Geplaatst op Geef een reactie

De Vieze Man van het Jagersveld

Hij heeft een opengesneden wit broodje in zijn ene hand en een briefje van tien gulden in zijn andere. Wij zijn acht jaar, behalve Barry, die is al negen. Tien gulden is een heleboel snoep.

‘Ik durf te wedden,’ zegt de man, ‘ik durf te wedden dat ik dit broodje opeet, wat jullie er ook mee doen. Hoe vies ook.’

We kijken elkaar aan. Dit is dus de vieze man waar de oudere jongens over verteld hebben.

 

‘Durven jullie niet hè,’ zegt de man, hoopvol.

‘Dus als we het broodje heel vies maken,’ zegt Barry, ‘en u eet het niet op, dan krijgen wij tien gulden?’

‘Precies,’ zegt de man.

We kijken elkaar aan. Dan steek ik mijn hand uit, om het broodje aan te pakken.

‘Wat we er ook mee doen?’ vraag ik. Hij knikt.

 

Ik doe mijn best om een flinke pulk uit mijn neus te halen. Niet zo’n grote als vanochtend, helaas. Ik smeer de groene kledder in het broodje. Dan geef ik het broodje aan Barry. Hij grijnst, draait zich om. Zijn rits gaat open. Ik kijk ondertussen naar de vieze man. Hij ziet er wel normaal uit. Een beetje zenuwachtig alleen.

 

‘Heb je het gehoord?’ vraagt Barry. We zitten al dertig jaar in hetzelfde voetbalteam. We kleden ons om in de kleedkamer voor de training.

‘Wat?’ vraag ik.

‘Ze hebben de vieze man opgepakt.’

‘Wat?’ zeg ik, ‘de vieze man van het Jagersveld?’

Barry knikt.

‘Weet je nog wat we met dat broodje hebben gedaan?’

Ik lach en walg tegelijkertijd.

‘Ja gatver, Dat hij het op at, echt niet normaal.’

 

En ik hoop maar dat dat alles was, wat de vieze man de afgelopen tientallen jaren heeft gedaan: vieze broodjes opeten van kleine kinderen.

Geplaatst op Geef een reactie

Aangevlogen

Ze kust me en kijkt me aan.

‘Zo gek dat we elkaar vijf jaar geleden nog niet kenden,’ zeg ik. Een warme gloed trekt van mijn wangen naar de rest van mijn lichaam, terwijl ik naar haar lieve gezicht kijk. Ze ziet mijn blik en lacht verlegen.

’Op een bepaalde manier kende ik je al voordat we elkaar ontmoetten,’ zegt ze. ‘Ik had op een dag een lijstje gemaakt van mijn ideale man, en toen kon ik me jou al precies voorstellen. Hoe je er uit zag, en wat je allemaal deed en leuk vond. Dat je van koken houdt, en dat je zwart haar hebt en dat je kindertjes met me wilde maken.’

‘En daarna kwam je me tegen,’ zeg ik.

‘Ja!’ zegt ze. ‘Ik wist dat je er moest zijn, dus ik hoefde je alleen maar te vinden. Oh ja, wel grappig, een oud vrouwtje in het café beneden waar ik woonde, had me gezegd dat ik dat lijstje moest verbranden met een zwarte veer en een stukje bijenwas en een wortel van een eik. Heb ik echt gedaan, wist je dat?’

Ik glimlach. Ze is een beetje een mafferd.

‘Dat vrouwtje zei dat jij dan zou ontstaan, als je er nog niet was. Vijf en een half jaar geleden was dat. En dat is net het moment dat je in de stad kwam werken, toch? Dus het heeft gewerkt, op een bepaalde manier.’

Ik voel het bloed uit mijn gezicht wegtrekken.

‘Dat zag ik op je Linkedin in ieder geval, dat je precies op die dag een baan kreeg in het restaurantje aan de overkant.’

Leegte. Ik zie helemaal niets, er is een gapende leegte. Ik denk en ik denk, maar ik kan niets vinden.

‘Toen ben je ook op Facebook gekomen, zag ik, diezelfde dag. Ja, ik heb je een beetje gestalkt hoor, toen ik je naam eenmaal had gevraagd aan je collega!’

Ze aait mijn wang en dan mijn borst. Ik doe mijn best maar ik kan me niets herinneren van de dag vóórdat ik ging werken in het restaurant. Geen andere baan, geen opleiding. Niks.

‘Wat deed je eigenlijk daarvoor?’ vraagt ze ineens.

‘Toen bestond ik nog niet,’ zeg ik en ik lach, maar ik meen mijn lach niet.

Zij lacht haar vrolijke lach.

Ik kraak mijn hersenen. Maar ik vind niets vóór dit restaurant. Vóór dit appartementje van mij waar we nu samenwonen met ons dochtertje. Ik kan me geen eerdere huizen herinneren, maar ook geen vrienden van daarvoor, geen familie zelfs. Ik begrijp niet dat ik daar ook de afgelopen vijf jaar nooit over heb nagedacht. Waarom heb ik me nog nooit afgevraagd waarom ik geen familie heb?

‘Is er iets?’ vraagt ze.

Ik schud mijn hoofd, maar ik ga wel rechtop zitten in bed.

Ze kijkt me bezorgd aan.

‘Hoor je de kleine? Ik hoor niks.’

Ik luister, maar ik hoor onze dochter niet, die twee jaar geleden geboren is. Van haar kan ik me alles herinneren. Van mezelf niets. Wie ben ik?

Ik kijk de liefde van mijn leven aan. Ze kijkt terug, en is bezorgd. En dan komt ineens een nieuwe herinnering in me naar boven.

