Geplaatst op Geef een reactie

Hitler en Jamai

Marie legt het toegangsbewijs in de schaal op de enorme stapel kaartjes van voorstellingen en optredens van Jamai waar ze naartoe is geweest. Even kijkt ze naar de foto van haar overleden man die boven de schaal hangt. Hij kijkt, zoals altijd, misprijzend. Marie glimlacht.
‘Zie je wel dat die Jamai een vieze poot is,’ had hij gezegd een paar maanden voor zijn dood. ‘Zit je dan met je bakvissen-verliefdheid.’
Inderdaad was Marie een beetje verliefd geworden op die frisse knul die zo mooi kon zingen. Daar was toch niks mis mee? Het was niet alsof ze met haar leeftijd nog achter Jamai aan zou gaan. Maar een beetje dromen van een man die eruit zag alsof hij wél liefde kon ontvangen kon geen kwaad.

Toen Wim van de dokter hoorde dat hij niet lang meer te leven had, nam hij Marie voor het eerst in dertig jaar mee naar zijn studeerkamer. Daar zag ze waarom ze nooit geld hadden om leuke dingen te doen, zoals uit eten, vakanties of naar het theater. Al hun geld was opgegaan aan Hitler-dingen. Bustes van Hitler, boeken over Hitler en grote posters met de kop van Hitler erop, alles heel zorgvuldig en met liefde opgeborgen in vitrinekasten en lades.
‘Je zorgt ervoor dat alles bij een goed museum terecht komt,’ had Wim gezegd. ‘Niet zo’n Jodenmuseum als het Anne Frankhuis. Museum Overloon zal met het meeste respect omgaan met mijn collectie.’ Marie zweeg, maar op dat moment had ze een idee gekregen. Ze durfde het alleen nog niet uit te spreken.

Een paar weken later lag hij op zijn sterfbed. Weer droeg hij haar op om zijn kostbare spullen naar een museum te brengen. Toen ze zeker wist dat zijn stem te fragiel was om haar nog uit te schelden, en toen ze zag dat zijn trillende handen niet meer de kracht hadden om haar beet te pakken en door elkaar te rammelen, toen durfde ze het te zeggen.
‘Ik verkoop al je rommel uit de Tweede Wereldoorlog,’ had ze gezegd, ‘en van dat geld ga ik naar alle optredens en voorstellingen van Jamai.’
Ze zag met een onverwacht genoegen dat Wim stikte in zijn boosheid, dat hij hoestend en borrelend probeerde te protesteren maar er de lucht niet meer voor had. Twee dagen later stierf hij. Nog steeds met een woedende blik in zijn ogen, maar onmachtig.

Ze hield zich aan haar belofte. Ze leerde van de buurjongen hoe ze Marktplaats moest gebruiken, en ze verkocht één voor één de Hitlerspullen die Wim de afgelopen jaren had verzameld. Ze accepteerde elk bedrag, omdat ze wist dat Wim daar een enorme hekel aan had, maar verzamelde toch genoeg geld om naar elke voorstelling van Jamai te kunnen gaan de jaren daarna.

Als ze een waxinelichtje pakt in de kast, bekruipt haar een vervelende gedachte. Wat nou als Jamai denkt dat ik een stalker ben? Ze lacht en schudt die gedachte van zich af. Als die lieverd ooit vraagt waarom ze altijd op de eerste rij zit bij al zijn optredens, vertelt ze het hem gewoon eerlijk. Jamai begrijpt dat wel.
Ze steekt het kaarsje aan bij de schaal met Jamai-kaartjes. Weer glimlacht ze. Met het flikkerende licht lijkt Wim nog bozer.
‘Dag Wim,’ zegt ze. Dan zet ze de cd-speler aan met muziek van Jamai. Als ze de kamer uitloopt, doet ze de deur goed achter zich dicht. Zo goed vindt ze de muziek van Jamai nou ook weer niet, dat ze er elke nacht bij in slaap wil vallen.

Geplaatst op Geef een reactie

Succes

Ik ben half wakker. Er zit iets klem, ik voel het. Met mijn rechter wijsvinger ga ik op onderzoek uit. Zit te diep. Hm. Ik haal adem via mijn neus, snel heen en weer. Helpt niet. Ik duw met mijn vinger op mijn ene neusgat, zodat ik met meer kracht door mijn andere neusgat kan uitblazen. Komt het los? Nee, jammer.

