Geplaatst op Geef een reactie

OBJECT

Misschien is in het OBJECT wel de oplossing voor alle ziektes te vinden, ook hoe je kanker kan genezen. Bijvoorbeeld de kanker die in mijn ingewanden woedt en die voelt alsof ik van binnenuit wordt opgevroten door kevertjes met scherpe kaken. Ik kijk naar mijn beeldschermen en door het raampje aan de voorkant van mijn kleine ruimteschip. Ik zie het OBJECT nog niet in het echt, maar wel op het scherm. Het is langgerekt, rechthoekig, volledig zwart, helemaal glad, en duidelijk niet zomaar ontstaan ergens in het universum, maar gemaakt door denkende wezens, en niet door mensen.

‘Alleen kankerlijers krijgen wat ze willen, omdat ze het pakken,’ zei mijn vader ooit. Hagenees, dus hij gebruikte dat vervelende woord gewoon, ook al vond mijn moeder (uit Haarlem en dus een stuk beschaafder) het niks. Maar ze was er niet bij die dag, dus hij zei het. Toen haalde ik mijn schouders op, vond hem bot en lomp, maar een paar maanden geleden heb ik hem opgebeld om te zeggen dat hij gelijk had. Hij moest lachen en toen moest hij huilen en toen werd hij stil.

Vanaf mijn achtste wist ik al wat ik wilde worden, later, als ik groot was. Astronaut. Dat was een schattige opmerking op die leeftijd, op mijn twaalfde was dat lastig omdat ik per sé naar het atheneum wilde, terwijl ik een havo advies had gekregen. Met veel moeite kreeg mijn vader me op een gedeelde havo-vwo brugklas, waar ik door me helemaal de tering te werken, bij de vijf beste leerlingen hoorde en daarom het vwo mocht doen. Astronaut worden, dat was niet gewoon mijn droom, of mijn fantasie, het is gewoon wie ik ben. Alleen was ik heel lang nog niet een astronaut in een ruimteschip, maar iemand die op weg was om astronaut te zijn. Een beetje net als mijn jongere broer, die al vanaf zijn derde zei dat hij keeper was. Hij wilde geen keeper worden, hij wilde geen keeper zijn, hij wás het gewoon. Toen hij op zijn zesde mee mocht doen bij de keepertjes op de vereniging, en ik hem daar naar ballen zag duiken alsof het de normaalste zaak van de wereld was, toen wist ik dat hij gelijk had. We begrepen ineens ook allemaal waarom die kleine mafkees altijd en overal naar de grond dook, op de vloer ging liggen, slidings maakte op allerlei ongewenste momenten en locaties, in supermarkten, op bezoek bij oma, in de trein, op straat. Hij was gewoon een keeper. Is hij nog steeds, in het eerste van de vereniging waar ik ook altijd voetbalde. Ik zat in het tweede, ik voetbalde omdat het leuk is en omdat een astronaut natuurlijk een geweldige conditie moet hebben. En als het eerste speelde, ging ik kijken naar mijn broer, tenzij ik net heel ver weg was voor mijn astronautenopleiding. Want dat ben ik gaan doen, na een hele lange tijd.

Na het VWO ben ik in Leiden natuur- en sterrenkunde gaan studeren, en dáárna nog medische biologie. Twee studies afgerond dus, want nogal wat is voor een lefgozertje uit Scheveningen. Een master gedaan in psychologie, en gepromoveerd in een onderwerp dat met al mijn studies te maken had: de psychologische effecten van langdurige ruimtereizen op mensen. Er was niet heel veel onderzoek over gedaan, maar ik las alles, belde en mailde met onderzoekers, sprak zoveel mogelijk astronauten en mensen die zich als test subject lang hadden laten opsluiten. Ik ging op bezoek bij wetenschappers in Antarctica, een heel jaar lang en kreeg daar uiteindelijk te horen dat het zwaarste aan hun verblijf daar was dat ze constant mijn irritante vragen moesten beantwoorden. En nu ben ik Dr.

Tijdens al mijn studies meldde ik me steeds weer aan voor astronautenprogramma’s van de ESA. Eerst werd ik nog veel te licht bevonden, maar tijdens mijn promotieonderzoek kwam ik in de voorselectie en mocht ik testen. Afgewezen, de eerste keer. Dat deed zeer. Ik dacht dat ik er al was. Nog pijnlijker was het dat ik een van mijn lichtingsgenoten al binnen twee jaar een korte reis zag maken, naar het ruimtestation. Maar de keer erna werd ik aangenomen, en was ik de gelukkigste man op de planeet.

Ik kwam goed door alle onderzoeken, fysiek en mentaal. Ik wist hoe ik me moest voorbereiden, en had dat dus ook perfect gedaan. De programma’s waren zwaar, maar geweldig om te doen, zeker ook omdat ik in een groep enorm gemotiveerde briljante mensen terecht kwam, die elkaar hielpen om beter te worden in plaats van dat ze elkaar vliegen probeerden af te vangen. Dat was een verademing na de universiteit. En toen was ik er klaar voor, op een dag. Ergens, over anderhalf jaar, zou mijn reis naar het ruimtestation zijn, waar ik onderzoek zou gaan doen naar de psychische effecten van een lang verblijf in de ruimte, niet alleen bij de ESA-astronauten maar ook de Russen en de Amerikanen.

En toen kreeg ik pijn in mijn buik, en negeerde ik het want ik ben geen watje, maar het werd erger en ik liet me onderzoeken. Darmkanker, uitgezaaid naar lever en nieren. Dodelijk. Als een oncoloog direct begint te praten over goede palliatieve zorg, waarbij je alles zelf in de hand houdt, en waar ze ervoor kunnen zorgen dat je zo min mogelijk pijn hebt, dan weet je dat ze je al compleet hebben opgegeven. Dat was even slikken. En toen ik me realiseerde, twee seconden later, dat dat ook betekende dat ik nooit in een raket naar de ruimte zou gaan, werd ik verdrietig, heel erg verdrietig.

Ik heb het de arts niet verteld, dat mijn naderende dood me niet het meest verdrietig maakte, maar wel het feit dat ik geen astronaut kon zijn. Dat alles wat ik had gedaan in mijn leven ineens zinloos was, elke inspanning die ik had geleverd, de dingen die ik me heb ontzegd; vrienden, vriendinnetjes, tijd voor hobby’s. Alles wat ik deed, was met in mijn achterhoofd dat ik astronaut zou worden. En dat was voorbij, dacht ik op dat moment. Maar ik zit hier nu wel, in het haastig in elkaar gezette ruimteschip, gemaakt door wetenschappers en technici van de hele wereld: meer dan zestig landen hadden een bijdrage geleverd aan deze wetenschappelijke missie, en ik was de kapitein en gelijk ook de hele bemanning.

Na de uitslag van het onderzoek besloot ik om afscheid te nemen van mijn collega’s, wat mooi en liefdevol was. Ik dacht even dat ze me vies zouden vinden door die indringers in mijn buik, bang om me aan te raken, onbewust denkend dat de monsters misschien op hen over konden springen, maar dat waren ze niet: ze hielden me vast en huilden met me. En ik dacht erover na om daar nog een rapport over te schrijven, dat uitgebalanceerde mensen, die emoties kunnen hebben en deze durven te laten zien, dat die het meest geschikt zijn voor lange ruimtemissies, meer dan mensen die hun emoties proberen te verbergen, te onderdrukken. Maar ik vond er de kracht niet meer voor om nog iets zinnigs met mijn leven te doen, de weken erna. Ik ging niks doen, gek genoeg, wandelen, op een bank zitten en naar een bos kijken, lange wandelingen maken in de natuur.

In die stilte vonden ze me, anderhalve maand nadat ik afscheid had genomen. Ik had geen telefoon bij me tijdens mijn wandeling in de Ardennen, had niet het idee dat iemand me wilde bellen en wilde ook zelf met niemand contact. Ze vonden me daar en ze namen me mee naar de VS, waar ze me een missie wilden geven. Ze vertelden me niets meer dan dat het topgeheim was, maar dat ik wel de ruimte in zou gaan, en ik begreep meteen dat het een missie was zonder terugkeermogelijkheden en dat vond ik prima en ik ging mee.

Het was heel erg vreemd om al mijn collega’s weer te zien, die me vrolijk begroetten maar ook een beetje gereserveerd soms. Ze hadden het er met elkaar over gehad, blijkbaar, en iedereen vond dat ik het moest doen, dat ik de enige gekwalificeerde kandidaat was.

Langzaam nadert mijn ruimteschip het OBJECT, en tegelijk ga ik knetterhard: een paar duizend kilometer per uur. Maar het OBJECT waar ik naartoe ga, gaat bijna even hard, dus het verschil wordt alleen maar een heel klein beetje minder elk uur. Over een dag moet ik er dichtbij genoeg zijn om het te kunnen aanraken, vangen, aantikken, wat er ook mogelijk is. De wetenschappers wisten niks van het OBJECT, behalve dat het gemaakt moest zijn, en niet door mensen. Ik moest zelf maar uitzoeken hoe ik het moest benaderen. Dat was de voornaamste reden dat ze een mens stuurden naar dit vreemde ding. Van een afstandje beslissingen nemen, werkte vertragend. Ik ben zo ver weg van de aarde dat elk bericht er een minuut of vijf over duurt voordat het mij bereikt en terugsturen duurt even lang. Als er iets onverwachts gebeurt, is elke beslissing tien minuten te laat. Ik kan snel reageren op alles, en als het nodig is kan ik de slimste mensen van de aarde laten helpen.

Ze stelden een team samen om me te begeleiden, een bioloog, een natuurkundige, een ruimtevaartpiloot, twee technische mensen, een arts en een psycholoog natuurlijk, een oude bekende van me, een ex zelfs. Gek dat ze juist haar erbij hadden gehaald. Je zou denken dat het handiger was om een team samen te stellen van mensen die niks voor me voelden of gevoeld hadden, omdat ze me richting een zekere dood gingen sturen. Maar daar was ze dan, Stacey, de Amerikaanse vrouw ik tegenkwam tijdens mijn promotie op de Duke University en waar ik een paar maanden mee scharrelde, totdat ik klaar was met mijn onderzoek en naar Nederland terug ging. We wilde niet voor elkaar verhuizen, zodat de relatie daarna snel dood bloedde, de relatie. Stacey zei niet zo veel tijdens de training, en dat was ook niet de bedoeling.Ik moest heel veel dingen leren over alle software die was aangepast voor dit geïmproviseerde ruimteschip: een unit die eigenlijk een uitbreiding van de ISS had moeten worden, maar die werd aangepast om mij een enigszins leefbaar maar vooral veilig verblijf te bezorgen op mijn reis van twee weken naar het OBJECT. Met drie Amerikaanse raketten, twee Europese, een uit India en drie uit China werd alles de ruimte in gebracht, en mij stuurden ze later op een Russische raket er achteraan. Bij de ISS werd alles in elkaar gezet, schroefden ze de raket er aan vast die me het laatste stuk uit de aardse zwaartekracht zou schieten. Zij was er bij op de aarde als ik met de rest van het team sprak over de technische details, over welke apparatuur ik mee kreeg om betrouwbare metingen te doen over het OBJECT. Ze maakte aantekeningen, vooral als ik grapjes maakte of cynisch deed, maar ze vroeg niks en ze zei niks. Ik vroeg haar ook niks, had het te druk.