Haar gezicht, een serieuze blik, ik ruik vuur, een verbrande veer, zoete bijenwas, ik zie snippers brandend papier die de lucht invliegen, haar blik geschrokken, ze hangt half uit het raam, ze slaat de brandende snippers uit, mept het aardewerken potje waar ze alles in verbrandde van de dakgoot, het valt naar beneden, ze slaakt een gil. Eén snippertje vliegt weg, ik vlieg mee, daal en daal en vlieg dan door de open deur van het restaurant naar binnen, de keuken in, waar ik net een pannenkoek opvang in mijn pan.

‘Heb je je lijstje heel toevallig in de dakgoot verbrand?’ vraag ik voorzichtig. ‘Met de bijenwas en de wortel van een eik en de zwarte veer? En is het aardewerken potje naar beneden gevallen?’

Ze kijkt me aan.

‘Hè? Heb ik dat ooit verteld? Nee toch? Ik schaamde me er een beetje voor. Had bijna brand veroorzaakt!’

Ik knik. Dat weet ik.

‘Ik kan me echt niet herinneren dat ik je dat verteld heb,’ zegt ze en ze komt ook overeind. Dan kijk ik in haar mooie koele grijsblauwe ogen.

‘Ach,’ zeg ik, ‘herinneringen. Wat heb je aan herinneringen van toen ik er nog niet was?’

Ze kust me gepassioneerd en ik kus haar terug. En als ik een half uur later uitgeput in slaap val, realiseer ik me dat ik het helemaal niet erg vind dat ik vijf en een half jaar geleden verzonnen ben door een jonge vrouw die mij nodig had, en dat ik sinds die tijd pas besta.

Geplaatst op Geef een reactie

Jack de Knipper

Jaren geleden schreef ik dit scenario, zonder te vermoeden dat ‘Jack de Knipper’ weer op zou duiken… In een ander format geschreven (filmscenario) dan je misschien gewend bent, maar hopelijk is het goed te lezen!

Jack de Knipper

 

Geplaatst op Geef een reactie

Slipjes

‘Eh, meneer,’ zegt de zwangere vrouw. Ze staat in haar badjas voor me, naast haar man.

‘Een beetje een rare vraag misschien, maar…’

Ik denk: oh nee hè, niet weer.

‘Mijn bikini en broekje zaten in de zak van mijn badjas toen we de sauna in gingen, en toen we uit de sauna kwamen, was mijn broekje ineens weg!’

‘Weet u zeker dat het de juiste badjas was, mevrouw? Ze zijn allemaal wit,’ zeg ik, maar ik weet wel beter.

‘Die van mij hing er naast, met mijn zwembroek,’ zegt haar man. Hij heeft tatoeages tot aan zijn nek. Ik hoop dat het niet net zo’n scène wordt als vorige maand.

‘Ja, en mijn bikini zat er ook gewoon nog in,’ zegt ze. Ze laat hem zien. Van binnen kook ik. Als die eikel niet de zoon van de baas was, was hij allang ontslagen. En in de cel gegooid, waarschijnlijk.

‘Nou mevrouw wat vervelend!’ zeg ik. Ik kijk zo meegaand mogelijk, en probeer tegelijk te zien waar Freddy is.

‘Kunnen we u misschien een drankje aanbieden voor het ongemak? U natuurlijk ook meneer.’

‘We wilden net uitchecken,’ zegt haar man, ‘maar je mag wel onze drankjes bij het eten gisteren van de rekening afhalen.’ Hij kijkt me strak aan en haalt diep adem zodat zijn borstspieren nog meer opbollen.

Ik kijk naar hun rekening, zie dat ze gisteren acht drankjes hadden tijdens het eten, inclusief twee Irish koffie. Ik zucht, zet mijn nep lach weer aan.

‘Dat regelen we meteen! Kijk maar mee.’ Ik draai het scherm en laat ze zien dat ik veertig euro van hun rekening afhaal. De man gromt tevreden.

‘Goed zo,’ zegt hij. ‘Kom schat,’ zegt hij dan, en hij neemt zijn vrouw mee.

‘Toch echt wel een beetje raar, dat mijn broekje ineens weg is,’ zegt ze als ze weglopen. Ik versta niet wat hij antwoordt.

Dan zie ik Freddy uit het zwembad komen. Ik wenk hem om te vertellen dat ik wéér over zijn ziekelijke neigingen moet gaan praten met zijn vader. Maar voordat hij me ziet, staan er drie dames voor mijn neus.

‘Hey gappie,’ zegt een van de dames.

‘Onze slippies zijn gejat uit onze badjassen!’

‘Ja, wat de fok gast,’ zegt de ander.

‘Een momentje,’ zeg ik. En dan zet ik mijn luidste stem op.

‘Freddy! Deze dames willen even met je praten!’

Freddy hoort me, ziet de dames en glipt dan snel het restaurant weer in. De smeerlap.

‘Nou dames,’ zeg ik. ‘Kan ik jullie een drankje aanbieden ter compensatie?’

‘Wat dacht je van een gratis lunch,’ zegt er een. ‘Ik hoorde net dat je alle drankjes van dat stelletje gratis hebt gemaakt. Dat willen wij ook wel.’

Ze kijken me uitdagend aan. En dan kan het me ineens allemaal geen fuck meer schelen.

‘Dames, jullie krijgen van mij héél je verblijf gratis. Kijk, ik zet het nu in het overzicht.’

Ik typ in: ‘wegens verdwenen slipjes gratis verblijf’. Ze kijken mee en lachen. Ben benieuwd hoe de baas daar nog boos over kan worden. Misschien heeft hij nu eindelijk een reden om zijn zoon in therapie te doen ofzo.

‘Dank je wel schat!’ zegt een van de meiden als ze weglopen. ‘Veel plezier met onze slipjes,’ lacht de ander, en dan ben ik er ineens helemaal klaar mee. Ik sta op en doe mijn werkjasje uit.

