Geplaatst op Geef een reactie

Spelen

legokasteel voor een grote jongen

De man die bij de bank werkt, laat de zolderkamer van zijn huis zien. Overal staat lego, vooral heel veel oude setjes uit de jaren negentig.

‘Spelen je dochters al met lego?’ vraag ik verbaasd. Mijn kinderen werden er pas enthousiast over na hun vierde jaar, en die van hem zijn nog niet zo oud.

‘Nou,’ zegt hij, ’die hebben er nog niet zo veel interesse in. Maar ik heb het een tijdje geleden toch neergezet. En nu met de lockdown ga ik wel eens in de avond naar boven, als mijn vrouw aan het werken is in de studeerkamer. Glaasje wijn erbij en dan lekker bouwen.’

Er komen herinneringen naar boven, aan al die dagen dat ik met mijn broertje of zelf met de lego speelde, steden bouwde, kastelen, ruimteschepen. Die herinneringen waren net zo prettig als de herinneringen aan het door natuurgebieden struinen met mijn oudere broer.

Twee weken laten zegt mijn vrouw: ‘Je mag voor je verjaardag kopen wat je wilt, tot honderd euro. Krijg je van mij en mijn ouders.’

Ik denk lang na. Eigenlijk heb ik niks nodig, zelfs niet voor in de keuken. Ik zeg dat ook tegen haar. Maar een paar weken later weet ik het toch.

Het is avond. De kinderen slapen, ik heb een glaasje whiskey op tafel staan. Naast het glas ligt het instructieboek van het legokasteel waar ik mee bezig ben, het kasteel dat veel lijkt op het legokasteel dat ik zo ontzettend graag wilde hebben toen ik klein was, maar wat ik niet kreeg, omdat het te duur was.

Morgen mogen de kinderen er mee spelen, maar vanavond is het van mij. En ook de kleine jongen in mij is er erg blij mee.

Geplaatst op Geef een reactie

Keihard

‘Papa, papa!’ Mijn oudste zoon staat bij de vensterbank, kijkt naar buiten.

‘Papa!’ zegt hij nogmaals. Er is duidelijk iets aan de hand. Ik sta op vanachter mijn bureau en loop naar hem toe.

‘Harry heeft een vogel,’ zegt hij en hij wijst. Onze rode kater zit in de voortuin. Voor hem ligt een verfrommelde duif, met een rode buik en zijn nek in een vreemde houding. De duif beweegt nog, maar het gaat duidelijk niet goed met hem. Ik loop naar de voordeur en doe open.

Onze kat loopt naar binnen, zonder nog naar zijn slachtoffer te kijken. Ik kijk naar de duif. Nek doorgebeten, darmen hangend uit zijn buik. Die valt niet meer te redden.

‘Wat is er met die duif?’ vraagt mijn oudste. Ik kijk om, zie dat zijn zusje en broertje achter hem staan. Ze proberen nieuwsgierig een glimp op te vatten van wat er aan de hand is. Ik sta op, jaag ze naar binnen.

‘Harry heeft een duif gevangen en ik denk niet dat die het gaat overleven,’ zeg ik tegen ze.

‘Mag ik het ziehien?’ vraagt mijn dochter. 

‘Neehee,’ zeg ik. Ik sluit de deur. Die klemt gelukkig, zodat ze hem zelf niet open kunnen maken. 

Bij de deur ligt een doorzichtig plastic boodschappentas, waar ik mijn rechterhand in doe en dan gebruik ik het plastic als een soort handschoen om de duif op te pakken. Hij trilt, ademt nog wel maar het gaat niet van harte. Snel doe ik de tas binnenstebuiten zodat de duif erin zit, en ik kijk om me heen. Daar is de grote steen die als decoratie in de tuin ligt. De duif hoeft niet langer te lijden, vind ik. Ik leg de zak met de duif neer achter de bakfiets, pak de steen en met één beweging laat ik de zware steen op het kopje van de duif terecht komen.

Gebonk op het raam. Mijn oudste is blijkbaar in de vensterbank geklommen, heeft alles gezien. Hij slaat met zijn vuist op het glas, schreeuwt.