Ik slurp een tube leeg. Appelmoes, smaakt als een van de weinige dingen uit een tube hetzelfde als op aarde. Heel veel andere maaltijden krijg ik binnen als een babyprutje, te zacht van textuur, zodat ik blij ben als ik iets proef wat vertrouwd binnenkomt.

 

Elk uur laat ik foto’s maken van het OBJECT, elke keer kijk ik of ik al iets anders kan zien dan dat het een rechthoekige vage blob is. Het begint ergens op te lijken: het is inderdaad rechthoekig, en er zitten geen uitsteeksels of inkepingen aan, en de kleur is zwart. Ik ben benieuwd of het inderdaad glad is, en hoekig.

Eén gedachte kwam steeds weer naar boven vanaf het moment dat ik hoorde dat het OBJECT glad, zwart en rechthoekig was. Stel je voor dat de Kaaba, in Mekka, het broertje is van dit OBJECT. Als dat ook een mysterieus zwart glimmend rechthoekig object is, het waard om vereerd te worden, dan passen die twee misschien wel bij elkaar. Stel dat aliens overal in het universum zijn, of zijn geweest en dat ze overal waar er levende wezens zijn twee OBJECTEN achterlaten, één op een plek waar niet veel verandert, zoals een woestijn zonder al te veel tektonische bewegingen, en één in een baan rond de planeet waar de levensvormen zijn. En dat ze dan wachten tot de levensvorm het tweede object waarneemt, opzoekt, beetpakt en naar de planeet brengt omdat het lijkt op twee puzzelstukjes die bij elkaar geplaatst moeten worden. En dan gebeurt er iets. Misschien worden die twee losse stukken samen een poort naar de rest van het universum. Misschien wordt er informatie zichtbaar, te ontcijferen door slimme wiskundigen en taalkundigen, die alle geheimen van het universum prijs zo kunnen ontrafelen. Misschien wordt het een baken, gaan er signalen uit en worden we bezocht door de makers van de OBJECTEN. Of misschien is het samenbrengen van die twee genoeg om een zwart gat te laten ontstaan, waar de aarde door wordt verzwolgen. Doen aliens dat om mogelijke concurrenten voor grondstoffen en energie in het universum uit te schakelen voordat ze echte ruimtevaart ontwikkelen.

Ik heb verschillende soorten pijnstillers tegen de pijn in mijn buik, die langzaam erger wordt. Ze zorgden goed voor me, die artsen. Toch kan ik niet te veel van de zwaarste categorie nemen, omdat ik heel graag zo scherp mogelijk wil zijn voordat ik bij het OBJECT kom. Nog een paar uur, geleid door de automatische piloot, en dan ben ik er dichtbij genoeg om af te remmen en contact te maken. Ik kan het nu zien, groot, zwart, perfect glad, glimmend. Het is nog een wonder dat we het hebben gezien vanaf de aarde. Het is best groot, bijna honderd meter lang, maar het is zo donker dat het nauwelijks opvalt. Het gebrek aan sterren waar het OBJECT zich bevindt, is bijna duidelijker dan het ding zelf.

Elke zestien jaar komt het in de buurt van de aarde, kreeg ik te horen bij mijn eerste briefing. Elke zestien jaar komt het eventjes zó dichtbij dat we er met een ruimteschip naar toe kunnen vliegen, de rest van de tijd zit het buiten het zonnestelsel. Het draait geen rondje in het vlak van de planeten, het staat er haaks op, duikt vanaf de duistere diepte aan de ene kant van het zonnestelsel even het licht in en schiet daarna weer verder, de duisternis aan de andere kant in. De uiterste punten van de reis van het OBJECT liggen even ver als de Oort-wolk. Ik heb zin om me aan het ding vast te maken en mee te vliegen naar de Oort-wolk, om ‘Boldly go where no man has gone before’ maar ik wil ook niet het OBJECT van gewicht laten veranderen zodat het misschien een route krijgt die het ooit keihard op aarde laat landen. Ik wil geen derde grote Extinction Event veroorzaken.

Ik heb een pil meegekregen, een pil die alle astronauten ontvangen als ze in een ruimteschip stappen. Een pil waarmee ik in een korte tijd, op een relatief zachte manier afscheid kan nemen van het leven. Wel gek dat ik in een klein doosje een dodelijk middel bij me heb, terwijl ik een dodelijk monster in mijn ingewanden heb zitten dat me van binnen opvreet en dat terwijl er op een halve meter afstand van mij de Grote Leegte is, waar ik binnen een bijzonder korte tijd sterf als ik er zonder bescherming in terecht kom. Overal dood om me heen dus, buiten, van binnen en in mijn hand in een klein blauw doosje. Ik ben benieuwd hoe de pil werkt, hoe het gaat als ik hem neem. Ik kan me niet voorstellen dat ze hem vaak hebben uitgeprobeerd op mensen, zou een beetje lullig zijn. Misschien hebben ze het ooit een aap gegeven, slikte hij de pil, verborgen in een stukje banaan, zo in, ging hij liggen met een vredige glimlach op zijn gezicht en stierf hij toen. Misschien kwam hij eerst in gedachten wel in het paradijs terecht, vol met fruitbomen en gewillige andere aapjes en ging hij toen het hoekje om. Zou wel mooi zijn, om het gevoel te hebben dat je in het paradijs terecht komt voordat je dood gaat. Ik kijk nog één keer naar het doosje en leg hem dan weer in het kastje onder de console. Af en toe check ik of hij er is, en dat is raar, want er is niemand die hem kan afpikken en op zijn eigen houtje aan de wandel gaan is ook onwaarschijnlijk.

Er is niks op het OBJECT te zien. Perfect glad, vertellen de camera’s mij van deze afstand. Ik moet zeggen dat ik wel een beetje teleurgesteld ben. In mij zit een nieuwsgierige puber die graag gave alienteksten had gezien, die dan een prachtige uitdaging waren voor een team geleerden, taalkundigen, wiskundigen en biologen die dan jaren lang moesten ploeteren om de taal te ontcijferen. Nu is het OBJECT tegelijk eenvoudiger én ingewikkelder. Wat is de bedoeling van het ding? Is het een database, een soort back-up van een samenleving die ooit verdwenen is en zijn herinneringen de ruimte in heeft geschoten, in de hoop dat er ooit iemand zou zijn die het kon openen en lezen? Is het een onderdeel van een ruimteschip, een soort galactische versie van een remschijf, per ongeluk achtergelaten door een team alien-astronauten die achterom keken, het OBJECT zagen en dachten: daar gaan we niet voor in zijn achteruit? Is het een grap van kosmische omvang? Zitten er aliens in een ruimteschip een stukje verderop achter een planetoïde te wachten tot iemand zoals ik er naartoe vliegt, zeggen ze zo meteen de intergalactische versie van ‘kiekeboe’. Is het een test? Mogen samenlevingen die dit OBJECT bereiken meedoen aan de grote overlegorganen van de ‘ruimtevarende wezens’-federatie? Alles kan.

Mijn buik doet elke dag meer zeer, een groeiende brand woedt in mijn ingewanden, vlammen likken mijn longen van binnenuit, kevers krioelen in mijn darmen, proberen zich een weg naar buiten te banen. Ik heb het ze gevraagd, de artsen, hoeveel pijn het zou doen, maar ze wilden niet meer vertellen dan dat iedere mens een andere pijngrens heeft en dat er goede pijnmedicatie was tegenwoordig en meer van dat soort blabla. De mensen die in de wachtkamer zaten met mij, met hun dunne armen, hun bleke gezichten en met hun kale chemokoppen, glimlachten en zwegen als ik het ze vroeg. Een ervan aaide me over mijn hoofd toen ze de spreekkamer van de oncoloog verliet, een fragiel meisje van niet meer van 15 jaar. Ik neem een iets hogere dosis normale pijnstillers, maximaal tot aan wat het medische team me had aangeraden. De grens daarvan is bereikt. De zware pillen wachten en daarna het kleine doosje. Ik ben in ieder geval de baas over deze situatie, dat is positief. Of in ieder geval: ik ben de baas over de beslissingen.

Ik kan het nu ook zien in het raampje: het OBJECT is lang, ruim 78 meter, vijftien meter breed ongeveer en even diep. Glimmend zwartig, met een zweem erin, een andere kleur, niet perfect zwart. Welke kleur erbij zit weet ik niet. De zon verlicht alles goed, we zitten op dezelfde afstand ongeveer als de aarde is van de zon, maar ik weet niet of het glas waar ik doorheen kijk of iets anders de zichtbare kleur beïnvloed. Ik kijk ernaar terwijl mijn kleine ruimtehuisje rustig doorzweeft door het niets, langzaam het OBJECT inhalend.

Teruggaan is onmogelijk. Daar heb ik voor getekend. Daar heb ik heel veel papieren voor getekend. Ik ga hier dood, in dit huisje, of misschien ga ik dood zwevend in de ruimte, in het ruimtepak dat ik mee heb. Ik moet er nog over nadenken wat ik de mooiste dood vind. Eerst nog maar even een stukje leven en de mensheid helpen het grootste mysterie aller tijden te helpen oplossen.

Ik heb het ruimteschip gedraaid en de koepel van het grote raam geopend. Ik zit op vijftig meter afstand van het OBJECT en ik kijk er naar. De zweem lijkt een soort paarsig zwartrood te zijn. Ik heb het gecheckt met de aarde en die lieten weten dat het glas in principe geen grote kleurverandering zou moeten opleveren, en dat de camera’s dezelfde kleuren zien. Ik kijk naar het OBJECT en ik kijk ernaar, doe even niets anders dan dat. Ik val zelfs in slaap, en word wakker, kijkend naar het ding. Het is nog steeds even ver als voordat ik in slaap viel, zo’n anderhalf uur geleden. De automatische piloot houd me op de juiste plek en dat is fijn.

Geen radioactieve straling of andere warmte straalt er vanuit het OBJECT. Geen energiebron van binnen dus, of een energiebron die leeg is. Het OBJECT is verder niet massief en niet hol, maar mijn apparatuur kan niet onderscheiden wat er in zit. Misschien is de buitenkant te dik. Ik vraag en krijg toestemming, en dan ga ik iets dichterbij, tot twintig meter.

Ik kijk door het grote raam naar het koude levenloze ding, vraag me af of er ooit leven in had gezeten, of iets levends het ooit had aangeraakt of dat het misschien een mechanisch ding was door robots gebouwd lichtjaren verwijderd van de wezens die ooit de robots hadden ontworpen en op pad gestuurd.