Vandaag is de laatste dag dat ik vieze Freddy uit de wind heb gehouden. Ik neem ontslag.

Geplaatst op Geef een reactie

Uit

Fred legt het pasje van mijn elektronische deurslot op tafel neer.

‘Sorry,’ zegt hij en hij meent het. Ik begrijp het wel. Hij heeft sinds kort een baby en heeft vast de tijd en energie niet meer om mij vrijwillig te beveiligen, zoals hij het afgelopen jaar heeft gedaan, als enige. Daarom knik ik. Het pasje laat ik liggen. Later vandaag knip ik hem wel in een paar stukken, zoals ik ook de andere pasjes kapot geknipt heb. Vroeger liet ik de pasjes ophalen door het beveiligingsbedrijf, zodat ze door experts vernietigd konden worden, maar sinds ik dat zelf moet betalen, doe ik dat niet meer.

Misschien hebben de kranten gelijk. Dat de beveiliging niet meer nodig is nu ik niet meer in de politiek zit. Ik krijg ook bijna geen doodsbedreigingen meer. Een enkele keer komt er nog een mailtje binnen, maar meestal is het van mafkezen die al tientallen jaren mailen en waar de politie me van durfde te vertellen dat ze geen enkel gevaar vormen. Eén ervan schijnt zelfs in een rolstoel te zitten, zo’n elektrische. Blijkbaar vindt die het nodig om zijn kleine beetje kracht en energie te gebruiken om mij te vertellen hoe hij mij dood gaat maken. Ik lees ze nu helemaal uit, zijn dreigmails. Voelt als vroeger, toen half Nederland bang voor me was en er duizenden mensen een intense haat voor me voelden. Nu niet meer. Nu gaat alle linkse haat naar TB. Niet voor niets zijn de initialen van die fluim van een vent dezelfde als die van tuberculose.

De moslims haten me ook al niet meer. Ze negeren me. Ik krijg geen boze mails meer van Mohammeds en Zakaria’s, geen belerende mailtjes van Fatima’s en Dounias. Niets meer. Sommigen kennen me niet eens meer! Laatst vroeg zo’n kopvodje achter de kassa, niet mijn kassa natuurlijk, no way dat ik me laat helpen door zo’n slavinnetje van Mohamed, ze had het lef om te vragen aan haar collega waar ze me nou van kend.! En die domme muts aan wie ze het vroeg, wist het niet eens! Zo lang is het niet geleden hoor, dat iedereen me kende, tot in de VS aan toe. Ik stond elke week op de voorpagina van alle kranten!

Maar nu is het blijkbaar tijd voor verwijfde mannetjes die alleen maar met hun haar bezig zijn en die duur praten. Kunnen dat de voorvechters zijn voor de Normale Mens? Nee toch? Die weten niet wat er in Henk en Ingrid om gaat. Ik wist dat wel, ik voelde wat er leefde. Sterker nog, als ik iets zei, gingen mensen dat daarna zelf ook voelen! Ik wist niet alleen wat er leefde, niet alleen kon ik het voorspellen, maar ik creëerde het vaak ook. En die laffe Dijkjes en Rutjes en Bumaatjes aapten me na omdat ze het zelf niet konden verzinnen.

De deur valt achter Fred dicht. Ik ben misschien vergeten om hem gedag te zeggen. Dat vergeet ik de laatste tijd wel eens, praten tegen mensen. Dat zei mijn ex laatst tegen me, toen ze langs kwam om nog wat papieren te laten ondertekenen. Dat ik soms vergeet te praten, dat ik alleen maar voor me uit staar. Dan beweegt mijn mond wel alsof ik praat, en mijn handen bewegen ook vaak mee, maar er komt geen geluid meer uit. Alsof ik alle woorden al eens gebruikt heb, tijdens de speeches die ik hield, de interviews die ik gaf, de interrupties in de Tweede Kamer. Ik was jaren lang de meester van de woorden. En nu zijn ze allemaal uit me gevloeid, blijkbaar.
‘Het was eigenlijk niet meer nodig’, zei de man van de politie. ‘Al jaren niet meer.’ ‘Wees blij!’ zei hij. ‘Je kan weer over straat als een normaal mens!’ Maar ik kan dat niet meer. De angst dat er iemand om de hoek komt rennen, zo’n baardaap, of nog erger, zo’n Volkert, blijft knagen. Dat er iemand is die me nog steeds haat, om vroeger. Dat er iemand al jaren wacht tot mijn beveiliging verdwijnt zodat hij kan toeslaan. Ik zie ze nog wel eens, op straat. Van die mensen die mij dood willen hebben. Ik weet het zeker. En daarom doe ik het gewoon niet meer, naar buiten gaan, nu Fred er mee ophoudt. De supermarkt bezorgt mijn boodschappen, dat is veilig genoeg als ze maar geen Marokkanen sturen. En verder vertik ik het om mezelf in gevaar te brengen. Mij krijgen ze niet te pakken! Mij niet! De terroristen zullen me niet te pakken krijgen. Ik blijf binnen. De deur blijft dicht. En niemand komt er in!

Geplaatst op Geef een reactie

Kutchinees

Ik woonde vroeger als een van de weinige Koreanen in een wijk vol Turken, Marokkanen, Surinamers, Antillianen en Nederlanders. Nou ja, Koreaan, geadopteerd. Wat ik mezelf eigenlijk moet noemen, weet ik niet. Koreaans uitziende blanke? Korekaaskop? Geen idee.