Ik luister even naar de andere geluiden in de slaapkamer, hoor het regelmatige ademhalen van drie mensen die ik graag nog even wil laten slapen. Ik probeer het nog eens, één neusgat dicht en flink: Fffft… uitblazen via het andere gaatje. Ik hoor mijn zoontje naast me een beetje kreunen. Niet wakker worden!

Ik blijf even stil, werk nog even door met mijn vinger, maar helaas, hij zit te diep. Kan er nét niet bij. Dan wacht ik tot de ademhaling van mijn zoon weer rustig is en FT! Met precies de juiste kracht knalt het propje uit mijn neus, recht in mijn vingers die al klaar zijn op hem op te vangen. Yes! Succes! Ik heb hem. Wat een flinke zeg! Oh wacht. Is er iemand wakker geworden?

Het is stil, gelukkig.

Tevreden rol ik het natte propje tussen mijn vingers. Per rol wordt het ietsje droger, totdat het bijna niet meer aan mijn vingers plakt. En nu? Afvegen aan mijn t-shirt van gisteren of achter het bed laten vallen zodat ik over een week weer ‘tik tik tik’ hoor als ik daar stofzuig?

Ik realiseer me dat het best gek is dat ik een klein beetje een tevreden gevoel heb als ik een snotje uit mijn neus krijg. Dat ik bijna trots ben als het een flinke unit is. En ineens weet ik dat dit hetzelfde gevoel is als ik een computerspel speel, wanneer ik een lastige veldslag win of tussen een grote groep zombies door weet te vechten. Trots op iets wat niet tastbaar is, iets waar ik niets aan heb en andere mensen ook niet. Trots op een lastig snotje.

Even denk ik dat ik nu vast ga stoppen met gamen, omdat het zo weinig concreets oplevert. Dan lach ik. Ik stop toch ook niet met pulken. Gekke ik.

Geplaatst op Geef een reactie

Alles komt goed

Ik doe een stap naar achteren, kijk naar zijn naakte en bebloede lichaam. Ik had niet verwacht dat het zo makkelijk zou zijn. Ik dacht dat hij wakker zou worden, zou vechten, maar hij schokte alleen maar een paar keer met zijn vette lichaam en slaakte toen een diepe zucht. Daarna liet hij alles lopen, poep en pies. Misschien raakte ik hem precies in zijn hart met dat lelijke gouden mes. Het mes waar hij me twee weken geleden nog mee bedreigde.

Het is vreemd dat ik het nu pas doe, na al die jaren van vernederingen, na al die keren dat hij me sloeg, kneep, of aan mijn haar trok. Hij heeft me al zo vaak geneukt terwijl ik dat eigenlijk niet wilde, hij is al zo vaak vreemd gegaan. En hij had al vaker gezegd als hij een aantrekkelijke jonge vrouw zag: ‘die heb ik gehad’, of: ‘die kan ik krijgen als ik wil. Wedden?’. Waarom ik dan nu brak, waarom ik dan vandaag echt niet meer verder kon, waarom zijn minachtende blik juist vanavond me deed denken aan het gouden mes dat hij aan de muur had laten hangen om mij te zieken, om me te laten denken aan die keer dat ik hem huilend moest herinneren aan het kind dat we samen hebben, dat hij die toch niet zonder moeder kon laten opgroeien.

En nu is hij dood. Daar kan niemand meer iets aan doen. Mijn hoofd voelt voor het eerst in jaren leeg, rustig, ijzig kalm. Ik weet wel dat er enorme problemen aan komen, maar nu even maakt dat niet uit. Ik kijk naar het mes in mijn hand. Gek dat ik het nog niet heb losgelaten.

Dan gaat de deur achter me open, en ik draai me om. Twee grote sterke mannen staan daar, Ed en Johnny. Ed die me een paar weken geleden nog redde door een vaas om te gooien vlak voordat mijn man, zijn baas, me weer eens hard wilde aanpakken. De afleiding was genoeg om dat te voorkomen. En Johnny heeft thee voor me gehaald na die avond met het mes. Ik ben blij dat zij er zijn, ook al weet ik dat mijn nieuwe problemen nu beginnen.