Een dag en een nacht zijn alle apparaten bezig om metingen te verrichten, data te verzamelen. Het gewicht is precies gemeten. Het OBJECT was waarschijnlijk voor een deel hol. Zou geinig zijn als ik er in kon klimmen, om daar te gaan liggen en te sterven, in de meest sjieke doodskist aller tijden. Nog geiniger als dan pas over een paar honderd jaar het OBJECT weer door mensen gevonden wordt, na een wereldoorlog ofzo, en dat iedereen dan superverbaasd is dat er een mens in een alien-ding zit. Maar misschien moet ik maar even niet nadenken over practical jokes. Tijd voor een uitstapje.

Ik doe het pak aan, ga in het minuscule sluisje staan waar ik maar net in pas, doe het deurtje achter me dicht, wacht. En dan doe ik de deur open en duw mezelf uiterst voorzichtig naar buiten. Geen enkele mens heeft ooit een wandeling in de ruimte gemaakt, zo ver als ik nu ben. Dat is wel heel erg geweldig. Godverdomme, ik had dit nooit verwacht. Het voelt alsof ik er nu écht ben, alsof ik nu pas een officiële astronaut ben! Dat had ik toch moeten voelen in het ruimteschip? Misschien is dat het effect van zweven vlak buiten mijn kleine ruimtehuisje, in het absolute niets. Ik zweef verder, doe mijn vizier naar beneden en kijk even naar de zon, heel klein en heel ver weg. Ik kan de aarde niet zien, kijk op mijn armcomputer, reken het uit, draai en kijk dan nogmaals en daar zie ik het, een klein lichtblauw stipje, waar iedereen is waar ik van hou. En het is ook de plek waar op dit moment duizenden mensen, misschien wel miljoenen, zitten te wachten tot ik iets nuttigs ga doen met mijn tijd. Ik draai me weer om en kijk naar het OBJECT. Van zo dichtbij is het erg groot. Langzaam maar zeker laat ik mezelf de kant van het OBJECT op duwen door de kleine jetpack die aan mijn pak is vastgemaakt. Elke vijf meter wacht ik, dan laat ik metingen verrichten. Geen straling, geen giftige stoffen, geen biologische of andere gevaren, voor zover de apparaten het kunnen zien. En elke keer wacht ik tien minuten, tot ze het ook thuis allemaal hebben bestudeerd, de waarden die er gemeten worden.

Ik zou het nu bijna kunnen aanraken, het OBJECT, met mijn ingepakte vinger, zó dichtbij ben ik. Ik doe het nog niet, wacht weer de metingen af, en ik heb ook iets in mijn pak zitten dat mijn vinger moet vervangen, iets dat nog gevoeliger is dan de top van mijn vinger. De kop ziet er een beetje uit als een grote dildo, wat ook bij universitair geschoolde en zeer serieuze en professionele mensen nogal wat gegniffel opleverde. Ik haal mijn ding uit mijn zak en hou het tegen het OBJECT aan, zie dat het contact maakt. Meer metingen.

Een pijnscheut in mijn buik, de monsters vallen me weer aan van binnen, ik beweeg even, vervloek mezelf en de ziekte omdat zo de meting misschien verstoord is. Ik zeg het tegen thuis, wat er gebeurde, omdat ik nergens over mag en wil liegen, eigenlijk. Ik zet het ding weer tegen het OBJECT en ineens zie ik iets gebeuren, op het gladde vlak van het grote zwartige OBJECT. De zweem van roodachtig paars lijkt iets te verschuiven, te veranderen, precies in de buurt van mijn dikke meetapparaat.

Maar ik zeg het niet. Want ik weet niet of het in mijn hoofd gebeurde of in het echt. Eerst afwachten of ze het op aarde hebben gezien, of iemand van het hele team dat de meer dan 20 camera’s in de gaten houdt, in meerdere golflengtes alle data bestuderend, of die iets gezien hebben. Want misschien is de pijn mij beelden in mijn hoofd aan het geven, en zijn mijn waarnemingen onbetrouwbaar. Als dat zo is, is mijn rol hier klaar, dan zullen ze alles wat ik zeg met een korreltje zout nemen. Ik wil niet nutteloos zijn, zo vlak voor mijn einde. Ik wacht, de tijd verstrijkt, ik wacht nog even en dan nog even, maar ze zeggen er niets over. Zometeen thuis, ik bedoel: in het high tech koekblik, zelf even alle beelden naspeuren om te zien of het echt is. Misschien nemen mijn hersenen me niet twee keer in de maling. En dan hoor ik haar stem, hoor ik Stacey. Ze vraagt of ik nog iets bijzonders gezien heb. Stacey heeft verder nog geen vragen gesteld. Dit is vreemd. Ik vraag haar wat ze bedoelt, en ze legt uit dat ze zag dat ik ergens op reageerde. Ik denk er even over na. Ik zou willen dat ik het met haar kon bespreken, privé, van mens tot mens, dat ik mijn zorgen over mijn geest met haar kon delen en dat ze eerlijk kon zijn tegen me, mijn waarnemingen kon gebruiken bij het onderzoek als ik het goed gezien had en me kon troosten als het niet echt was. Ik zeg dat ik graag de volgende stap wil zetten in het onderzoek. Ze denken er even over na, zeggen ze.

Mijn broer heeft kinderen, drie zelfs. Drie wilde jongetjes die altijd bovenop me klimmen als ik er op bezoek ben. Ik ben de coole oom, en dat is logisch, want ik ben astronaut. En ik heb altijd zin en tijd om met ze te spelen als ik bij ze op bezoek ben: papa heeft het vaak te druk. Vroeger stoeide ik met ze of voetbalden we, nu pakken we de oude bordspelletjes die mijn broer en ik vroeger speelden met onze vader of moeder en gaan we monopoly of risk spelen met limonade en chips erbij. Als ik daar dan bij hun aan de keukentafel zit, in dat gezellige volle huisje, geniet ik er van en ben ik blij dat ze zo zijn, zo warm, en ik misgun mijn broer niks totdat ik weer buiten sta en naar binnen kijk en ze nog even bestudeer door het raam, van een afstandje. Dan knuffelt mijn broer zijn vrouw altijd even en ik beeld me in dat hij dan zegt dat hij het zo vervelend voor mij vindt dat ik alleen ben, dat ik niemand heb om me vast te houden en zij zegt dan vast dat ze het wel begrijpt dat vrouwen het spannend vinden om een echte relatie met me aan te gaan omdat ik zo’n veeleisend beroep heb, zo gevaarlijk. En misschien zegt hij dan wel dat hij mij begrijpt, dat hij weet wat voor eisen ik aan mezelf heb moeten stellen om te komen waar ik nu ben, en dat daar ook offers bij horen.

Godzijdank, ook op de schermen zijn ze zichtbaar, heel fragiele lijntjes die lijken te bewegen op het oppervlakte van het OBJECT, maar alleen in infrarood zijn ze zichtbaar. Helemaal gek ben ik dus niet, alleen zou ik die frequentie niet moeten kunnen zien. Zou mijn vizier iets andere frequenties door kunnen laten dan normaal licht? Ik weet het niet, maar durf nu wel te vragen naar wat ik zie op het scherm: zij zien het ook. Het antwoord komt binnen tien minuten: ze zijn er druk mee bezig.

Ik realiseer me dat die lijntjes van alles kunnen zijn, patronen in materie waar het van gemaakt is, sporen gemaakt door het fabricageproces, slijtage door het rondvliegen in de ruimte, maar ook een vastgelegde taal. Wie zegt dat geschreven teksten statisch moeten zijn, ook bewegende vormen kunnen iets vertellen, meer zelfs. Het is fijn dat een enorm team bezig is met nadenken erover.

Ze laten mij het ruimteschip dichterbij manoeuvreren, tot ik er tegenaan hang. Twee lange lussen verlaten mijn schip, cirkelen rondom het OBJECT, trekken me er vast tegen aan alsof het twee armen zijn die een lang gemiste vriend of een geliefde omhelzen. Pootjes op mijn schip zorgen ervoor dat er geen schade aan het OBJECT zou kunnen ontstaan en tegelijk meten ze of het materiaal ingedrukt wordt door de druk die we er op zetten. Het geeft niet mee, blijkbaar, ook al trekken we het strakker en strakker. Dan weten we dat ook weer.

Er is nog geen uitslag over de bewegende lijntjes in infrarood. Ik vraag er geen tweede keer naar, omdat ze anders denken dat het belangrijk voor me is. Ik zit achter een scherm, stuur beweegbare arm aan dat een scherp mesje naar het OBJECT toe brengt. Steeds dichterbij komt het bij het OBJECT. Met de camera die dicht naast het mesje zit, kijk ik naar het oppervlak van het OBJECT. Zwartig, met een roodpaarse zweem, geen bewegende lijntjes. Ik kijk naar de andere schermen, waar ik in infrarood alles kan zien, ook niks. Misschien was het toch een glitch. Ik laat het mesje steeds dichterbij komen, zet het puntje op het oppervlak, maar het geeft niet mee. Ook al is het mes van gehard staal, hoe veel druk ik er ook achter zet, er komt geen kras in het materiaal, laat staan dat ik er een stukje van af kan snijden om het te analyseren. Wel gaaf eigenlijk, dat het zo hard is. Ze hebben het mesje uitgeprobeerd op metaalsoorten, steensoorten en diamant, en overal kon het wel een kras in maken. Maar niet hierin dus. Ze hebben wel vaardigheden, die aliens.

Zou het een dataverzamelaar zijn? Is dit OBJECT een ding dat informatie verzamelt over het leven op planeten waar er een kans is dat er denkende wezens ontstaan, zelfbewuste wezens? Misschien is dit wel een soort grote camera die alles in de gaten houdt, zoals camera’s in het bos gericht kunnen zijn op een plek waar vaak wilde dieren komen. En dan ben ik als een aap die de camera in de gaten krijgt en er met zijn grote neus aan gaat zitten snuffelen. Als dat zo is, hoe lang is het OBJECT hier dan al? Tientallen miljoenen jaren misschien? Heeft het tienduizend jaar geleden gezien dat we sedentair werden en heeft het een bericht gestuurd naar zijn bouwers, die misschien op tienduizend lichtjaar leven, en weten ze pas net van onze stappen tussen jagers/verzamelaars en boeren? Of misschien hebben zijn bouwers zichzelf al honderddduizenden jaren geleden teruggetrokken in pods waar ze een leven kunnen leiden in oneindige gelukzaligheid en zijn ze niet meer geïnteresseerd in anderen, is dit OBJECT zinloos geworden.

De apparaten verwarmen het OBJECT, bekijken het met een microscoop, schijnen er licht op, laten er een klein rotje naast knallen. Niets heeft invloed op het ding. Nu is het tijd voor de laatste stap, de meest spannende stap ook voor mij en voor de mensen op aarde.