Het was een niet al te beste buurt. Er waren dealers (uit alle bevolkingsgroepen, drugs doen aan geld, niet aan afkomst). Er waren zelfs ook groepen jongens die zich ‘bendes’ noemden. Niet dat dat veel voorstelde, ze verdeelden alleen maar de straten in de wijk om daar een beetje stoer te kunnen doen, vooral om elkaar uit te dagen. Ik kon er gewoon tussendoor lopen als ze op de hoek van de straat hingen, maar de postbode, kinderen die tikkertje speelden en bejaarde dametjes met hun boodschappen ook.

Tot die ene dag. Ik kwam net mijn huis uit, deed de deur op het slot, de sleutels in mijn tas, rits dicht. Ik keek links. Vijftig dreigend kijkende Nederlandse jongens van de straat achter mijn huis stonden op twintig meter afstand. Ik keek naar rechts. Vijftig dreigend kijkende Turkse jongens van de straat tegenover mijn huis. Gelukkig ben ik geen Turk of Nederlander, dacht ik toen. Al die jongens weten vast dat ik niet bij de andere ‘bende’ hoor. Laat ze maar lekker ruzie maken met elkaar. Als ik weg ben natuurlijk. Ik zette een stap om de straat over te steken zodat ik niet tussen de twee partijen in stond.

Op dat moment riep één van de Nederlanders: ‘Pak die kutchinees!’ En alle Nederlanders begonnen te rennen.

Ik rende weg, met mijn tas in mijn hand, iedereen rende achter me aan. Ik wist uiteindelijk niet eens of ze achter mij aan kwamen of achter de andere bende, maar uiteindelijk renden er honderd jongens achter me aan, straat na straat. Gelukkig sprong ik op tijd in een bus waarvan de deuren net dicht gingen.

Toen ik achterom keek, zag ik dat beide bendes een beetje ongemakkelijk om zich heen en naar elkaar keken. Ze hadden blijkbaar geen zin meer in ruzie. Dit was hun buurt niet. Van de straathoeken werden ze aangekeken door de Surinaams-Marokkaanse bende die daar de ‘baas’ was. Dat alle jongens zich verspreidden over winkels en door straatjes was het laatste wat ik zag voordat de bus de hoek om ging.

Ik heb daarna nooit last van die gastjes gehad. Maar ik kijk nu wel altijd goed om me heen voordat ik mijn voordeur op slot doe.

Geplaatst op Geef een reactie

Gezeik

‘Geef je portemonnee!’ zegt de junk die zenuwachtig naar links en rechts kijkt. Ik weet niet wat ik nu moet doen. Dan vraag ik het maar, heel voorzichtig.

‘Mag ik misschien eerst even doorplassen en dan mijn piemel in mijn broek terug stoppen?’

Hij aarzelt even. Dan knikt hij.

‘Snel dan.’

‘Bedankt,’ zeg ik. Daarna doe ik het meest ongemakkelijke plasje ooit, met een junk die controleert of ik wel opschiet met afschudden.

En als ik hem mijn telefoon en portemonnee geef, merk ik dat ik ook nog niet eens goed heb afgeschud. Ook dát nog, zo’n vervelende natte plek in mijn onderbroek. Wat een klotenacht.

Geplaatst op Geef een reactie

Boem

Haar jongste lakei, Edward, komt haar halen. Ze is bijzonder op hem gesteld. Als Edward haar naar die lelijke man heeft gebracht, stuurt ze hem op een overbodige missie die zijn leven zal redden.

Ik ben toch al 90, denk ze. Mijn zoon is aan de beurt om het stokje over te nemen. Misschien maakt hij er geen zootje van.

Dan lacht Elizabeth, een kakelende lach waarvan ze niet wist dat ze die in zich had. Ze weet nu al dat haar kleinkinderen haar de meest epische koningin ooit zullen noemen. Een moderne Bouddica. Daar doet ze het voor. Ze heeft toch al kanker, wat niemand weet. Met een grote knal afscheid nemen, iets èchts doen in plaats van al die symbolische onzin, dat wil ze graag. De vijand verslaan, net zoals al die dappere mensen dat deden in de Tweede Wereldoorlog.

Elizabeth doet de gordel met handgranaten om haar middel, haar grote bontmantel er overheen. Donald zal het nooit verwachten. De koningin van Engeland die met een bomgordel de president van de VS uitschakelt.

Kom maar hier Donald, dan pak ik jouw hand. Ik laat je nooit meer los.

Geplaatst op Geef een reactie

Ontvriend

Hij is zó boos dat hij niet eens met zijn telefoon kan gooien, wat hij normaal wel altijd doet. Verraden door zijn beste vriend! Dat, dat, hoe kan dat? Waarom? Hij laat langzaam zijn hand zakken met de telefoon er in. Uit zijn ooghoek ziet hij dat twee mensen de kamer zachtjes verlaten. Normaal gesproken zou hij zijn lippen even tuiten en met zijn hoofd schudden zodat ze weer terug gaan naar waar ze zaten, maar nu lukt dat niet. Alles voelt leeg, er zit geen kracht in zijn handen, geen bloed meer in zijn gezicht en ook zijn benen voelen wiebelig.

Ze hadden het afgesproken! Ze hadden alles al samen gedaan, zó veel geld verdiend en onderling verdeeld, de moslims de oorlog verklaard en ook flink in de pan gehakt, met zijn tweetjes. Ha! Die moslims hadden zich allemaal over gegeven, de lafaards. Als zijn voorganger nou ook had laten zien dat er met hun niet te spotten viel… maar dat was een watje. Dat gepraat van die man. Je moet die smerige zandapen keihard aanpakken met de zwaarste bommen die je hebt, dan luisteren ze tenminste. Zó moet dat als je wil dat mensen je serieus nemen. Nu doet de hele wereld wat hij wil, precies zoals het hoort.

