Geplaatst op Geef een reactie

Ommekeer (1/20)

Henri maakte me wakker toen het nog donker was. Normaal gesproken kon ik zien hoe laat het precies was: mijn wekkerradio heeft heldere rode cijfers. Maar deze nacht was hij uit, net als al die andere dingen die nooit meer aan zouden gaan.

‘Lieverd,’ zei Henri, ‘liefje, je moet opstaan.’

Hij stond naast ons bed met Amy op zijn arm. Ze had een dikke jas aan, en haar rubberen laarsjes. Toen ik mijn ogen verder open deed en rechtop ging zitten, zag ik dat hij ook een dikke jas aan had, en zijn rubberen lieslaarzen. Zijn laarzen waren nat, zag ik in het licht dat door het half open gordijn naar binnen scheen.

Ik keek hem aan, vragend.

‘Er is water, beneden,’ zei hij, ‘en het stijgt. We gaan naar zolder.’

Henri was altijd heel rustig. Nooit kon ik hem betrappen op grote emoties, of grote gebaren. Hij deed altijd wat er nodig was, zeurde nooit, klaagde nergens over. Maar als er iets was dat hij echt wilde, gebeurde het ook, dan was hij onwrikbaar. Daarom woonden we ook in een huisje búiten Breda, en niet in een buitenwijk van de stad. En daarom hadden we Amy. Als het aan mij had gelegen, was ik er na de vierde miskraam mee opgehouden. Ik was toen zelfs te verdrietig om er nog om te kunnen huilen. Gelukkig troostte hij me door me ’s nachts in bed zachte verhalen te vertellen over alle avonturen die we gingen beleven met de kleine die zeker weten geboren zou worden, ook al was ze nog niet eens verwekt. Ik vond moed om het wéér te proberen en toen kwam er het wondertje.

Henri stond daar met Amy, en ik luisterde. Ik trok mijn jas aan, die hij op het voeteneind van het bed had gelegd, en mijn stevige schoenen. Toen nam ik Amy over en liep naar het trappenhuis, waar het aardedonker was. Ik probeerde het licht aan het doen maar het werkte niet. Henri schudde zijn hoofd toen ik een andere lichtknop wilde proberen, die van de badkamer. Ik begreep dat hij alle lichtknoppen al had geprobeerd. Hij wees op de zaklamp die op de trap lag.

‘Ook niet,’ zei hij.

Toen viel me een vreemd geluid op, beneden. Henri zag me kijken.

‘Dat zijn de meubels die door de woonkamer drijven,’ zei hij. ‘Ze botsen tegen elkaar aan.’

Ik keek de trap af, maar zag niks.

‘Ik haal gereedschap,’ zei Henri, ‘Zo terug.’

Henri stommelde de trap af en ik hoorde hem het water in stappen. ‘Shit,’ zei hij toen hij beneden kwam. ‘Het water is in mijn lieslaarzen gelopen.’

‘Is het zoet of zout water?’ vroeg ik.

Even was het stil beneden. Toen spoog Henri.

‘Zout,’ zei hij. Ik hoorde hem verder plonzen door de woonkamer.

Ik liep met Amy op mijn arm terug naar de slaapkamer, om naar buiten te kijken. De halve maan bescheen de wereld rondom ons kleine huisje. Ik zag water glimmen in het zilveren licht. Overal om ons huisje heen, rondom de bomen, klotsend over de weg die iets verhoogd aan het eind van onze tuin liep, overal was water zichtbaar. Zout water dus, de zee was blijkbaar door de dijken gebroken. Maar hoe kon dat? Er was geen storm geweest, het waaide nu ook niet eens. Een aanslag op een dijk? Maar dan zou het water hier niet zo hoog worden, toch? En wie zou er nou een aanslag willen plegen waar iedereen alleen maar natte voeten van kreeg? Toen wist ik natuurlijk nog niet dat héél de wereld was veranderd, dat er meer gebeurd was dan alleen een doorgebroken dijkje in West-Brabant.

Ik zag nergens licht, behalve in het raam van de overburen, het oudere Hollandse echtpaar dat een stuk verderop achter de grote ligusterheggen woonde en waar eigenlijk niemand contact mee had. Een klein lichtje, dat onregelmatig bewoog. Misschien hadden ze een kaarsje aangestoken? Dat bracht me op een idee. Ik liep met Amy naar de badkamer, waar ik regelmatig lag te ontspannen. Daar had ik een paar geurkaarsen staan. Op de tast vond ik de lucifers.

‘Fjuuu!’ zei Amy, want ze was gek op vlammetjes.

‘Mooi hè,’ zei ik tegen haar. Samen wachtten we op Henri, die even later weer de trap op kwam soppen, met zijn gereedschapskoffer in zijn hand, en in zijn andere hand een tas.

‘Drinken en eten,’ zei hij. We sjouwden alles naar de zolder.

Daar zagen we het langzaam licht worden. We zagen het dag worden, en we zagen het water steeds hoger komen, eerst tot aan de bovenkant van de heg, en toen zelfs tot aan de top van het straatnaambordje. Binnen kwam het eerst tot bovenaan de trap, en toen zelfs de gang in. We probeerden zoveel mogelijk dingen naar boven te sjouwen, kleren en alles waar we aan gehecht waren, maar toen het water bleef stijgen, wisten we dat het zinloos was. Alles zou toch doordrenkt raken met het zoute water, we zagen het langs de muren naar boven en over de vloer kruipen.