Ik sprak tot voor kort elke dag met vertraging met mijn familie, via een videoverbinding. Ik zeg wat, zij reageren erop, ik zeg iets terug. Soms gaat het net als met chatten, we voeren een paar gesprekken ongeveer gelijktijdig, reageren op iets van tien minuten geleden, horen dan iets anders van onze gesprekspartner, reageren daar gelijk op: vijf minuten later hoort de ander het pas. Het is vreemd maar wel gezellig en het zorgt ervoor dat de ergste eenzaamheid minder is. Alleen heb ik nu niet meer de kracht om deze gesprekken te voeren. De pijn doet me steeds weer ineenkrimpen, mijn gezicht verwringen en ik wil niet dat de mensen die me lief vinden, mij zien lijden. Ik wil graag dat ze denken dat ik wel pijn had, maar dat het wel ging, dat de pillen hielpen. Ik wil niet dat ze weten dat ik al twee nachten vrijwel niet geslapen heb omdat de pijn me wakker houdt. Twee keer nu heb ik zwaardere pillen genomen, om twee tot drie uur wat dieper te kunnen slapen in de slaapperiode, en ik merk dat ik er suffer van begin te worden, maar vooral ook dat ik steeds meer zin krijg om meer van die pillen te slikken, verder weg te zakken in een verdoofd bestaan met minder pijn. Maar ik wil nog wakker blijven, scherp blijven, helder blijven. Ik wil vragen kunnen stellen en beantwoorden, ik wil op hoog niveau in gesprek blijven met de mensen op aarde die dit project begeleiden. Ik besluit het tegen Stacey te vertellen en ze begrijpt het, hoopt dat ik het zo lang mogelijk vol hou voor de wetenschap maar zegt ook dat ze het begrijpt als ik er niet meer tegen kan en er tussenuit knijp. Daar hoopte ik op, dat ze dat zou zeggen.

We brengen het ruimteschip steeds dichtbij het OBJECT, het perfect gladde, keiharde OBJECT, trekken onze pootjes in zodat we nog dichterbij kunnen komen en brengen dan de dubbele ringen van rubber die aan de buitenkant van de sluis speciaal voor dit doel zijn gemonteerd, met de sluis samen naar het OBJECT toe. Als een enorme zuigzoen zuigen de ringen zich vast aan het OBJECT, een soort eerste kus voor iemand waar je van houdt maar die je al heel lang niet gezien hebt. Ik zie de metingen, lees dat het goed dicht zit, dat er geen gassen verdwijnen tussen de ringen en het oppervlak van het OBJECT. Gisteren heb ik een flinke stapel meetapparatuur in de sluis gebracht, samen met de afstandbestuurbare armpjes die hiervoor gemaakt zijn, ik zet de 3D-bril op en kijk, zie de armpjes in realtime. We gaan metingen doen aan de oppervlakte van het OBJECT, maar nu van dichtbij.

Schijtzooi. Door de pijnkrampen heb ik een van de armpjes te hard tegen de wand aangeduwd, en nu is hij verbogen. Ik kan er niet meer mee werken. Ik bied mijn excuus aan, maar iedereen zegt dat het niks uitmaakt, dat met het andere armpje ook prima te werken is. Ik accepteer het, met woorden, maar van binnen voel ik alsof ik faal, alsof ik door die kloteziekte ineens toch echt minder waard ben, minder nuttig dan een andere astronaut zou zijn. Met één armpje werk ik verder, ik breng de apparaten dichterbij het object, ze lezen en meten en registeren. Ze passen kleine beetje zuur toe en andere chemische stoffen, steeds maar een klein beetje, om te zien of ze er wat stukjes vanaf kunnen weken zodat ze erachter komen waar het nou precies van gemaakt is.

Deze nacht kon ik pas slapen na een dubbele dosis van de pijnbestrijding. Ik werd niet wakker op het geplande tijdstip, maar pas later, toen de kevers weer begonnen te knagen in mijn darmen. Ik wil meer pillen, ik wil ze de hele dag. En het doosje met de laatste pil blijft me ook roepen. Hoe lang hou ik dit nog vol?

De metingen zijn verwarrend en interessant, volgens de mensen beneden, op het kleine blauwe bolletje dat ik nauwelijks meer kan zien, zo ver ben ik al met het OBJECT mee gevlogen de diepste ruimte in. Ik kijk wel vaak die kant op, waar het moet zijn en dan stel ik de camera’s bij, zoek naar hem en check dan in het raam en zie hem op de plek waar ik hem moet zien. Of zie ik de aarde niet echt, kijk ik naar een klein stipje en vertel ik mezelf alleen maar dat het mijn thuis was?

Ik kijk om me heen in het benauwde maar ook knusse ruimteschip. Ik heb zaadjes opgekweekt in bolletjes van mijn poep en een beetje papier-maché: geen stank maar wel vruchtbare grond. De resultaten van deze onderzoekjes stuur ik ook naar de aarde, als een extra projectje. Tomatenplantjes doen het prima, overigens, onder deze omstandigheden. Hadden ze ook aan Matt Damon moeten meegeven in the Martian, was zijn dieet wat gevarieerder geweest.

Mijn onderzoeksdeel is klaar, ik durf niet eens meer voor te stellen om dingen te doen waarbij nagedacht moet worden. Ik voel dat mijn hersenen het niet meer de hele tijd goed doen, niet door de kanker maar gewoon, omdat de pijnflitsen ervoor zorgen dat ik gedachten niet langer dan een paar seconden kan vasthouden. Ik zit, eet een heel klein beetje, meer uit gewoonte dan uit noodzaak, ik drink wat. Soms kijk ik naar de plantjes die aan het opkomen zijn in mijn poep. Misschien moet ik overal in het ruimteschip plantjes laten ontkiemen, die kunnen groeien in mijn poep en resten papier, zodat als ze me over al die jaren terugvinden, een kleine groene oase is ontstaan in het ruimteschip.

En wat doe ik met mijn lichaam? Het is een vreemde gedachte. Ga ik mezelf inpakken in het buitenpak, vacuüm verpakt, zodat ze als ze me vinden, ze mijn lichaam kunnen collecteren en inclusief pak kunnen begraven? Dat zou wel vet zijn, om als astronaut te sterven en om als astronaut begraven te worden. Maar ergens heb ik geen zin om de pil te nemen en dan in het pak te kruipen en dan daarin te sterven, de gedachte benauwd me. Misschien moet ik iets anders verzinnen.

Dan krijg ik een idee, misschien ingegeven door mijn verslechterende geestelijke capaciteiten, of misschien is het juist wel geniaal. Ik neem die pil, misschien vandaag, misschien morgen, en dan film ik me terwijl ik naar het OBJECT toe kruip, en ik ga het met mijn blote handen aanraken om erachter te komen hoe het voelt. Ik film het, en als er dan iets mis gaat, als het OBJECT een mensenetend monster blijkt te zijn, dan ziet iedereen op aarde dat en zijn ze gewaarschuwd. En dan ben ik niet alleen de eerste mens die zo ver is gekomen in een ruimteschip, maar heb ik ook als eerste mens een OBJECT aangeraakt dat door aliens is gemaakt. En misschien ben ik dan ook de eerste die opgegeten wordt door een alien OBJECT. Dat is wel wat waard, als ik daarmee niet in de geschiedenisboekjes kom, naast Neil Armstrong en Einstein, dan weet ik het ook niet.

Ik bereid me voor. Ik hoef geen camera’s speciaal die kant op te richten, die staan overal en bestuderen alles. Ik voel me even heel goed, vind het een erg goed idee van mezelf. En dan bekruipt me het gevoel dat ik hier helemaal niet had willen zijn, niet zo ver weg van alle andere mensen. Ik voel dat ik veel liever in een bedje had gelegen, omringd door de paar vrienden die ik heb, mijn familie. Ineens was ik veel liever een ander mens geweest, met een gewoon leven en zonder kanker bijvoorbeeld, die nu met zijn vrouw en kinderen op de bank zat te kijken naar het verslag van deze ruimtemissie, waar een andere idioot voor gevonden was. Heel mijn leven heb ik het gevoel gehad, de wetenschap zelfs, dat je maar een tijdje bestaat, heel, heel kort, en dan verdwijn je weer in het oneindige niets. Misschien dat ik daarom altijd astronaut wilde worden, om zo vér mogelijk te komen voordat ik verdwijnen moet. Ik ben heel ver gekomen, en het niets kijkt me aan, buiten, in de ruimte, en in het doosje, in de vorm van een pil. Maar het niets vreet me ook op van binnen, als de Langoliers in het verhaal van Stephen King, monsters die het verleden opeten als de tijd voorbij is en waar je voor moet blijven wegrennen, zo lang je dat kan.

Ik heb het doosje in mijn hand en ik kijk er naar, ik kijk naar het object aan de andere kant van het kleine kijkgat in de sluis. Ik weet het even niet, en dan weer wel en dan niet. Ik zucht, iets te diep en de gloeiende kankerkevers worden weer wakker, vechten zich door mijn ingewanden naar boven en dan weet ik het zeker. Voordat ze mijn brein bereikt hebben, voordat ik mijn verstand verlies door de pijn, voor die tijd wil ik weg zijn uit mijn lichaam. Ik doe het doosje open, en gooi de pil in mijn mond. Dat gaat mis, hij gaat de verkeerde kant op, ik hoest en hoest om hem weer naar boven te krijgen want de pil zit in mijn keelgat en om nou heel stom te stikken in een zelfmoordpil is ook weer zo zuur. Ik krijg hem mijn luchtgat uit, hoest hem op, heel even kan ik nog beslissen om niet meteen dood te gaan maar dan besluit ik het toch en met een glimlach slik ik hem nu door, het juiste gat in. Ik lach hardop om de vreemde situatie en knik dan. Het is mooi geweest.

De sluis is open. Ik ben bij het OBJECT, het enorme ding waar ik nu een heel klein deel even van kan aanraken. Misschien zit ik hier wel verkeerd, zit het meest interessante deel op de kop of aan de andere kant. Geen tijd om meer uit te zoeken. En de kleine drones die we er omheen gezonden hebben, vonden ook niets anders dan dit materiaal.

Ik zweef dichterbij en dichtbij en strek mijn handen uit, verwacht dat ik gelijk vast vries, omdat het OBJECT voor een groot deel aan het oneindige universum grenst en daar is het nogal koud. Maar het voelt niet koud, net zo warm als de lucht in de sluis, en het materiaal is glad.