Alleen zijn beste vriend van vroeger, van een uur geleden nog, luistert niet meer. Voor het eerst in al die jaren dat ze elkaar kennen, zegt hij gewoon keihard nee.

Donald legt eindelijk zijn telefoon neer. Mensen om hem heen ontspannen een beetje. Ze krijgen in ieder geval geen telefoon naar hun hoofd gegooid, vandaag. Wel weten ze allemaal dat de problemen die ze tot nu toe gehad hadden, niets waren in vergelijking met dit probleem. Langzaam staat Donald op. Hij houdt zich vast aan zijn bureau, haalt diep adem.

‘We zijn verraden,’ zegt hij. ‘Door Poetin. Hij doet niet mee. De laffe Russen willen niet meevechten tegen die smerige Chinezen.’

De president van de Verenigde Staten kijkt de kamer rond. Dan neemt hij een beslissing.

‘Die verachtelijke Russen. We zullen ze leren dat we ze helemaal niet nodig hebben tegen China.’ Hij kijkt vastberaden.

‘We gaan tweeten.’

war

Geplaatst op Geef een reactie

Hitler en Jamai

Marie legt het toegangsbewijs in de schaal op de enorme stapel kaartjes van voorstellingen en optredens van Jamai waar ze naartoe is geweest. Even kijkt ze naar de foto van haar overleden man die boven de schaal hangt. Hij kijkt, zoals altijd, misprijzend. Marie glimlacht.
‘Zie je wel dat die Jamai een vieze poot is,’ had hij gezegd een paar maanden voor zijn dood. ‘Zit je dan met je bakvissen-verliefdheid.’
Inderdaad was Marie een beetje verliefd geworden op die frisse knul die zo mooi kon zingen. Daar was toch niks mis mee? Het was niet alsof ze met haar leeftijd nog achter Jamai aan zou gaan. Maar een beetje dromen van een man die eruit zag alsof hij wél liefde kon ontvangen kon geen kwaad.

Toen Wim van de dokter hoorde dat hij niet lang meer te leven had, nam hij Marie voor het eerst in dertig jaar mee naar zijn studeerkamer. Daar zag ze waarom ze nooit geld hadden om leuke dingen te doen, zoals uit eten, vakanties of naar het theater. Al hun geld was opgegaan aan Hitler-dingen. Bustes van Hitler, boeken over Hitler en grote posters met de kop van Hitler erop, alles heel zorgvuldig en met liefde opgeborgen in vitrinekasten en lades.
‘Je zorgt ervoor dat alles bij een goed museum terecht komt,’ had Wim gezegd. ‘Niet zo’n Jodenmuseum als het Anne Frankhuis. Museum Overloon zal met het meeste respect omgaan met mijn collectie.’ Marie zweeg, maar op dat moment had ze een idee gekregen. Ze durfde het alleen nog niet uit te spreken.

Een paar weken later lag hij op zijn sterfbed. Weer droeg hij haar op om zijn kostbare spullen naar een museum te brengen. Toen ze zeker wist dat zijn stem te fragiel was om haar nog uit te schelden, en toen ze zag dat zijn trillende handen niet meer de kracht hadden om haar beet te pakken en door elkaar te rammelen, toen durfde ze het te zeggen.
‘Ik verkoop al je rommel uit de Tweede Wereldoorlog,’ had ze gezegd, ‘en van dat geld ga ik naar alle optredens en voorstellingen van Jamai.’
Ze zag met een onverwacht genoegen dat Wim stikte in zijn boosheid, dat hij hoestend en borrelend probeerde te protesteren maar er de lucht niet meer voor had. Twee dagen later stierf hij. Nog steeds met een woedende blik in zijn ogen, maar onmachtig.

Ze hield zich aan haar belofte. Ze leerde van de buurjongen hoe ze Marktplaats moest gebruiken, en ze verkocht één voor één de Hitlerspullen die Wim de afgelopen jaren had verzameld. Ze accepteerde elk bedrag, omdat ze wist dat Wim daar een enorme hekel aan had, maar verzamelde toch genoeg geld om naar elke voorstelling van Jamai te kunnen gaan de jaren daarna.

Als ze een waxinelichtje pakt in de kast, bekruipt haar een vervelende gedachte. Wat nou als Jamai denkt dat ik een stalker ben? Ze lacht en schudt die gedachte van zich af. Als die lieverd ooit vraagt waarom ze altijd op de eerste rij zit bij al zijn optredens, vertelt ze het hem gewoon eerlijk. Jamai begrijpt dat wel.
Ze steekt het kaarsje aan bij de schaal met Jamai-kaartjes. Weer glimlacht ze. Met het flikkerende licht lijkt Wim nog bozer.
‘Dag Wim,’ zegt ze. Dan zet ze de cd-speler aan met muziek van Jamai. Als ze de kamer uitloopt, doet ze de deur goed achter zich dicht. Zo goed vindt ze de muziek van Jamai nou ook weer niet, dat ze er elke nacht bij in slaap wil vallen.

Geplaatst op Geef een reactie

Alles komt goed

Ik doe een stap naar achteren, kijk naar zijn naakte en bebloede lichaam. Ik had niet verwacht dat het zo makkelijk zou zijn. Ik dacht dat hij wakker zou worden, zou vechten, maar hij schokte alleen maar een paar keer met zijn vette lichaam en slaakte toen een diepe zucht. Daarna liet hij alles lopen, poep en pies. Misschien raakte ik hem precies in zijn hart met dat lelijke gouden mes. Het mes waar hij me twee weken geleden nog mee bedreigde.