Ed en Johnny kijken elkaar aan, en dan naar het lijk op het bed. Ed loopt op het bed af, Johnny naar mij. Ed voelt of mijn man nog een hartslag heeft, schudt zijn hoofd. Johnny kijkt mij aan.
‘Ik ga het makkelijker voor je maken,’ zegt Johnny.
‘Laat het mes vallen, dan sla ik je één keer hard in je gezicht.’
Ik laat van schrik het mes vallen.
‘Dan kan je zeggen dat je jezelf tegen hem moest verdedigen,’ zegt Ed. Ik haal diep adem, begin dan te hyperventileren. Toch knik ik.

Johnny slaat en ik val bijna om, voel de felle warmte van de klap in mijn gezicht. Toch lach ik, want ik weet dat ik zo eindelijk aan hem kan ontsnappen, aan die man die eerst mijn dromen in vervulling bracht en me daarna een nachtmerrie in sleepte.
Ed legt een hand op mijn schouder.
‘Maak je geen zorgen,’ zegt hij, ‘alles komt goed, Melania.’

Geplaatst op Geef een reactie

Cadeautje

Er staan nog maar twee klanten in onze Kruidvat. De andere meiden zijn bij de kassa bezig, ik pak nog wat dozen en loop er mee naar het schap. Hoeft dat morgen niet. Twee meter verderop staan een vader en een zoontje bij een schap met damesgeurtjes. De vader kijkt het ventje strak aan.

‘Moet ik je nou wéér slaan voordat je luistert? Kies verdomme gewoon een cadeautje voor je moeder uit, en dan kunnen we naar huis.’

Het ventje strekt zijn hand uit naar een van de testers, aarzelt, en zijn vader slaakt een diepe, diepe zucht. Ik loop snel naar ze toe en pak een geurtje waarvan ik zeker weet dat moeders het lekker vinden.

‘Burberry is heel populair tegenwoordig. Zal ik het mooi voor je inpakken?’

Het ventje knikt dankbaar.

‘Wat zeg je dan?’ zegt vader.

‘Dankjewel,’ fluistert hij.

‘Kinderen….’ zegt vader schamper tegen mij. Ik glimlach verlegen. Als ik net zo sterk als mijn eigen vader was, had ik hem voor zijn bek geslagen.

Geplaatst op Geef een reactie

Vrienden

We staan aan de bar te wachten tot we biertjes kunnen bestellen voor onze vrienden die verderop in het drukke café staan. Hij kijkt me aan.

‘Ik heb gezegd dat ik haar leuk vind,’ zegt hij, ‘maar het was niet wederzijds. Alwéér gefriendzoned. Waarom doen die wijven eerst heel aardig en als je dan verliefd op ze wordt zeggen ze dat ze alleen vrienden willen zijn?’

‘Jij wordt ‘verliefd’ op elk meisje dat een keer aardig tegen je doet,’ zeg ik.

‘Als je nou eens eerst probeert om gewoon vrienden te zijn, zonder dat je meer wilt…’

‘Ja lekker. Dan krijg ik toch nooit seks? Vijftien bier graag,’ zegt hij, het laatste tegen de barman.

‘Je wil het te graag. Meisjes merken dat. En geen enkel meisje wil een relatie met een jongen alleen maar omdat hij graag ontmaagd wil worden.’

Hij zucht diep. Ik leg mijn hand op zijn schouder.

‘Maar als je het nou eens zo aanpakt. Eerst wordt je vrienden met een meisje, gewoon om te leren hoe dat is. Je leert hoe je met een dame om moet gaan, wanneer je een compliment moet geven en wanneer een botte grap gewaardeerd wordt. Dan kan je dát weer gebruiken om met andere meisjes te praten, die je dan misschien kan versieren. En wat ook handig is: een meisje waar je vrienden mee bent, heeft natuurlijk ook vriendinnen. Jouw goede vriendin vertelt haar vriendinnen dat je een toffe gast bent. En dan is er vast wel eentje bij die jou leuk vindt, ga je met haar daten. Als je dan een tijdje date, en ze vindt je nog steeds geen eikel, mag je vast een keer met haar naar bed.’

Hij denkt na. Ik haal mijn hand van zijn schouder om een van de twee dienbladen met bier te pakken.

‘Dus: gewoon ècht vrienden worden met een meisje, leren hoe je met vrouwen om moet gaan, en dan krijg je vanzelf wel een keer een vriendinnetje.’

Hij kijkt bedachtzaam, knikt.