Ik aai het OBJECT, tik er dan tegen met een stukje metaal. Dan met een stukje hout, een opgerold stuk papier, mijn plastic pen. Elke keer klinkt het een beetje anders. Dan ruik ik er aan: geen geur. En dan steek ik mijn tong uit en lik. Het smaakt naar, naar, ja waar smaakt het naar, naar water eigenlijk. Ik kijk naar de camera’s, vertel wat ik waarneem, wacht dan. Ze ontvangen mijn bericht, stellen vragen over wat ik voel en meemaak en ik vertel het ze eerlijk. Een collega van me die ik altijd heel erg mocht vraagt of ik het ding nog even wil swaffelen, puur voor de wetenschap maar ik zie dat hij een duw krijgt van een van de andere mensen die in die ruimte zijn. Ik sla zijn aanbod af, al moet ik er wel om lachen, wat ook weer gruwelijke pijn doet.

Langzaam wordt alles mistig. Ik weet niet of het er bij hoort, bij de pil, maar ik vertel het en ik weet dat ze het zo horen. Misschien hoor ik het antwoord nog.

Dan kruip ik dichterbij het OBJECT, zet mezelf klem met mijn voeten om met mijn rug naar het ding te kunnen zitten, en blijf daar zo. Zo wil ik wel weggaan, het einde ontmoeten, met mijn rug tegen het belangrijkste OBJECT dat ooit door mensen is ontdekt. En dan realiseer ik me dat ik lieg, dat dat helemaal niet waar is, dat ik veel liever in de armen had gelegen van Stacey, waar ik echt wel van hield maar waarvan ik dacht dat ze me zou afleiden in mijn pad om astronaut te worden, met haar voorzichtige vragen of ik misschien ooit kinderen wilde. Ik wil hier toch helemaal niet zijn, niet hier in mijn eentje verdwijnen zonder iemand die mijn hand vasthoudt, mij gedag zegt en me zachtjes de goede kant op laat gaan. Ik wil daar zijn, bij haar en ineens

zie

ik haar

Ben ik heel dichtbij en

ruik ik haar geur terwijl alles donker wordt

 

hoor ik haar stem zonder vertraging,

terwijl ze mijn haren streelt en zegt

 

je bent thuis, lieverd.

 

en dan, vlak voordat ik in het alles verdwijn denk ik

 

shit.

 

ik weet niet of dit nu echt gebeurt,

dat het OBJECT je allerdiepste wens vervult als je het

aanraakt

dat dat de oplossing van dit mysterie is

 

of dat

ik me dit inbeeld

omdat ik het nodig heb

dit laatste stukje

 

ik wil mijn ogen weer open doen om het zeker te weten

maar

 

 

 

feedback van de juryleden

Geplaatst op Geef een reactie

De Vieze Man van het Jagersveld

Hij heeft een opengesneden wit broodje in zijn ene hand en een briefje van tien gulden in zijn andere. Wij zijn acht jaar, behalve Barry, die is al negen. Tien gulden is een heleboel snoep.

‘Ik durf te wedden,’ zegt de man, ‘ik durf te wedden dat ik dit broodje opeet, wat jullie er ook mee doen. Hoe vies ook.’

We kijken elkaar aan. Dit is dus de vieze man waar de oudere jongens over verteld hebben.

 

‘Durven jullie niet hè,’ zegt de man, hoopvol.

‘Dus als we het broodje heel vies maken,’ zegt Barry, ‘en u eet het niet op, dan krijgen wij tien gulden?’

‘Precies,’ zegt de man.

We kijken elkaar aan. Dan steek ik mijn hand uit, om het broodje aan te pakken.

‘Wat we er ook mee doen?’ vraag ik. Hij knikt.

 

Ik doe mijn best om een flinke pulk uit mijn neus te halen. Niet zo’n grote als vanochtend, helaas. Ik smeer de groene kledder in het broodje. Dan geef ik het broodje aan Barry. Hij grijnst, draait zich om. Zijn rits gaat open. Ik kijk ondertussen naar de vieze man. Hij ziet er wel normaal uit. Een beetje zenuwachtig alleen.

 

‘Heb je het gehoord?’ vraagt Barry. We zitten al dertig jaar in hetzelfde voetbalteam. We kleden ons om in de kleedkamer voor de training.

‘Wat?’ vraag ik.

‘Ze hebben de vieze man opgepakt.’

‘Wat?’ zeg ik, ‘de vieze man van het Jagersveld?’

Barry knikt.

‘Weet je nog wat we met dat broodje hebben gedaan?’

Ik lach en walg tegelijkertijd.

‘Ja gatver, Dat hij het op at, echt niet normaal.’

 

En ik hoop maar dat dat alles was, wat de vieze man de afgelopen tientallen jaren heeft gedaan: vieze broodjes opeten van kleine kinderen.

Geplaatst op Geef een reactie

Aangevlogen

Ze kust me en kijkt me aan.

‘Zo gek dat we elkaar vijf jaar geleden nog niet kenden,’ zeg ik. Een warme gloed trekt van mijn wangen naar de rest van mijn lichaam, terwijl ik naar haar lieve gezicht kijk. Ze ziet mijn blik en lacht verlegen.

’Op een bepaalde manier kende ik je al voordat we elkaar ontmoetten,’ zegt ze. ‘Ik had op een dag een lijstje gemaakt van mijn ideale man, en toen kon ik me jou al precies voorstellen. Hoe je er uit zag, en wat je allemaal deed en leuk vond. Dat je van koken houdt, en dat je zwart haar hebt en dat je kindertjes met me wilde maken.’

‘En daarna kwam je me tegen,’ zeg ik.

‘Ja!’ zegt ze. ‘Ik wist dat je er moest zijn, dus ik hoefde je alleen maar te vinden. Oh ja, wel grappig, een oud vrouwtje in het café beneden waar ik woonde, had me gezegd dat ik dat lijstje moest verbranden met een zwarte veer en een stukje bijenwas en een wortel van een eik. Heb ik echt gedaan, wist je dat?’

Ik glimlach. Ze is een beetje een mafferd.

‘Dat vrouwtje zei dat jij dan zou ontstaan, als je er nog niet was. Vijf en een half jaar geleden was dat. En dat is net het moment dat je in de stad kwam werken, toch? Dus het heeft gewerkt, op een bepaalde manier.’

Ik voel het bloed uit mijn gezicht wegtrekken.

‘Dat zag ik op je Linkedin in ieder geval, dat je precies op die dag een baan kreeg in het restaurantje aan de overkant.’

Leegte. Ik zie helemaal niets, er is een gapende leegte. Ik denk en ik denk, maar ik kan niets vinden.

‘Toen ben je ook op Facebook gekomen, zag ik, diezelfde dag. Ja, ik heb je een beetje gestalkt hoor, toen ik je naam eenmaal had gevraagd aan je collega!’

Ze aait mijn wang en dan mijn borst. Ik doe mijn best maar ik kan me niets herinneren van de dag vóórdat ik ging werken in het restaurant. Geen andere baan, geen opleiding. Niks.

‘Wat deed je eigenlijk daarvoor?’ vraagt ze ineens.

‘Toen bestond ik nog niet,’ zeg ik en ik lach, maar ik meen mijn lach niet.

Zij lacht haar vrolijke lach.

Ik kraak mijn hersenen. Maar ik vind niets vóór dit restaurant. Vóór dit appartementje van mij waar we nu samenwonen met ons dochtertje. Ik kan me geen eerdere huizen herinneren, maar ook geen vrienden van daarvoor, geen familie zelfs. Ik begrijp niet dat ik daar ook de afgelopen vijf jaar nooit over heb nagedacht. Waarom heb ik me nog nooit afgevraagd waarom ik geen familie heb?

‘Is er iets?’ vraagt ze.

Ik schud mijn hoofd, maar ik ga wel rechtop zitten in bed.

Ze kijkt me bezorgd aan.

‘Hoor je de kleine? Ik hoor niks.’

Ik luister, maar ik hoor onze dochter niet, die twee jaar geleden geboren is. Van haar kan ik me alles herinneren. Van mezelf niets. Wie ben ik?

Ik kijk de liefde van mijn leven aan. Ze kijkt terug, en is bezorgd. En dan komt ineens een nieuwe herinnering in me naar boven.

Haar gezicht, een serieuze blik, ik ruik vuur, een verbrande veer, zoete bijenwas, ik zie snippers brandend papier die de lucht invliegen, haar blik geschrokken, ze hangt half uit het raam, ze slaat de brandende snippers uit, mept het aardewerken potje waar ze alles in verbrandde van de dakgoot, het valt naar beneden, ze slaakt een gil. Eén snippertje vliegt weg, ik vlieg mee, daal en daal en vlieg dan door de open deur van het restaurant naar binnen, de keuken in, waar ik net een pannenkoek opvang in mijn pan.

‘Heb je je lijstje heel toevallig in de dakgoot verbrand?’ vraag ik voorzichtig. ‘Met de bijenwas en de wortel van een eik en de zwarte veer? En is het aardewerken potje naar beneden gevallen?’

Ze kijkt me aan.

‘Hè? Heb ik dat ooit verteld? Nee toch? Ik schaamde me er een beetje voor. Had bijna brand veroorzaakt!’

Ik knik. Dat weet ik.

‘Ik kan me echt niet herinneren dat ik je dat verteld heb,’ zegt ze en ze komt ook overeind. Dan kijk ik in haar mooie koele grijsblauwe ogen.

‘Ach,’ zeg ik, ‘herinneringen. Wat heb je aan herinneringen van toen ik er nog niet was?’

Ze kust me gepassioneerd en ik kus haar terug. En als ik een half uur later uitgeput in slaap val, realiseer ik me dat ik het helemaal niet erg vind dat ik vijf en een half jaar geleden verzonnen ben door een jonge vrouw die mij nodig had, en dat ik sinds die tijd pas besta.

Geplaatst op Geef een reactie

Jack de Knipper

Jaren geleden schreef ik dit scenario, zonder te vermoeden dat ‘Jack de Knipper’ weer op zou duiken… In een ander format geschreven (filmscenario) dan je misschien gewend bent, maar hopelijk is het goed te lezen!

Jack de Knipper

 

Geplaatst op Geef een reactie

Slipjes

‘Eh, meneer,’ zegt de zwangere vrouw. Ze staat in haar badjas voor me, naast haar man.

‘Een beetje een rare vraag misschien, maar…’

Ik denk: oh nee hè, niet weer.

‘Mijn bikini en broekje zaten in de zak van mijn badjas toen we de sauna in gingen, en toen we uit de sauna kwamen, was mijn broekje ineens weg!’

‘Weet u zeker dat het de juiste badjas was, mevrouw? Ze zijn allemaal wit,’ zeg ik, maar ik weet wel beter.

‘Die van mij hing er naast, met mijn zwembroek,’ zegt haar man. Hij heeft tatoeages tot aan zijn nek. Ik hoop dat het niet net zo’n scène wordt als vorige maand.

‘Ja, en mijn bikini zat er ook gewoon nog in,’ zegt ze. Ze laat hem zien. Van binnen kook ik. Als die eikel niet de zoon van de baas was, was hij allang ontslagen. En in de cel gegooid, waarschijnlijk.