Het is vreemd dat ik het nu pas doe, na al die jaren van vernederingen, na al die keren dat hij me sloeg, kneep, of aan mijn haar trok. Hij heeft me al zo vaak geneukt terwijl ik dat eigenlijk niet wilde, hij is al zo vaak vreemd gegaan. En hij had al vaker gezegd als hij een aantrekkelijke jonge vrouw zag: ‘die heb ik gehad’, of: ‘die kan ik krijgen als ik wil. Wedden?’. Waarom ik dan nu brak, waarom ik dan vandaag echt niet meer verder kon, waarom zijn minachtende blik juist vanavond me deed denken aan het gouden mes dat hij aan de muur had laten hangen om mij te zieken, om me te laten denken aan die keer dat ik hem huilend moest herinneren aan het kind dat we samen hebben, dat hij die toch niet zonder moeder kon laten opgroeien.

En nu is hij dood. Daar kan niemand meer iets aan doen. Mijn hoofd voelt voor het eerst in jaren leeg, rustig, ijzig kalm. Ik weet wel dat er enorme problemen aan komen, maar nu even maakt dat niet uit. Ik kijk naar het mes in mijn hand. Gek dat ik het nog niet heb losgelaten.

Dan gaat de deur achter me open, en ik draai me om. Twee grote sterke mannen staan daar, Ed en Johnny. Ed die me een paar weken geleden nog redde door een vaas om te gooien vlak voordat mijn man, zijn baas, me weer eens hard wilde aanpakken. De afleiding was genoeg om dat te voorkomen. En Johnny heeft thee voor me gehaald na die avond met het mes. Ik ben blij dat zij er zijn, ook al weet ik dat mijn nieuwe problemen nu beginnen.

Ed en Johnny kijken elkaar aan, en dan naar het lijk op het bed. Ed loopt op het bed af, Johnny naar mij. Ed voelt of mijn man nog een hartslag heeft, schudt zijn hoofd. Johnny kijkt mij aan.
‘Ik ga het makkelijker voor je maken,’ zegt Johnny.
‘Laat het mes vallen, dan sla ik je één keer hard in je gezicht.’
Ik laat van schrik het mes vallen.
‘Dan kan je zeggen dat je jezelf tegen hem moest verdedigen,’ zegt Ed. Ik haal diep adem, begin dan te hyperventileren. Toch knik ik.

Johnny slaat en ik val bijna om, voel de felle warmte van de klap in mijn gezicht. Toch lach ik, want ik weet dat ik zo eindelijk aan hem kan ontsnappen, aan die man die eerst mijn dromen in vervulling bracht en me daarna een nachtmerrie in sleepte.
Ed legt een hand op mijn schouder.
‘Maak je geen zorgen,’ zegt hij, ‘alles komt goed, Melania.’

Geplaatst op Geef een reactie

Hakken en Rocken

Er is al een tijdje mot tussen de gabbers en de hardrockers. Het ging mis op een feestje. Ze kregen eerst ruzie over de muziekkeuze van de dj en toen het uit de hand liep zijn met meubels gaan gooien en probeerden zelfs over elkaar heen te rijden. Nu maken ze de hele tijd ruzie. Over muziek, kleding maar ook vaak over helemaal niks. Elke keer als ze elkaar tegenkomen op de gangen, beginnen ze te schreeuwen. Alle andere mensen ergeren zich er kapot aan, maar wat doe je er tegen? Ze zijn nogal intimiderend.

Na het incident sloten ze zich steeds op in hun eigen kamers, waar ze met elkaar plannen gingen bekokstoven om de andere groep te grazen te nemen. En maar keihard muziek draaien. Niet alleen omdat de muziek blijkbaar zo gedraaid moet worden, maar ook omdat ze allemaal hartstikke hardhorend zijn. Daar helpt zelfs geen gehoorapparaat of implantaat meer tegen.

Beide groepen proberen hun territorium te verdedigen en uit te breiden. De hardrockers zitten vooral in de kantine, de gabbers in het restaurant. Ze proberen allebei de gemeenschappelijke ruimte over te nemen. Maar in alle ruimtes verzieken ze het voor elkaar en voor de anderen. Steeds weer draaien ze hun eigen muziek, zo hard mogelijk, via de speakers. Soms zet de andere partij hun eigen apparatuur neer om daar tegenin te gaan. Dat is pas herrie, twee van die harde muziekstromingen door elkaar heen.

Dat ze steeds meer hun eigen kleding zijn gaan dragen, was tot daar aan toe. Leren jacks en zwarte vale t-shirts voor de rockers en Australian trainingspakken voor de gabbers, als zij dat zo graag willen is dat natuurlijk prima. Maar dat ze de feestcommissie hebben opgeblazen omdat ze het nergens over eens konden worden, en dat ze het voor elkaar hebben gekregen dat er helemaal geen muziek meer wordt gedraaid in het winkeltje en bij de kapper, dat is natuurlijk te gek voor woorden.

Het is zo’n nare streek voor de mensen die van andere soorten muziek houden! Wij mogen nu ook niet meer een liedje aanvragen. Die gangen zijn al zo stil, zonder een lekker deuntje op de achtergrond is het alleen maar erger.

Gelukkig heeft de directie een oplossing gevonden. Het leegstaande abattoir naast ons gebouw is volledig geluidsdicht. Daar mogen die herriemakers lekker tekeer gaan, om de beurt een heel weekend. En dat ze er flink bij zuipen en pillen poppen, maakt niemand wat uit. Het is wel ongezond, maar ja. Iedereen moet toch ergens aan doodgaan, niet? Per slot van rekening zijn we allemaal bijna aan de beurt.

Toch had ik me iets anders voorgesteld van het leven in een bejaardentehuis in het jaar 2050.