‘Bedankt,’ zegt hij.

Dan lopen we met de dienbladen naar onze vrienden. Vlak voordat we er aan komen, trekt hij zijn mond weer open.

‘Hey jongens!’ roept hij hard boven de muziek in het café uit. ‘Weet je wat hij zegt?’ Hij gebaart naar mij.

‘Hij zegt dat ik vrienden moet worden met een meisje zodat ik haar vriendinnen kan neuken!’

De jongens joelen en ik besluit hem geen advies meer te geven.

Geplaatst op Geef een reactie

Vlees

Ik hoef geen vlees meer,’ zegt ons zoontje. Hij gaat rechtop zitten, duwt zijn bord iets van zich af. Mijn vriendin en ik kijken verbaasd. Er ligt én er lag geen vlees op zijn bord.

‘Vlees…?’ zeg ik, terwijl ik haar aankijk. Ze haalt haar schouders op.

‘Mag ik van tafel uit?’ vraagt hij netjes.

Samen kijken we nog eens naar zijn bordje. Restje aardappels, sporen van broccoli, twee stukjes kaassoufflé die nog over zijn van de twee grote kaassoufflées die we op zijn bord hadden gelegd.

Dan lacht mijn vriendin.

‘Kaassou-VLEES,’ zegt ze. Ik lach ook, mijn zoontje begrijpt het niet.

‘Ja, je mag van tafel,’ zeg ik, ‘je hebt heel erg goed gegeten.’

Geplaatst op Geef een reactie

Klein Succes

Ik ben half wakker. Er zit iets klem, ik voel het. Met mijn rechter wijsvinger ga ik op onderzoek uit. Zit te diep. Hm. Ik haal adem via mijn neus, snel heen en weer. Helpt niet. Ik duw met mijn vinger op mijn ene neusgat, zodat ik met meer kracht door mijn andere neusgat kan uitblazen. Komt het los? Nee, jammer.

Ik luister even naar de andere geluiden in de slaapkamer, hoor het regelmatige ademhalen van drie mensen die ik graag nog even wil laten slapen. Ik probeer het nog eens, één neusgat dicht en flink: Fffft… uitblazen via het andere gaatje. Ik hoor mijn zoontje naast me een beetje kreunen. Niet wakker worden!

Ik blijf even stil, werk nog even door met mijn vinger, maar helaas, hij zit te diep. Kan er nét niet bij. Dan wacht ik tot de ademhaling van mijn zoon weer rustig is en FT! Met precies de juiste kracht knalt het propje uit mijn neus, recht in mijn vingers die al klaar zijn op hem op te vangen. Yes! Succes! Ik heb hem. Wat een flinke zeg! Oh wacht. Is er iemand wakker geworden?

Het is stil, gelukkig.

Tevreden rol ik het natte propje tussen mijn vingers. Per rol wordt het ietsje droger, totdat het bijna niet meer aan mijn vingers plakt. En nu? Afvegen aan mijn t-shirt van gisteren of achter het bed laten vallen zodat ik over een week weer ‘tik tik tik’ hoor als ik daar stofzuig?

Ik realiseer me dat het best gek is dat ik een klein beetje een tevreden gevoel heb als ik een snotje uit mijn neus krijg. Dat ik bijna trots ben als het een flinke unit is. En ineens weet ik dat dit hetzelfde gevoel is als ik een computerspel speel, wanneer ik een lastige veldslag win of tussen een grote groep zombies door weet te vechten. Trots op iets wat niet tastbaar is, iets waar ik niets aan heb en andere mensen ook niet. Trots op een lastig snotje.

Even denk ik dat ik nu vast ga stoppen met gamen, omdat het zo weinig concreets oplevert. Dan lach ik. Ik stop toch ook niet met pulken. Gekke ik.

Geplaatst op Geef een reactie

Geef Donald Trump een kans

‘Ik voel me niet zo prettig bij de nieuwe directeur van ons kinderdagverblijf.’

‘Hoezo dan?’

‘Hij liegt overal over, en als je hem daarmee confronteert, liegt hij nog meer. Hij heeft een paar vrouwen in hun kut gegrepen en doet daar stoer over. Zijn vorige bedrijven zijn allemaal failliet gegaan. En hij heeft dit kinderdagverblijf misschien wel gekocht met zwart geld van een stel criminelen.’