‘Nou mevrouw wat vervelend!’ zeg ik. Ik kijk zo meegaand mogelijk, en probeer tegelijk te zien waar Freddy is.

‘Kunnen we u misschien een drankje aanbieden voor het ongemak? U natuurlijk ook meneer.’

‘We wilden net uitchecken,’ zegt haar man, ‘maar je mag wel onze drankjes bij het eten gisteren van de rekening afhalen.’ Hij kijkt me strak aan en haalt diep adem zodat zijn borstspieren nog meer opbollen.

Ik kijk naar hun rekening, zie dat ze gisteren acht drankjes hadden tijdens het eten, inclusief twee Irish koffie. Ik zucht, zet mijn nep lach weer aan.

‘Dat regelen we meteen! Kijk maar mee.’ Ik draai het scherm en laat ze zien dat ik veertig euro van hun rekening afhaal. De man gromt tevreden.

‘Goed zo,’ zegt hij. ‘Kom schat,’ zegt hij dan, en hij neemt zijn vrouw mee.

‘Toch echt wel een beetje raar, dat mijn broekje ineens weg is,’ zegt ze als ze weglopen. Ik versta niet wat hij antwoordt.

Dan zie ik Freddy uit het zwembad komen. Ik wenk hem om te vertellen dat ik wéér over zijn ziekelijke neigingen moet gaan praten met zijn vader. Maar voordat hij me ziet, staan er drie dames voor mijn neus.

‘Hey gappie,’ zegt een van de dames.

‘Onze slippies zijn gejat uit onze badjassen!’

‘Ja, wat de fok gast,’ zegt de ander.

‘Een momentje,’ zeg ik. En dan zet ik mijn luidste stem op.

‘Freddy! Deze dames willen even met je praten!’

Freddy hoort me, ziet de dames en glipt dan snel het restaurant weer in. De smeerlap.

‘Nou dames,’ zeg ik. ‘Kan ik jullie een drankje aanbieden ter compensatie?’

‘Wat dacht je van een gratis lunch,’ zegt er een. ‘Ik hoorde net dat je alle drankjes van dat stelletje gratis hebt gemaakt. Dat willen wij ook wel.’

Ze kijken me uitdagend aan. En dan kan het me ineens allemaal geen fuck meer schelen.

‘Dames, jullie krijgen van mij héél je verblijf gratis. Kijk, ik zet het nu in het overzicht.’

Ik typ in: ‘wegens verdwenen slipjes gratis verblijf’. Ze kijken mee en lachen. Ben benieuwd hoe de baas daar nog boos over kan worden. Misschien heeft hij nu eindelijk een reden om zijn zoon in therapie te doen ofzo.

‘Dank je wel schat!’ zegt een van de meiden als ze weglopen. ‘Veel plezier met onze slipjes,’ lacht de ander, en dan ben ik er ineens helemaal klaar mee. Ik sta op en doe mijn werkjasje uit.

Vandaag is de laatste dag dat ik vieze Freddy uit de wind heb gehouden. Ik neem ontslag.

Geplaatst op Geef een reactie

Uit

Fred legt het pasje van mijn elektronische deurslot op tafel neer.

‘Sorry,’ zegt hij en hij meent het. Ik begrijp het wel. Hij heeft sinds kort een baby en heeft vast de tijd en energie niet meer om mij vrijwillig te beveiligen, zoals hij het afgelopen jaar heeft gedaan, als enige. Daarom knik ik. Het pasje laat ik liggen. Later vandaag knip ik hem wel in een paar stukken, zoals ik ook de andere pasjes kapot geknipt heb. Vroeger liet ik de pasjes ophalen door het beveiligingsbedrijf, zodat ze door experts vernietigd konden worden, maar sinds ik dat zelf moet betalen, doe ik dat niet meer.

Misschien hebben de kranten gelijk. Dat de beveiliging niet meer nodig is nu ik niet meer in de politiek zit. Ik krijg ook bijna geen doodsbedreigingen meer. Een enkele keer komt er nog een mailtje binnen, maar meestal is het van mafkezen die al tientallen jaren mailen en waar de politie me van durfde te vertellen dat ze geen enkel gevaar vormen. Eén ervan schijnt zelfs in een rolstoel te zitten, zo’n elektrische. Blijkbaar vindt die het nodig om zijn kleine beetje kracht en energie te gebruiken om mij te vertellen hoe hij mij dood gaat maken. Ik lees ze nu helemaal uit, zijn dreigmails. Voelt als vroeger, toen half Nederland bang voor me was en er duizenden mensen een intense haat voor me voelden. Nu niet meer. Nu gaat alle linkse haat naar TB. Niet voor niets zijn de initialen van die fluim van een vent dezelfde als die van tuberculose.

De moslims haten me ook al niet meer. Ze negeren me. Ik krijg geen boze mails meer van Mohammeds en Zakaria’s, geen belerende mailtjes van Fatima’s en Dounias. Niets meer. Sommigen kennen me niet eens meer! Laatst vroeg zo’n kopvodje achter de kassa, niet mijn kassa natuurlijk, no way dat ik me laat helpen door zo’n slavinnetje van Mohamed, ze had het lef om te vragen aan haar collega waar ze me nou van kend.! En die domme muts aan wie ze het vroeg, wist het niet eens! Zo lang is het niet geleden hoor, dat iedereen me kende, tot in de VS aan toe. Ik stond elke week op de voorpagina van alle kranten!

Maar nu is het blijkbaar tijd voor verwijfde mannetjes die alleen maar met hun haar bezig zijn en die duur praten. Kunnen dat de voorvechters zijn voor de Normale Mens? Nee toch? Die weten niet wat er in Henk en Ingrid om gaat. Ik wist dat wel, ik voelde wat er leefde. Sterker nog, als ik iets zei, gingen mensen dat daarna zelf ook voelen! Ik wist niet alleen wat er leefde, niet alleen kon ik het voorspellen, maar ik creëerde het vaak ook. En die laffe Dijkjes en Rutjes en Bumaatjes aapten me na omdat ze het zelf niet konden verzinnen.

De deur valt achter Fred dicht. Ik ben misschien vergeten om hem gedag te zeggen. Dat vergeet ik de laatste tijd wel eens, praten tegen mensen. Dat zei mijn ex laatst tegen me, toen ze langs kwam om nog wat papieren te laten ondertekenen. Dat ik soms vergeet te praten, dat ik alleen maar voor me uit staar. Dan beweegt mijn mond wel alsof ik praat, en mijn handen bewegen ook vaak mee, maar er komt geen geluid meer uit. Alsof ik alle woorden al eens gebruikt heb, tijdens de speeches die ik hield, de interviews die ik gaf, de interrupties in de Tweede Kamer. Ik was jaren lang de meester van de woorden. En nu zijn ze allemaal uit me gevloeid, blijkbaar.
‘Het was eigenlijk niet meer nodig’, zei de man van de politie. ‘Al jaren niet meer.’ ‘Wees blij!’ zei hij. ‘Je kan weer over straat als een normaal mens!’ Maar ik kan dat niet meer. De angst dat er iemand om de hoek komt rennen, zo’n baardaap, of nog erger, zo’n Volkert, blijft knagen. Dat er iemand is die me nog steeds haat, om vroeger. Dat er iemand al jaren wacht tot mijn beveiliging verdwijnt zodat hij kan toeslaan. Ik zie ze nog wel eens, op straat. Van die mensen die mij dood willen hebben. Ik weet het zeker. En daarom doe ik het gewoon niet meer, naar buiten gaan, nu Fred er mee ophoudt. De supermarkt bezorgt mijn boodschappen, dat is veilig genoeg als ze maar geen Marokkanen sturen. En verder vertik ik het om mezelf in gevaar te brengen. Mij krijgen ze niet te pakken! Mij niet! De terroristen zullen me niet te pakken krijgen. Ik blijf binnen. De deur blijft dicht. En niemand komt er in!

Geplaatst op Geef een reactie

Kutchinees

Ik woonde vroeger als een van de weinige Koreanen in een wijk vol Turken, Marokkanen, Surinamers, Antillianen en Nederlanders. Nou ja, Koreaan, geadopteerd. Wat ik mezelf eigenlijk moet noemen, weet ik niet. Koreaans uitziende blanke? Korekaaskop? Geen idee.

Het was een niet al te beste buurt. Er waren dealers (uit alle bevolkingsgroepen, drugs doen aan geld, niet aan afkomst). Er waren zelfs ook groepen jongens die zich ‘bendes’ noemden. Niet dat dat veel voorstelde, ze verdeelden alleen maar de straten in de wijk om daar een beetje stoer te kunnen doen, vooral om elkaar uit te dagen. Ik kon er gewoon tussendoor lopen als ze op de hoek van de straat hingen, maar de postbode, kinderen die tikkertje speelden en bejaarde dametjes met hun boodschappen ook.

Tot die ene dag. Ik kwam net mijn huis uit, deed de deur op het slot, de sleutels in mijn tas, rits dicht. Ik keek links. Vijftig dreigend kijkende Nederlandse jongens van de straat achter mijn huis stonden op twintig meter afstand. Ik keek naar rechts. Vijftig dreigend kijkende Turkse jongens van de straat tegenover mijn huis. Gelukkig ben ik geen Turk of Nederlander, dacht ik toen. Al die jongens weten vast dat ik niet bij de andere ‘bende’ hoor. Laat ze maar lekker ruzie maken met elkaar. Als ik weg ben natuurlijk. Ik zette een stap om de straat over te steken zodat ik niet tussen de twee partijen in stond.

Op dat moment riep één van de Nederlanders: ‘Pak die kutchinees!’ En alle Nederlanders begonnen te rennen.

Ik rende weg, met mijn tas in mijn hand, iedereen rende achter me aan. Ik wist uiteindelijk niet eens of ze achter mij aan kwamen of achter de andere bende, maar uiteindelijk renden er honderd jongens achter me aan, straat na straat. Gelukkig sprong ik op tijd in een bus waarvan de deuren net dicht gingen.

Toen ik achterom keek, zag ik dat beide bendes een beetje ongemakkelijk om zich heen en naar elkaar keken. Ze hadden blijkbaar geen zin meer in ruzie. Dit was hun buurt niet. Van de straathoeken werden ze aangekeken door de Surinaams-Marokkaanse bende die daar de ‘baas’ was. Dat alle jongens zich verspreidden over winkels en door straatjes was het laatste wat ik zag voordat de bus de hoek om ging.

Ik heb daarna nooit last van die gastjes gehad. Maar ik kijk nu wel altijd goed om me heen voordat ik mijn voordeur op slot doe.

Geplaatst op Geef een reactie

Gezeik

‘Geef je portemonnee!’ zegt de junk die zenuwachtig naar links en rechts kijkt. Ik weet niet wat ik nu moet doen. Dan vraag ik het maar, heel voorzichtig.