Geplaatst op Geef een reactie

Uit

Ik heb alle boeken al gelezen in deze dorpsbibliotheek. Nou ja, niet echt álle boeken: de damesromans laat ik natuurlijk staan. En van wetenschap en horror hou ik ook niet zo. Kinderboeken vond ik al niet meer leuk vanaf mijn twaalfde. Ik bedoel dat ik alle échte boeken gelezen heb, de literaire werken. En een paar thrillers, als een soort bonbon na een uitgebreid diner met zeven gangen, makkelijk verteerbare zoetigheid om af te sluiten. Ik ben gewoon alfabetisch begonnen met lezen en heb lekker doorgelezen tot de Z. En nu zijn de boeken op.

Tijdens de tweede week dat ik hier kwam, keek de dame achter de balie me regelmatig een beetje vreemd aan. Ik kom natuurlijk elke dag op dezelfde tijd binnen, en ga elke dag even laat weg. En ik heb een broodtrommel met mijn eigen boterhammen bij me, die mijn vrouw elke ochtend persoonlijk onder mijn snelbinders doet. Nu is de bibliothecaresse aan me gewend. Ze groet me, maar stelt geen vragen, precies zoals ik het graag wilde. Want wat zou ik kunnen vertellen? Ik wil haar helemaal niets vertellen. Ik vind het wel fijn dat ze nu zó aan me gewend is dat ze me mijn brood binnen laat eten als het regent, maar ik ga niet uit dank voor die gunst mijn ziel aan haar blootleggen. Als ik die heb natuurlijk, haha, een ziel.

De laatste dagen lees ik alle tijdschriften en kranten die ze hier binnenkrijgen. Het zijn er niet genoeg om me de hele dag bezig te houden, ook al maak ik alle kruiswoordpuzzels en andere raadsels die er in staan. Op een apart papiertje natuurlijk, anders kijkt de bibliothecaresse boos, ook al leest niemand behalve ik hier de krant. Er kwam deze week ook een stapeltje nieuwe boeken binnen, maar daar zat niet veel soeps bij. Ze hebben natuurlijk weinig budget bij zo’n klein bibliotheekje. De dame zag vast de teleurstelling op mijn gezicht toen ik de nieuwe boeken bekeek.

‘In de bibliotheek in X hebben ze een véél uitgebreidere selectie,’ zei ze. Ik schudde mijn hoofd maar zei niets. Ik kon haar moeilijk vertellen dat ik in X woon, en dat ik gewoon niet herkend wil worden door iemand.

Ik sta voor de boekenkast met damesromans. Misschien moet ik er toch daar maar een van gaan lezen. Het kan natuurlijk meevallen, met het niveau. Een paar zinnen later zet ik het boek weer terug. Het valt niet mee. Het valt zelfs tegen.

De regen slaat tegen de ramen. Ik weet dat ik weer drijfnat ben als ik thuiskom, ook al is het maar een kwartier fietsen. Ik weet dat mijn vrouw me dan weer vraagt hoe mijn dag was geweest. Ik weet dat ik dan weer ga liegen. Misschien moet ik haar toch maar de waarheid vertellen. Dat ik vorig jaar ontslagen ben maar haar dat niet durfde te vertellen en dat ik daarom elke dag naar een bibliotheek fiets in een dorp waar niemand me kent. Maar ik denk niet dat ik het durf. Ergens hoop ik zelfs dat ik het haar niet hoef te vertellen, nooit. Ik hoop stiekem op een vlugge hartaanval, een automobilist die door rood licht rijdt, een blikseminslag als ik door de polder fiets. Maar daar voel ik me ook schuldig over, over dat denken. Misschien gebeurt er iets anders zodat ik nooit dat moment hoef aan te gaan, het moment dat ik mijn vrouw zó teleurstel dat ze vast bij me weg gaat. Dat ze niet meer naast me in bed wil liggen, omdat ze van mij en mijn leugens walgt. Ik had het moeten vertellen toen ik ontslagen werd, met die mooie gouden handdruk na al mijn jaren trouwe dienst. Maar ik kreeg het toen gewoon niet over mijn lippen.

Ik kijk naar de regen. Morgen doe ik het. Morgen haal ik de broodtrommel van de bagagedrager af en kijk ik mijn vrouw aan. En dan vertel ik het. En misschien vergeeft ze het me wel.

 

Geplaatst op Geef een reactie

Oppennen

‘Heeft er iemand een pen? Heb jij een pen? Jij?’

De jongen vraagt het aan iedereen. Vijftig meter achter hem staat een rij met ME-ers voor de flat aan de Weesperstraat waar we net uit gejaagd zijn. Achter de agenten liggen de kapotte koelkasten, tv’s en de lege bierkratten die sommige dronkelappen van de balkons hadden gegooid. Ik deed dat soort asociale dingen niet. Ik heb op zoek naar drank wel de koelkast geopend waarop stond: ‘niet openmaken! Niet voor het flatfeest!’ maar die speciale Belgische biertjes die ik daar vond, heb ik wel eerlijk uitgedeeld.

We staan nu met honderd mensen van een afstandje te kijken naar de politie en de flat. Misschien gebeurt er nog iets interessants.

Twee van mijn vrienden kijken me aan als de penvrager bij ons is aangekomen. Ik heb net die dag een mooie Parker vulpen gekocht, omdat ik graag meer wil schrijven. Ik hoop dat mooi gereedschap me daartoe aanzet. De jongen ziet mijn vrienden kijken, kijkt me dan ook aan.

‘Heb jij een pen?’

Aarzelend haal ik het hoesje tevoorschijn, doe hem open, pak de vulpen.

Hij pakt hem aan. Dan pas zie ik de lege blik in zijn ogen.

‘Waar heb je hem voor nodig?’ vraag ik, maar hij rent al weg.

‘Geef je hem zo terug?’ roep ik nog. Dan zie ik hem recht op de ME-ers afrennen, arm met pen in de lucht.