‘Heb je daar bewijs van, van dat zwarte geld?’

‘Nee, dat niet, maar hij is wel een paar keer gezien met mensen die bevriend zijn met criminelen.’

‘Dat is geen bewijs natuurlijk. Misschien is het allemaal wel helemaal legaal.’

‘Dat is wel waar. Maar hij heeft ook een nieuw team samengesteld, en dat zijn geen goede mensen.’

‘Hoezo niet? Zijn ze niet bevoegd als kinderleidster?’

‘Volgens de meeste mensen niet, maar volgens de nieuwe directeur zijn ze de allerbeste kandidaten voor deze banen. Maar ja, hij heeft een restauranteigenaar hoofd van de keuken gemaakt, en die wil de kinderen nu de restjes uit zijn eigen restaurant te eten geven. En zijn schoonmaker is uit zijn huis gezet omdat hij dertig katten had en zijn huis vol vuilnis lag.’

‘Maar misschien hebben ze daarvan geleerd, en doen ze het hier goed. Je moet mensen een kans geven.’

‘Jaah, op zich sta ik daar wel voor open, maar die directeur en de mensen die hij aanneemt geven me zo’n vervelend gevoel… Ik wil actie ondernemen. Ik denk dat ik mijn kind er liever weg haal.’

‘Dat vind ik nou zo flauw van je! Een beetje een naar gevoel in je onderbuik en dan wil je gelijk iemand zijn kans ontnemen om te laten zien dat hij goed is in zijn werk.’

‘Ja maar.’

‘Niks ja maar. Is die nieuwe directeur ooit veroordeeld wegens pedofilie?’

‘Nou, dat niet.’

‘Nou dan. Geef hem gewoon een kans.’

‘Maar als er iets met onze kinderen gebeurd?’

‘Dat zien we dan wel weer.’

Geplaatst op Geef een reactie

Hakken en Rocken

Er is al een tijdje mot tussen de gabbers en de hardrockers. Het ging mis op een feestje. Ze kregen eerst ruzie over de muziekkeuze van de dj en toen het uit de hand liep zijn met meubels gaan gooien en probeerden zelfs over elkaar heen te rijden. Nu maken ze de hele tijd ruzie. Over muziek, kleding maar ook vaak over helemaal niks. Elke keer als ze elkaar tegenkomen op de gangen, beginnen ze te schreeuwen. Alle andere mensen ergeren zich er kapot aan, maar wat doe je er tegen? Ze zijn nogal intimiderend.

Na het incident sloten ze zich steeds op in hun eigen kamers, waar ze met elkaar plannen gingen bekokstoven om de andere groep te grazen te nemen. En maar keihard muziek draaien. Niet alleen omdat de muziek blijkbaar zo gedraaid moet worden, maar ook omdat ze allemaal hartstikke hardhorend zijn. Daar helpt zelfs geen gehoorapparaat of implantaat meer tegen.

Beide groepen proberen hun territorium te verdedigen en uit te breiden. De hardrockers zitten vooral in de kantine, de gabbers in het restaurant. Ze proberen allebei de gemeenschappelijke ruimte over te nemen. Maar in alle ruimtes verzieken ze het voor elkaar en voor de anderen. Steeds weer draaien ze hun eigen muziek, zo hard mogelijk, via de speakers. Soms zet de andere partij hun eigen apparatuur neer om daar tegenin te gaan. Dat is pas herrie, twee van die harde muziekstromingen door elkaar heen.

Dat ze steeds meer hun eigen kleding zijn gaan dragen, was tot daar aan toe. Leren jacks en zwarte vale t-shirts voor de rockers en Australian trainingspakken voor de gabbers, als zij dat zo graag willen is dat natuurlijk prima. Maar dat ze de feestcommissie hebben opgeblazen omdat ze het nergens over eens konden worden, en dat ze het voor elkaar hebben gekregen dat er helemaal geen muziek meer wordt gedraaid in het winkeltje en bij de kapper, dat is natuurlijk te gek voor woorden.

Het is zo’n nare streek voor de mensen die van andere soorten muziek houden! Wij mogen nu ook niet meer een liedje aanvragen. Die gangen zijn al zo stil, zonder een lekker deuntje op de achtergrond is het alleen maar erger.