‘Mag ik misschien eerst even doorplassen en dan mijn piemel in mijn broek terug stoppen?’

Hij aarzelt even. Dan knikt hij.

‘Snel dan.’

‘Bedankt,’ zeg ik. Daarna doe ik het meest ongemakkelijke plasje ooit, met een junk die controleert of ik wel opschiet met afschudden.

En als ik hem mijn telefoon en portemonnee geef, merk ik dat ik ook nog niet eens goed heb afgeschud. Ook dát nog, zo’n vervelende natte plek in mijn onderbroek. Wat een klotenacht.

Geplaatst op Geef een reactie

Boem

Haar jongste lakei, Edward, komt haar halen. Ze is bijzonder op hem gesteld. Als Edward haar naar die lelijke man heeft gebracht, stuurt ze hem op een overbodige missie die zijn leven zal redden.

Ik ben toch al 90, denk ze. Mijn zoon is aan de beurt om het stokje over te nemen. Misschien maakt hij er geen zootje van.

Dan lacht Elizabeth, een kakelende lach waarvan ze niet wist dat ze die in zich had. Ze weet nu al dat haar kleinkinderen haar de meest epische koningin ooit zullen noemen. Een moderne Bouddica. Daar doet ze het voor. Ze heeft toch al kanker, wat niemand weet. Met een grote knal afscheid nemen, iets èchts doen in plaats van al die symbolische onzin, dat wil ze graag. De vijand verslaan, net zoals al die dappere mensen dat deden in de Tweede Wereldoorlog.

Elizabeth doet de gordel met handgranaten om haar middel, haar grote bontmantel er overheen. Donald zal het nooit verwachten. De koningin van Engeland die met een bomgordel de president van de VS uitschakelt.

Kom maar hier Donald, dan pak ik jouw hand. Ik laat je nooit meer los.

Geplaatst op Geef een reactie

Ontvriend

Hij is zó boos dat hij niet eens met zijn telefoon kan gooien, wat hij normaal wel altijd doet. Verraden door zijn beste vriend! Dat, dat, hoe kan dat? Waarom? Hij laat langzaam zijn hand zakken met de telefoon er in. Uit zijn ooghoek ziet hij dat twee mensen de kamer zachtjes verlaten. Normaal gesproken zou hij zijn lippen even tuiten en met zijn hoofd schudden zodat ze weer terug gaan naar waar ze zaten, maar nu lukt dat niet. Alles voelt leeg, er zit geen kracht in zijn handen, geen bloed meer in zijn gezicht en ook zijn benen voelen wiebelig.

Ze hadden het afgesproken! Ze hadden alles al samen gedaan, zó veel geld verdiend en onderling verdeeld, de moslims de oorlog verklaard en ook flink in de pan gehakt, met zijn tweetjes. Ha! Die moslims hadden zich allemaal over gegeven, de lafaards. Als zijn voorganger nou ook had laten zien dat er met hun niet te spotten viel… maar dat was een watje. Dat gepraat van die man. Je moet die smerige zandapen keihard aanpakken met de zwaarste bommen die je hebt, dan luisteren ze tenminste. Zó moet dat als je wil dat mensen je serieus nemen. Nu doet de hele wereld wat hij wil, precies zoals het hoort.

Alleen zijn beste vriend van vroeger, van een uur geleden nog, luistert niet meer. Voor het eerst in al die jaren dat ze elkaar kennen, zegt hij gewoon keihard nee.

Donald legt eindelijk zijn telefoon neer. Mensen om hem heen ontspannen een beetje. Ze krijgen in ieder geval geen telefoon naar hun hoofd gegooid, vandaag. Wel weten ze allemaal dat de problemen die ze tot nu toe gehad hadden, niets waren in vergelijking met dit probleem. Langzaam staat Donald op. Hij houdt zich vast aan zijn bureau, haalt diep adem.

‘We zijn verraden,’ zegt hij. ‘Door Poetin. Hij doet niet mee. De laffe Russen willen niet meevechten tegen die smerige Chinezen.’

De president van de Verenigde Staten kijkt de kamer rond. Dan neemt hij een beslissing.

‘Die verachtelijke Russen. We zullen ze leren dat we ze helemaal niet nodig hebben tegen China.’ Hij kijkt vastberaden.

‘We gaan tweeten.’

war

Geplaatst op Geef een reactie

Hitler en Jamai

Marie legt het toegangsbewijs in de schaal op de enorme stapel kaartjes van voorstellingen en optredens van Jamai waar ze naartoe is geweest. Even kijkt ze naar de foto van haar overleden man die boven de schaal hangt. Hij kijkt, zoals altijd, misprijzend. Marie glimlacht.
‘Zie je wel dat die Jamai een vieze poot is,’ had hij gezegd een paar maanden voor zijn dood. ‘Zit je dan met je bakvissen-verliefdheid.’
Inderdaad was Marie een beetje verliefd geworden op die frisse knul die zo mooi kon zingen. Daar was toch niks mis mee? Het was niet alsof ze met haar leeftijd nog achter Jamai aan zou gaan. Maar een beetje dromen van een man die eruit zag alsof hij wél liefde kon ontvangen kon geen kwaad.

Toen Wim van de dokter hoorde dat hij niet lang meer te leven had, nam hij Marie voor het eerst in dertig jaar mee naar zijn studeerkamer. Daar zag ze waarom ze nooit geld hadden om leuke dingen te doen, zoals uit eten, vakanties of naar het theater. Al hun geld was opgegaan aan Hitler-dingen. Bustes van Hitler, boeken over Hitler en grote posters met de kop van Hitler erop, alles heel zorgvuldig en met liefde opgeborgen in vitrinekasten en lades.
‘Je zorgt ervoor dat alles bij een goed museum terecht komt,’ had Wim gezegd. ‘Niet zo’n Jodenmuseum als het Anne Frankhuis. Museum Overloon zal met het meeste respect omgaan met mijn collectie.’ Marie zweeg, maar op dat moment had ze een idee gekregen. Ze durfde het alleen nog niet uit te spreken.

Een paar weken later lag hij op zijn sterfbed. Weer droeg hij haar op om zijn kostbare spullen naar een museum te brengen. Toen ze zeker wist dat zijn stem te fragiel was om haar nog uit te schelden, en toen ze zag dat zijn trillende handen niet meer de kracht hadden om haar beet te pakken en door elkaar te rammelen, toen durfde ze het te zeggen.
‘Ik verkoop al je rommel uit de Tweede Wereldoorlog,’ had ze gezegd, ‘en van dat geld ga ik naar alle optredens en voorstellingen van Jamai.’
Ze zag met een onverwacht genoegen dat Wim stikte in zijn boosheid, dat hij hoestend en borrelend probeerde te protesteren maar er de lucht niet meer voor had. Twee dagen later stierf hij. Nog steeds met een woedende blik in zijn ogen, maar onmachtig.

Ze hield zich aan haar belofte. Ze leerde van de buurjongen hoe ze Marktplaats moest gebruiken, en ze verkocht één voor één de Hitlerspullen die Wim de afgelopen jaren had verzameld. Ze accepteerde elk bedrag, omdat ze wist dat Wim daar een enorme hekel aan had, maar verzamelde toch genoeg geld om naar elke voorstelling van Jamai te kunnen gaan de jaren daarna.

Als ze een waxinelichtje pakt in de kast, bekruipt haar een vervelende gedachte. Wat nou als Jamai denkt dat ik een stalker ben? Ze lacht en schudt die gedachte van zich af. Als die lieverd ooit vraagt waarom ze altijd op de eerste rij zit bij al zijn optredens, vertelt ze het hem gewoon eerlijk. Jamai begrijpt dat wel.
Ze steekt het kaarsje aan bij de schaal met Jamai-kaartjes. Weer glimlacht ze. Met het flikkerende licht lijkt Wim nog bozer.
‘Dag Wim,’ zegt ze. Dan zet ze de cd-speler aan met muziek van Jamai. Als ze de kamer uitloopt, doet ze de deur goed achter zich dicht. Zo goed vindt ze de muziek van Jamai nou ook weer niet, dat ze er elke nacht bij in slaap wil vallen.

Geplaatst op Geef een reactie

Alles komt goed

Ik doe een stap naar achteren, kijk naar zijn naakte en bebloede lichaam. Ik had niet verwacht dat het zo makkelijk zou zijn. Ik dacht dat hij wakker zou worden, zou vechten, maar hij schokte alleen maar een paar keer met zijn vette lichaam en slaakte toen een diepe zucht. Daarna liet hij alles lopen, poep en pies. Misschien raakte ik hem precies in zijn hart met dat lelijke gouden mes. Het mes waar hij me twee weken geleden nog mee bedreigde.

Het is vreemd dat ik het nu pas doe, na al die jaren van vernederingen, na al die keren dat hij me sloeg, kneep, of aan mijn haar trok. Hij heeft me al zo vaak geneukt terwijl ik dat eigenlijk niet wilde, hij is al zo vaak vreemd gegaan. En hij had al vaker gezegd als hij een aantrekkelijke jonge vrouw zag: ‘die heb ik gehad’, of: ‘die kan ik krijgen als ik wil. Wedden?’. Waarom ik dan nu brak, waarom ik dan vandaag echt niet meer verder kon, waarom zijn minachtende blik juist vanavond me deed denken aan het gouden mes dat hij aan de muur had laten hangen om mij te zieken, om me te laten denken aan die keer dat ik hem huilend moest herinneren aan het kind dat we samen hebben, dat hij die toch niet zonder moeder kon laten opgroeien.

En nu is hij dood. Daar kan niemand meer iets aan doen. Mijn hoofd voelt voor het eerst in jaren leeg, rustig, ijzig kalm. Ik weet wel dat er enorme problemen aan komen, maar nu even maakt dat niet uit. Ik kijk naar het mes in mijn hand. Gek dat ik het nog niet heb losgelaten.

Dan gaat de deur achter me open, en ik draai me om. Twee grote sterke mannen staan daar, Ed en Johnny. Ed die me een paar weken geleden nog redde door een vaas om te gooien vlak voordat mijn man, zijn baas, me weer eens hard wilde aanpakken. De afleiding was genoeg om dat te voorkomen. En Johnny heeft thee voor me gehaald na die avond met het mes. Ik ben blij dat zij er zijn, ook al weet ik dat mijn nieuwe problemen nu beginnen.

Ed en Johnny kijken elkaar aan, en dan naar het lijk op het bed. Ed loopt op het bed af, Johnny naar mij. Ed voelt of mijn man nog een hartslag heeft, schudt zijn hoofd. Johnny kijkt mij aan.
‘Ik ga het makkelijker voor je maken,’ zegt Johnny.
‘Laat het mes vallen, dan sla ik je één keer hard in je gezicht.’
Ik laat van schrik het mes vallen.
‘Dan kan je zeggen dat je jezelf tegen hem moest verdedigen,’ zegt Ed. Ik haal diep adem, begin dan te hyperventileren. Toch knik ik.