‘Papa! Wat doe je!’ 

Shit.

Ik verberg de zak achter mijn lichaam, sjouw het naar de vuilniscontainer die voor het huis staat en waar de zakken in gaan met ‘overig’. Daar past deze zak wel in. Ik doe de deur voorzichtig open en ga naar binnen, waar ik met mijn huilende zoon (Duiven zijn mijn lievelingsdieren! Hij heeft nooit aandacht voor duiven gehad, maar goed) op de bank ga zitten. Ik leg hem uit dat als een dier heel erg ziek of gewond is, het aardiger is om hem uit zijn lijden te verlossen, net als we bij onze oude kat hadden gedaan. Toen die zó ziek was dat zijn leven alleen maar bestond uit pijn hebben, heeft de dierenarts hem geholpen om definitief van zijn lijden af te komen. En als er geen dierenarts is, dan moet je het zelf doen.

Hij begrijpt het, na een tijdje. We praten over onze oude kat Henkie, die we met zijn allen hebben begraven, praten over de dood in het algemeen. En we besluiten samen dat we nooit dood willen gaan, maar liever veranderen in robots.

Een half uur later zit hij te spelen met zijn zusje. Ze heeft een kussen in haar handen en ze slaat enthousiast op zijn hoofd.

‘Dit is een steen en jij bent een duif!’ roept ze vrolijk.

Geplaatst op Geef een reactie

Rotkind

‘Dikke piemel!’ roept mijn dochter, terwijl ze me ineens op mijn kruis slaat, ‘dikke piemel dikke piemel dikke piemel!’

Ik probeer haar weg te duwen, kijk haar aan.

‘Ik vind het niet leuk als je dat zegt,’ zeg ik. ‘Wil je er alsjeblieft mee ophouden?’

Ze giechelt, springt op en neer van de pret, probeert nogmaals tegen mijn kruis te duwen.

‘Dikke piemel!’ zegt ze.

Ik pak haar beet bij haar schouders, buig me voorover.

‘Echt. Niet. Doen,’ zeg ik, terwijl ik haar heel streng aankijk.

 

Ze staat stil, kijkt me aan.

‘Dikke piemel?’ zegt ze en ik zucht.

 

De ouders om me heen op het drukke schoolplein, kijken allemaal een andere kant op en doen alsof ze niks gehoord hebben.

Geplaatst op Geef een reactie

Veel te vol

‘We hebben echt genoeg speelgoed,’ zeg ik tegen mijn vrouw. We staan naast een paar volle bakken met Playmobil, vooral tweedehands. Sinds we wonen in een dorpje ten noorden van Amsterdam hebben we tijdens Koningsdag en in tweedehandszaken fijn veel kunnen kopen, voor relatief weinig geld.

Mijn vrouw knikt.

‘We hebben van alles wat, politie, dierentuin, ridders en prinsessen, alle verhalen die ze verzinnen, kunnen ze er mee spelen.’

‘En we moeten ze natuurlijk ook niet te veel verwennen,’ zeg ik.

Even zijn we stil en kijken we naar alle speelgoed. Mijn vrouw bukt en raapt wat losse ridders op, gooit ze in de ridderbak.

‘Alleen als ik een grote piratenboot zie,’ zeg ik, ‘alleen als ik die tegenkom in een tweedehandszaak ofzo, dan koop ik die nog wel. Die wilde ik zó graag hebben toen ik klein was! Ik zette hem elk jaar weer op mijn verlanglijstje. Maar we hadden nooit genoeg geld natuurlijk.’

‘Ik had er eentje,’ zei mijn vrouw, en ik kijk haar verbaasd aan. Ze had al haar oude Playmobil meegenomen vanuit haar ouderlijke woning. Waarom heb ik de piratenboot dan niet langs zien komen?

‘Mijn vader heeft hem aan mijn buurjongen gegeven toen hij een zoontje kreeg.’

‘Wat erg!’

Ze knikt.