Gelukkig heeft de directie een oplossing gevonden. Het leegstaande abattoir naast ons gebouw is volledig geluidsdicht. Daar mogen die herriemakers lekker tekeer gaan, om de beurt een heel weekend. En dat ze er flink bij zuipen en pillen poppen, maakt niemand wat uit. Het is wel ongezond, maar ja. Iedereen moet toch ergens aan doodgaan, niet? Per slot van rekening zijn we allemaal bijna aan de beurt.

Toch had ik me iets anders voorgesteld van het leven in een bejaardentehuis in het jaar 2050.

Geplaatst op Geef een reactie

Stilstaan

Vanaf het moment dat ik op school aan kom, valt de jongeman me op. Hij zit op het bankje op het schoolplein zoals alle stoere jongens zitten: niet op de zitting maar op de rugleuning. Hij zit soms voorovergebogen, met zijn ellebogen op zijn knieën, gezicht in zijn handen. Soms zit hij rechtop en kijkt hij wezenloos voor zich uit. Ik kijk naar onze leraar Nederlands die ook onze mentor is.

‘Meester?’ vraag ik. Hij kijkt op van zijn nakijkwerk.

‘Al klaar?’ vraagt hij.

Ik knik.

‘Ik heb een vraag. Kent u die jongen die daar op het plein zit?’ Ik wijs.

Onze mentor draait zich om en kijkt naar het schoolplein. Dan draait hij zich weer terug, kijkt me aan.

‘Ja,’ zegt hij en blijft dan lang stil. Om me heen hoor ik alle pennen één voor één tot stilstand komen. Iedereen kijkt naar de meester, die dan diep zucht.

‘Ronald heet hij. Vier jaar geleden heeft hij hier zijn diploma gehaald. Vorige week zat hij in een auto, met zijn drie allerbeste vrienden. Ze waren allemaal dronken, hij zat achter het stuur. De auto vloog uit de bocht. Zijn vrienden waren op slag dood, hij had helemaal niets, geen kras, geen schram, geen blauwe plek. Hij kon zó uit de auto stappen.’

Iedereen kijkt naar de meester, niemand beweegt. Het is nog nooit zo stil geweest in de klas. Weer zucht de meester heel erg diep.

‘Willen jullie me alstublieft beloven dat jullie nooit, maar dan ook nooit, dronken een auto gaan besturen?’

We knikken allemaal.

‘En dat jullie nooit in een auto stappen als de bestuurder dronken is?’

Weer knikken we.

‘Ga verder met jullie opdracht,’ zegt de meester en we buigen ons weer over ons werk. De meester staat op en doet zijn jas aan, loopt de gang op. Als hij het lokaal uit is, leggen we onze pennen neer. Toch gaat niemand praten, zoals we normaal wel zouden doen.

Even later staat de meester bij de jongen op het schoolplein en legt een hand op zijn schouder. Er komt een auto aanrijden waar de jongen gedwee instapt, en ik zie de meester nog even met de bestuurder praten. En dan vraag ik me af of er ooit een dag komt dat de jongen in een auto kan stappen zonder dat hij zijn dode vrienden weer ontmoet.

Geplaatst op Geef een reactie

Mag Niet

‘Ik was ook heel erg graag in het leger gegaan,’ zegt A. enthousiast als een van onze collega’s vertelt over zijn tijd als dienstplichtige. We zitten met alle jongerenwerkers in een restaurant te wachten op ons eten.
‘Waarom heb je dat niet gedaan dan?’ vraag ik.
‘Ik mocht niet,’ zegt hij.
‘Waarom dan niet?’ vraag ik.
‘Zeker omdat je een Marokkaan bent,’ zegt Mo, die tegenover ons zit. ‘Wat een racisten.’
A. schudt zijn hoofd.
‘Strafblad.’
‘Waarvoor dan?’ vraag ik.
‘Verboden wapenbezit,’ zegt A.
‘Wat had je dan?’ vraag ik.
‘Een machinegeweer.’
‘Waar had je nou in een godsnaam een machinegeweer voor nodig?’ roep ik, iets te hard. Een paar mensen in het restaurant kijken naar onze tafel.
‘Hm, nou ehm uhm. Een gewapende overval,’ zegt A. schuchter.
‘Dan is het maar goed dat je niet in het leger mocht, pannenkoek,’ zegt Mo.
‘Anders had je er nog mee leren schieten ook.’
Iedereen lacht. Dan komt het eten en veranderen we van onderwerp.