns onwrikbaar op zijn gelaat. Ik knik.

‘Ik kon het niet, niet vertellen, weet je wel.’

Vijftien jaar later zie ik een foto van hem op facebook. Hij is iets dikker geworden, ietsje kaler, maar hij heeft nog steeds die enorme grijns op zijn gezicht.

Hij is het blijkbaar niet vergeten.

Geplaatst op Geef een reactie

Geworpen

Ik heb een stuiver in mijn hand. Zo meteen komt hij, en ik heb hem al heel lang niet gezien, al een paar jaar niet. En ik weet niet hoe ik hem moet noemen.

We zijn al een tijd geleden verhuisd naar dit kleine dorp. Daarvoor ging ik al niet zo vaak bij hem langs, in de hoge flat met de glazen muur tussen de woonkamer en de keuken. Wij waren in het oude huis met de kleine kamers gebleven. Ik kreeg playmobiel toen ik in de flat op bezoek kwam, dat weet ik nog, maar wist niet wat ik daar moest doen toen ik het doosje eenmaal open had.

Kop is ‘papa’ en munt is ‘zijn-naam’, beslis ik.

Er kwam een andere man bij ons wonen, en die zei dat hij wel vader wilde zijn. Soms noemde ik hem al papa, per ongeluk. Steeds vaker, eigenlijk. En nu komt de man langs tegen wie ik vroeger altijd papa zei. Ik weet niet wie ik vandaag zo moet noemen. Allebei, dat kan niet natuurlijk, dat zou heel raar zijn. Maar geen van beide, dat is ook heel erg raar. En misschien zijn ze dan beledigd!

Ik gooi de munt.

Wat ik gooide weet ik niet meer, maar wel dat ik meteen besloot om me er niet aan te houden.