Maar we zijn het er over eens. Wij, we bedoelen dus vooral ook de kinderen, we hebben méér dan genoeg Playmobil.

 

 

Twee dagen later in een tweedehandszaak waar ik even naar binnen ga als mijn pontje net weg is, twintig euro:

 

 

Geplaatst op Geef een reactie

Varken

‘Deze ketting?’ vraagt de verkoper bij de juwelier terwijl hij wijst naar de ketting die om zijn nek hangt. ‘Dit is een Varken, want ik ben een varken volgens de Chinese astrologie.

Mijn zoontje van drie kijkt hem aan.

‘Je bent helemaal geen varken,’ zegt hij, ‘je bent een meneer.’

Even is de man stil en dan lacht hij.

‘Ja dat is eigenlijk ook wel zo.’

Tevreden kijkt de kleine weer naar de glimmende sieraden in de vitrines.

Geplaatst op Geef een reactie

Jong geleerd

‘Ik was al op mijn vijftiende ondernemer,’ zegt de jonge man trots. Hij staat in het kantoor naast de ruimte die ik misschien wil huren. Achter hem zie ik het team dat hij heeft overgenomen van de vorige eigenaar van zijn bedrijf.

‘Ik kocht elektrische wagentjes in vanuit Amerika, en verkocht ze weer door in Nederland.’

Op mijn vijftiende nam ik een krantenwijk omdat mijn moeder niet genoeg geld had om me met schoolreisjes mee te laten gaan. Zes ochtenden in de week stond ik om vijf uur op, zodat ik niet meer als enige thuisbleef maar gewoon mee kon naar Londen of Parijs. Ik hield zelfs geld over om af en toe een fotorolletje te laten ontwikkelen (die ik had volgeschoten met de tweedehands camera die ik kreeg van een bekende van mijn moeder). Natuurlijk ging van al mijn inkomsten wel eerst de helft naar mijn moeder. Dan was de kans weer wat kleiner dat ik dingen aan de caissière moest teruggeven als ik boodschappen deed voor de hele familie. Heel vaak stond er nét iets te weinig op de rekening.

Ik kijk naar de jonge man, en realiseer me dat als je elektrische auto’s inkoopt op je vijftiende, je niet dat soort zorgen hebt als ik had. Ik krijg een klein beetje een hekel aan hem, terwijl hij er natuurlijk ook niet zo veel aan kan doen, dat hij een verwend ventje is.

Nu denk ik aan mijn zoontje, die tien vriendjes mocht meenemen voor het paintballen op zijn verjaardag. Hij zal misschien ook een keer tegen een vriendje zeggen: ‘maar dan ga je toch óók paintballen op je verjaardag? Hartstikke leuk’. Misschien is dat vriendje wel net zo arm als ik vroeger, en krijgt hij per ongeluk ook een beetje een hekel aan mijn zoontje.

Daar kan hij dan ook niks aan doen.

Geplaatst op Geef een reactie

Harig

Mijn jongste (3 jaar) en ik liggen samen op bed te wachten. Als ook zijn zus klaar is met tandenpoetsen en pyjama aantrekken krijgen ze een verhaal voorgelezen. Hij kijkt me aan van heel dichtbij, heeft net gezegd dat hij me heel erg lief vindt. Dan gaat hij met zijn kleine handje naar mijn gezicht.

Hjj aait mijn neus. ‘Wat is dat?’ vraagt hij en ik antwoord : ‘Dat is mijn neus’

Dan aait hij mijn wang en vraagt: ‘Wat is dat?’ en ik antwoord: ‘Dat is mijn wang.’

Hjj komt bij mijn kin en aait over de baardharen.

‘Wat is dat?’ vraagt hij en ik antwoord:

‘Dat is mijn baard.’

Hard lachend trekt hij zijn hand terug.

‘Dat is geen baard! Sinterklaas heeft een baard!’ Hij gaat rechtop zitten, blijft hard lachen.

Ik ben nauwelijks beledigd maar het spel is wel voorbij.

 

Later realiseer ik me dat hij mijn kin bedoelde, niet mijn baardharen. Domme papa.