Johnny slaat en ik val bijna om, voel de felle warmte van de klap in mijn gezicht. Toch lach ik, want ik weet dat ik zo eindelijk aan hem kan ontsnappen, aan die man die eerst mijn dromen in vervulling bracht en me daarna een nachtmerrie in sleepte.
Ed legt een hand op mijn schouder.
‘Maak je geen zorgen,’ zegt hij, ‘alles komt goed, Melania.’

Geplaatst op Geef een reactie

Hakken en Rocken

Er is al een tijdje mot tussen de gabbers en de hardrockers. Het ging mis op een feestje. Ze kregen eerst ruzie over de muziekkeuze van de dj en toen het uit de hand liep zijn met meubels gaan gooien en probeerden zelfs over elkaar heen te rijden. Nu maken ze de hele tijd ruzie. Over muziek, kleding maar ook vaak over helemaal niks. Elke keer als ze elkaar tegenkomen op de gangen, beginnen ze te schreeuwen. Alle andere mensen ergeren zich er kapot aan, maar wat doe je er tegen? Ze zijn nogal intimiderend.

Na het incident sloten ze zich steeds op in hun eigen kamers, waar ze met elkaar plannen gingen bekokstoven om de andere groep te grazen te nemen. En maar keihard muziek draaien. Niet alleen omdat de muziek blijkbaar zo gedraaid moet worden, maar ook omdat ze allemaal hartstikke hardhorend zijn. Daar helpt zelfs geen gehoorapparaat of implantaat meer tegen.

Beide groepen proberen hun territorium te verdedigen en uit te breiden. De hardrockers zitten vooral in de kantine, de gabbers in het restaurant. Ze proberen allebei de gemeenschappelijke ruimte over te nemen. Maar in alle ruimtes verzieken ze het voor elkaar en voor de anderen. Steeds weer draaien ze hun eigen muziek, zo hard mogelijk, via de speakers. Soms zet de andere partij hun eigen apparatuur neer om daar tegenin te gaan. Dat is pas herrie, twee van die harde muziekstromingen door elkaar heen.

Dat ze steeds meer hun eigen kleding zijn gaan dragen, was tot daar aan toe. Leren jacks en zwarte vale t-shirts voor de rockers en Australian trainingspakken voor de gabbers, als zij dat zo graag willen is dat natuurlijk prima. Maar dat ze de feestcommissie hebben opgeblazen omdat ze het nergens over eens konden worden, en dat ze het voor elkaar hebben gekregen dat er helemaal geen muziek meer wordt gedraaid in het winkeltje en bij de kapper, dat is natuurlijk te gek voor woorden.

Het is zo’n nare streek voor de mensen die van andere soorten muziek houden! Wij mogen nu ook niet meer een liedje aanvragen. Die gangen zijn al zo stil, zonder een lekker deuntje op de achtergrond is het alleen maar erger.

Gelukkig heeft de directie een oplossing gevonden. Het leegstaande abattoir naast ons gebouw is volledig geluidsdicht. Daar mogen die herriemakers lekker tekeer gaan, om de beurt een heel weekend. En dat ze er flink bij zuipen en pillen poppen, maakt niemand wat uit. Het is wel ongezond, maar ja. Iedereen moet toch ergens aan doodgaan, niet? Per slot van rekening zijn we allemaal bijna aan de beurt.

Toch had ik me iets anders voorgesteld van het leven in een bejaardentehuis in het jaar 2050.

Geplaatst op Geef een reactie

Uit

Ik heb alle boeken al gelezen in deze dorpsbibliotheek. Nou ja, niet echt álle boeken: de damesromans laat ik natuurlijk staan. En van wetenschap en horror hou ik ook niet zo. Kinderboeken vond ik al niet meer leuk vanaf mijn twaalfde. Ik bedoel dat ik alle échte boeken gelezen heb, de literaire werken. En een paar thrillers, als een soort bonbon na een uitgebreid diner met zeven gangen, makkelijk verteerbare zoetigheid om af te sluiten. Ik ben gewoon alfabetisch begonnen met lezen en heb lekker doorgelezen tot de Z. En nu zijn de boeken op.

Tijdens de tweede week dat ik hier kwam, keek de dame achter de balie me regelmatig een beetje vreemd aan. Ik kom natuurlijk elke dag op dezelfde tijd binnen, en ga elke dag even laat weg. En ik heb een broodtrommel met mijn eigen boterhammen bij me, die mijn vrouw elke ochtend persoonlijk onder mijn snelbinders doet. Nu is de bibliothecaresse aan me gewend. Ze groet me, maar stelt geen vragen, precies zoals ik het graag wilde. Want wat zou ik kunnen vertellen? Ik wil haar helemaal niets vertellen. Ik vind het wel fijn dat ze nu zó aan me gewend is dat ze me mijn brood binnen laat eten als het regent, maar ik ga niet uit dank voor die gunst mijn ziel aan haar blootleggen. Als ik die heb natuurlijk, haha, een ziel.

De laatste dagen lees ik alle tijdschriften en kranten die ze hier binnenkrijgen. Het zijn er niet genoeg om me de hele dag bezig te houden, ook al maak ik alle kruiswoordpuzzels en andere raadsels die er in staan. Op een apart papiertje natuurlijk, anders kijkt de bibliothecaresse boos, ook al leest niemand behalve ik hier de krant. Er kwam deze week ook een stapeltje nieuwe boeken binnen, maar daar zat niet veel soeps bij. Ze hebben natuurlijk weinig budget bij zo’n klein bibliotheekje. De dame zag vast de teleurstelling op mijn gezicht toen ik de nieuwe boeken bekeek.

‘In de bibliotheek in X hebben ze een véél uitgebreidere selectie,’ zei ze. Ik schudde mijn hoofd maar zei niets. Ik kon haar moeilijk vertellen dat ik in X woon, en dat ik gewoon niet herkend wil worden door iemand.

Ik sta voor de boekenkast met damesromans. Misschien moet ik er toch daar maar een van gaan lezen. Het kan natuurlijk meevallen, met het niveau. Een paar zinnen later zet ik het boek weer terug. Het valt niet mee. Het valt zelfs tegen.

De regen slaat tegen de ramen. Ik weet dat ik weer drijfnat ben als ik thuiskom, ook al is het maar een kwartier fietsen. Ik weet dat mijn vrouw me dan weer vraagt hoe mijn dag was geweest. Ik weet dat ik dan weer ga liegen. Misschien moet ik haar toch maar de waarheid vertellen. Dat ik vorig jaar ontslagen ben maar haar dat niet durfde te vertellen en dat ik daarom elke dag naar een bibliotheek fiets in een dorp waar niemand me kent. Maar ik denk niet dat ik het durf. Ergens hoop ik zelfs dat ik het haar niet hoef te vertellen, nooit. Ik hoop stiekem op een vlugge hartaanval, een automobilist die door rood licht rijdt, een blikseminslag als ik door de polder fiets. Maar daar voel ik me ook schuldig over, over dat denken. Misschien gebeurt er iets anders zodat ik nooit dat moment hoef aan te gaan, het moment dat ik mijn vrouw zó teleurstel dat ze vast bij me weg gaat. Dat ze niet meer naast me in bed wil liggen, omdat ze van mij en mijn leugens walgt. Ik had het moeten vertellen toen ik ontslagen werd, met die mooie gouden handdruk na al mijn jaren trouwe dienst. Maar ik kreeg het toen gewoon niet over mijn lippen.

Ik kijk naar de regen. Morgen doe ik het. Morgen haal ik de broodtrommel van de bagagedrager af en kijk ik mijn vrouw aan. En dan vertel ik het. En misschien vergeeft ze het me wel.

 

Geplaatst op Geef een reactie

Oppennen

‘Heeft er iemand een pen? Heb jij een pen? Jij?’

De jongen vraagt het aan iedereen. Vijftig meter achter hem staat een rij met ME-ers voor de flat aan de Weesperstraat waar we net uit gejaagd zijn. Achter de agenten liggen de kapotte koelkasten, tv’s en de lege bierkratten die sommige dronkelappen van de balkons hadden gegooid. Ik deed dat soort asociale dingen niet. Ik heb op zoek naar drank wel de koelkast geopend waarop stond: ‘niet openmaken! Niet voor het flatfeest!’ maar die speciale Belgische biertjes die ik daar vond, heb ik wel eerlijk uitgedeeld.

We staan nu met honderd mensen van een afstandje te kijken naar de politie en de flat. Misschien gebeurt er nog iets interessants.

Twee van mijn vrienden kijken me aan als de penvrager bij ons is aangekomen. Ik heb net die dag een mooie Parker vulpen gekocht, omdat ik graag meer wil schrijven. Ik hoop dat mooi gereedschap me daartoe aanzet. De jongen ziet mijn vrienden kijken, kijkt me dan ook aan.

‘Heb jij een pen?’

Aarzelend haal ik het hoesje tevoorschijn, doe hem open, pak de vulpen.

Hij pakt hem aan. Dan pas zie ik de lege blik in zijn ogen.

‘Waar heb je hem voor nodig?’ vraag ik, maar hij rent al weg.

‘Geef je hem zo terug?’ roep ik nog. Dan zie ik hem recht op de ME-ers afrennen, arm met pen in de lucht.

De Me-ers zetten zich even schrap, hoewel dat niet echt nodig is, dan vangen ze hem op met schilden en knuppels. Binnen twee tellen ligt de jongen op zijn buik, binnen drie tellen wordt hij het arrestantenbusje in gesmeten.

‘Geef je pen dan ook niet,’ zegt een van de vrienden die naar me gekeken had.

En ik denk dat het een bericht is van hogere machten. Dat ik niet zo raar moet zijn te denken dat ik schrijver kan worden.

Geplaatst op Geef een reactie

Klinkerkleptomane

De jonge dame fietst aan de andere kant van de opgebroken weg over de stoep, iets voor mij. Zij stopt als ze de weg weer op kan, ik slalom net langs wat oude meubels die tevergeefs op de vuilniswagen staan te wachten.

Zij bukt en kijkt naar iets. Dan strekt ze haar arm uit en tilt een straatsteen op, een zware bakstenen klinker. Ze bekijkt hem aandachtig van alle kanten tot ze haar voeten weer op de trappers zet en door fietst. Eén hand houdt de klinker vast, rustend op het midden van haar stuur.

Ik fiets iets sneller om naast haar te komen.

‘Dat is vast een heel erg bijzondere steen,’ zeg ik tegen haar.

Ze kijkt naar de steen alsof ze hem nooit eerder gezien heeft, aarzelt.

‘Eh, nee,’ zegt ze, en ze laat even, tijdens het fietsen, de steen aan me zien. Ik kijk goed maar kan er niets bijzonder aan ontdekken.

Dan laat ze de steen weer op het midden van haar stuur rusten en versnelt.

Ik laat haar gaan.