De Me-ers zetten zich even schrap, hoewel dat niet echt nodig is, dan vangen ze hem op met schilden en knuppels. Binnen twee tellen ligt de jongen op zijn buik, binnen drie tellen wordt hij het arrestantenbusje in gesmeten.

‘Geef je pen dan ook niet,’ zegt een van de vrienden die naar me gekeken had.

En ik denk dat het een bericht is van hogere machten. Dat ik niet zo raar moet zijn te denken dat ik schrijver kan worden.

Geplaatst op Geef een reactie

Klinkerkleptomane

De jonge dame fietst aan de andere kant van de opgebroken weg over de stoep, iets voor mij. Zij stopt als ze de weg weer op kan, ik slalom net langs wat oude meubels die tevergeefs op de vuilniswagen staan te wachten.

Zij bukt en kijkt naar iets. Dan strekt ze haar arm uit en tilt een straatsteen op, een zware bakstenen klinker. Ze bekijkt hem aandachtig van alle kanten tot ze haar voeten weer op de trappers zet en door fietst. Eén hand houdt de klinker vast, rustend op het midden van haar stuur.

Ik fiets iets sneller om naast haar te komen.

‘Dat is vast een heel erg bijzondere steen,’ zeg ik tegen haar.

Ze kijkt naar de steen alsof ze hem nooit eerder gezien heeft, aarzelt.

‘Eh, nee,’ zegt ze, en ze laat even, tijdens het fietsen, de steen aan me zien. Ik kijk goed maar kan er niets bijzonder aan ontdekken.

Dan laat ze de steen weer op het midden van haar stuur rusten en versnelt.

Ik laat haar gaan.

Geplaatst op Geef een reactie

We noemen hem Claus

Beatrix is dood. Niet die in het paleis natuurlijk, maar die van ons. Deze cyperse schoonheid hield in onze kroeg al jaren de muizen buiten, en de gasten binnen.
Misschien schrok je, als Beatrix voor de eerste keer vanuit het donker onder de tafel op schoot sprong. Maar als je haar dan aaide en zij zich tevreden spinnend op schoot nestelde, moest je wel van haar houden. En nu is ze overleden. Het gebeurde voor het terras. Zij rende ineens over straat, de marktkoopman reedt ineens achteruit. Als het nou middag was geweest, en zijn kar beladen was met lége kistjes… misschien was ze dan niet verpletterd.

Ze lag in een wijnkistje bij mij thuis, want een dode kat bewaren in een kroeg zou niet hygiënisch zijn, en we hadden al een plekje uitgekozen waar we haar gingen begraven (in de plantenbak tegenover ons terras. Niet verder vertellen, anders krijgen we daar een boete voor). Wij zaten allemaal een beetje sip in de kroeg, dachten het koppie van Beatrix te zien, maar dat was een prop papier. We voelden haar staart zachtjes langs onze benen strelen, maar dat bleek de tocht. En Marja vertelde zelfs dat ze Beatrix op haar schoot voelde liggen, en dat ze gedachteloos wilde gaan aaien toen ze zich realiseerde dat Beatrix daar niet kón liggen. Dat ze het gemis voelde, niet de kat.

Toen kwam hij binnen, groot, rood en arrogant, één dag na de dood van Beatrix. Hij keek om zich heen, leek tevreden over wat hij zag, liep rond de bar, snuffelde aan de benen van Marja, die zich rot schrok omdat ze hem niet aan had zien komen, gaf een kopje aan de eigenaar en ging toen bovenop de bar liggen alsof hij daar al jaren lag. Ik liep naar hem toe, krabbelde hem achter zijn oren en controleerde of hij misschien een halsband om had. Geen halsband. Ook waar de chip zou kunnen zitten, voel ik niets. Ik deed een stap naar achteren en keek naar de kat. Hij keek op met een blik die leek te zeggen: je aaide me. Doe dat nog eens. Ik aaide hem verder totdat er iemand koffie nodig had.

Hij bleef tot het eind van de dag, en ging toen niet naar huis om te eten. We wilden hem de brokjes van Beatrix geven, maar dat mocht niet van de eigenaar. Die zei dat er vast ergens een klein kindje op zijn huisdier zat te wachten, helemaal ongerust. Dus wij zetten de kat buiten, met een beetje pijn in ons hart, en gingen naar huis. De volgende dag kwam hij gapend onder de stapel stoelen vandaan gekropen, hopte naar binnen met de eerste dienst, en bleef weer de hele dag. Nu kreeg hij wel brokjes. De eigenaar ging zelf in de buurt kijken of er briefjes hingen voor deze grote rode kater. Nergens. Hij hing zelf een paar briefjes in de buurt op, met een kleurenfoto van onze bezoeker.  Niemand reageerde op zijn briefjes, en op een gegeven moment dachten we er niet meer over na. De rooie hoorde gewoon bij de kroeg.

Een maand later kwam er een jongetje langs, hand in hand met zijn vader. Hij wees op onze rode kater die lag te slapen op een stoel, lekker in de zon en uit de wind. ‘Dat is Timmie!’ riep het jongetje, en met uitgestrekte armen liep hij op onze rooie af om hem op te pakken. Timmie werd meteen wakker, sprong op en zoefde de kroeg in, achter de bar, tussen de vaten bier, en kwam er niet meer tussen uit. Toen sprak de eigenaar met de vader, en de vader met het jongetje. Ze keken nog even of Timmie tussen de vaten vandaan wilde komen, maar dat vertikte hij. De vader kreeg een biertje, de jongen een ijsje, en even later vertrokken ze weer. Zonder kat.

De kat heet nu Claus. En Claus blijft bij ons in de kroeg, om de muizen buiten te houden, en de gasten binnen.