Geplaatst op Geef een reactie

Turken

‘Mijn vader is Dominicaans,’ zegt het jongetje uit groep drie.

‘Mijn vader is Surinaams,’ zeg ik tegen hem. Hij kijkt me aan.

‘Oh,’ zegt hij.

Even zegt hij niks.

 

‘Ik háát Turken,’ zegt hij dan.

 

 

 

 

Uiteraard heb ik hem verteld dat het ontzettend onaardig is om dat te zeggen. Hij heeft dat ter kennisgeving aangenomen.

Geplaatst op Geef een reactie

Grote Kleine

‘Papa,’ zegt mijn zoon van bijna 8. ‘Papa. Jullie zijn Sinterklaas hè, jij en mama.’

 

Eén van de momenten waar je op wacht als ouder. Het moment dat een kind zó groot is geworden dat hij niet meer in Sinterklaas gelooft.

‘Hoezo denk je dat?’ vraag ik, toch voorzichtig. Ik wil hem niet te vroeg uit de droom helpen.

‘Nou,’ zegt hij, ‘júllie stoppen toch de cadeautjes in de schoenen? Dat doen de Pieten niet. Ze kunnen niet eens door de schoorsteen! Veel te klein.’

‘Dat heb je goed gezien,’ zeg ik en ik geef hem een knuffel. ‘Je bent een grote jongen. Maar niet aan je zusje en broertje vertellen hè! Die geloven er nog in.’

‘Natuurlijk niet!’ zegt hij en dan doet hij alsof hij zijn mond dicht ritst en op slot doet.

 

Hij ligt in bed, ik ligt naast hem, doe net het boek dicht dat we aan het lezen waren. Ik zie dat hij ergens over nadenkt. Dan kijkt hij me aan.

‘Trouwens papa,’ zegt hij, ‘op pakjesavond, dat is wel van Sinterklaas. Jullie kunnen echt niet zo veel cadeaus kopen. Het was wel voor duizend euro! En dat hebben jullie niet.’

‘Natuurlijk hebben wij dat niet,’ zeg ik, ‘duizend euro voor cadeautjes.’

‘Nee, dat is veel te veel voor jullie,’ zegt hij, ‘Maar Sinterklaas kan dat wel betalen.’

 

En dat is zo.

 

Geplaatst op Geef een reactie

Exit gesprek

Dua Lipa is aan het zingen, mijn zoontje kijkt naar het scherm, is even stil.

‘Het is heel erg mooi,’ zegt hij.

‘Is het mooi hoe ze zingt, of is zij zelf mooi?’ vraag ik.

‘Ze zingt heel erg mooi,’ zegt hij.

‘Is zij ook mooi?’ vraag ik. Ik ben benieuwd of hij dezelfde smaak heeft als ik.

‘Ik verlaat dit gesprek,’ zegt hij.

 

Geplaatst op Geef een reactie

Verrassing

Mijn zoontje van 7 kijkt naar de twee playmobilpoppetjes in zijn handen. Hij twijfelt welke hij in de ME-bus gaat zetten. Dan zet zijn broertje van 3 een stap zijn kant op, en grist er eentje uit zijn hand.

De kleine kijkt hem uitdagend aan, wijst met zijn vingertje naar zijn grote broer.

‘Dat had je niet verwacht hè,’ zegt hij.

De grote broer kijkt hem aan, te verbijsterd om boos te worden.

 

De kleine man loopt rustig weg. En zijn grote broer schiet in de lach.

Geplaatst op Geef een reactie

Schrap

Ons schattige blonde dochtertje van vier nestelt zich op haar moeders schoot. Samen kleuren ze barbiemeisjes in het kleurboek, netjes binnen de lijntjes, streepje voor streepje. Haar tong steekt een beetje uit haar mond, zó geconcentreerd is ze.

Dan gaat ze rechtop zitten, legt haar roze stift neer. Ze steekt haar vingertje op.

‘Mama?’ zegt ze.

“Ja schat,’ zegt haar moeder, die de kleine even over haar haar aait.

‘Mama!’ zegt ze dan, met nadruk. ‘Zet. Je. Schrap!’

Ze komt een stukje overeind, steekt haar bips naar achteren en laat een knetterharde scheet, met een trotse blik op haar gezicht.

 

Ons dochtertje gaat zitten, pakt de roze stift weer op.

‘Bedankt voor de waarschuwing,’ zegt haar moeder. ‘Jij kleine smeerlap.’

En dan lacht de kleine haar heerlijk frisse lach.

Geplaatst op Geef een reactie

Allemaal Vrienden

‘Hoi!’ roept mijn zoontje van zeven tegen de donkere man met het witte pak en de oranje veiligheidshelm die uit de fabriek loopt als we er langs fietsen. De man kijkt even verbaasd, groet dan terug, glimlacht.

‘Ik wil altijd wel nieuwe vrienden maken!’ zegt mijn zoontje terwijl we doorfietsen.

Ik glimlach. Zijn moeder en ik maken ook altijd praatjes met iedereen die we tegenkomen.

‘…zelfs als ze bruin zijn, dat maakt me niks uit,’ zegt mijn zoontje dan, helaas.

Geplaatst op Geef een reactie

Plons

We zijn in het zwembad met de kinderen. Ik til de jongste op en gooi hem omhoog, laat hem bij het opvangen in het water plonzen. En nóg een keer en nog een keer. Hij kijkt blij.

‘Nog een keer in de lucht gooien?’ vraag ik aan hem.

Hij denkt er even over na.

‘Nou vooruit. Nog één keertje dan,’ zegt hij.

Geplaatst op Geef een reactie

Droomzoon

‘Weet je wat ik heb gedroomd?’ vraagt mijn zoontje van zeven als hij uit zijn slaapkamer komt.

‘Ik droomde dat ik in de Witcher was, samen met jou, en dat ik de Witcher was, en jij hielp mij. We stonden in een kasteel, en er was een gat in de grond, en jij zei: niet vallen! Maar toen viel ik toch en kwam ik in een kelder met twee geesten. Ik pakte mijn zilveren zwaard en vocht met de geesten en de ene ging dood maar de ander sleurde mij op de grond. Ik sloeg hem wel met mijn zwaard maar deed te weinig damage.’

‘En wat deed je toen?’ vraag ik.

Hij grijnst ondeugend. ‘Toen zei ik: Fuck You, Bitch! En toen was hij dood.’

‘Uhm,’ zeg ik. ‘Goed zo.’

Lang, lang geleden had ik regelmatig dromen waarin ik achtervolgd werd door monsters waar ik niet van kon winnen en waardoor ik angstig wakker werd. Op een nacht zat er een weerwolf achter me aan en was ik er klaar mee, draaide me om en gromde GRRRRRRR tegen hem. De weerwolf keek me verbijsterd aan, en rende toen snel weg, jammerend van angst en schrik. Ik werd wakker, vol trots op mijn nachtelijke overwinning.

En heel toevallig vind mijn zoontje het die dag minder spannend om de school binnen te gaan in zijn eentje.

Geplaatst op Geef een reactie

Slapeloos

Mijn oudste komt de slaapkamer binnen, om vier uur in de nacht. Hij is deze week al vaker bij ons komen liggen, misschien onrustig omdat hij na twee maanden thuisonderwijs weer naar school moet. Hij heeft enge dromen, vertelt hij, maar we weten niet waarover. Ik maak me er zorgen. Nachtmerries over de Witcher 3, waar hij vaak naast me zat en stukjes meespeelde? De filmpjes over een of andere ‘granny’ die ‘I see you’ zegt, op youtube? Stopmotion zombie-lego filmpjes? Laten we deze 7 jarige jongen té enge dingen zien?

Hij kruipt over ons bed, ik doe het dekbed open om hem tussen ons in te leggen.

‘Had je een enge droom?’ vraag ik. Hij knikt.

‘Waar ging het over?’

‘Ik werd overreden door een bus,’ zegt hij.

GELUKKIG MAAR! We zijn geen slechte ouders.

We vallen snel weer in slaap.