Henri bleef uiterlijk kalm, zoals altijd, ook de tweede dag toen het water niet meer steeg. Maar ik voelde dat hij onrustig werd. Het was een beetje net zoals toen we een spannende wedstrijd van het Nederlands elftal keken, de halve finale die we op penalty’s verloren. Ik keek naar hem, en hij leek totaal niets te voelen, ook al was iedereen in het café aan het schreeuwen en aan het joelen. Ik vroeg hem of hij het niet spannend vond, en toen pakte hij zacht mijn hoofd beet met beide handen en hij drukte mijn oor tegen zijn borst. Ik hoorde zijn hart razendsnel bonken, keek hem verrast aan en hij lachte. Toen wist ik dat hij wel iets voelde, ook al liet hij niets zien. Tijdens de bevalling, die zo lang duurde, bleef hij ook rustig. Eén keer pakte hij mijn hand en liet die op zijn borst rusten, zodat ik voelde dat hij het ook spannend vond. Daar werd ik dan weer rustig van, gek genoeg.

Nadat Henri het kleine dakraampje had losgeschroefd, ging hij elk kwartier het dak op. Elke keer kwam hij teleurgesteld terug. Niemand kwam ons redden. Eén keer leek hij iemand te zien, in de verte. Hij floot op zijn vingers, waarvan ik niet wist dat hij het kon, schreeuwde en zwaaide. Tevergeefs.

We maakten met stukken nat behang grote, hoekige letters: ‘HELP’ op het dak, in de ijdele hoop dat er een vliegtuig over zou vliegen en ons zou zien. Maar we zagen nergens vliegtuigen, ook de ijle witte sporen in de lucht die je altijd zag, waar je ook was, waren opgelost.

De derde dag maakte we de laatste blikjes open in de ochtend. Henri stelde voor dat hij in het water zou duiken om in de schuur naar zijn oude hengel te zoeken, maar ik wilde liever niet dat hij ons alleen liet. Hij leek ook niet zoveel zin te hebben om het koude, troebele water in te gaan en liet zich overtuigen. We hadden voor de avond nog maar een paar koekjes over, niet genoeg om ons allemaal te voeden. Henri en ik hadden nu al honger. Vannacht had ik Henri een paar keer zachtjes horen jammeren. Toen ik hem wakker maakte, keek hij me verward aan en vertelde dat hij droomde dat hij schreeuwde naar een vliegtuigje dat overvloog, een oude dubbeldekker, zei hij. Toen viel hij weer in slaap en in de ochtend was hij het vergeten.

Vandaag klommen we om beurten het dak op. Henri was de moed aan het verliezen, zag ik, maar hij vond dat we alert moesten zijn. Daarom hees ik mezelf door het smalle dakraampje, met genoeg honger en dorst om mijn handen te laten trillen. Henri wilde per se dat ik een touw om mijn middel deed, en de twee keer dat ik wankelde en bijna in het klotsende water viel, was ik daar erg blij mee.

Er stak een windje op, donkergrijze wolken verzamelden zich aan de horizon. Golven die eerst alleen maar rustig kabbelden, klotsten steeds harder tegen het huis aan, sloegen af en toe in de dakgoten. Er sijpelde steeds meer water naar binnen. Henri legde planken op de dozen en kisten die op zolder stonden, zodat we in ieder geval nog droge voeten hielden. Amy speelde er op met het oude speelgoed van Henri dat al jaren op zolder was opgeborgen en wij keken samen naar het laatste pakje met koekjes dat we hadden bewaard, de laatste maaltijd voor Amy.

Henri pakte het pakje op. Hij keek naar buiten. En toen moest hij ineens huilen, eerst zachtjes, en daarna steeds harder, tot hij snikkend gehurkt op de wankele planken zat. Amy liep naar hem toe, aaide hem over zijn rug. ‘toetoe papa’ zei ze, ‘toetoe’. Ik beet op mijn lip om niet mee te hoeven doen. Nog nooit was Henri gebroken, ook niet toen zijn moeder was overleden aan een herseninfarct, drie jaar geleden. Niet waar ik bij was in ieder geval. Eén keer had ik hem toen uit de schuur zien komen met rode ogen, maar toen ik vroeg of het wel goed ging, haalde hij zijn schouders op en ging aan de slag. Nu was hij stuk, waarschijnlijk omdat hij voor het eerst in jaren geen idee had wat hij moest doen, hoe hij voor ons moest zorgen. Ik keek naar hem, en pakte toen de roestige teil die we al lang hadden moeten weggooien maar waar Henri geen afstand van kon nemen omdat hij er vroeger altijd in badderde, in de zomer, in de tuin van zijn ouders.

Het was niet makkelijk om de teil door het raampje te wringen en stabiel op het dak te zetten. Oude schoolboeken verzamelen en er in gooien lukte beter. Henri kon alleen maar naar me kijken. Hij stond wel op toen ik me naar het raampje toe bewoog om mij de lucifers aan te geven. Hij gaf me ook een stapel plastic bordjes en glimlachte toen hij me aankeek.

‘Geeft heel erg vieze rook,’ zei hij. ‘Ik heb met mijn broers veel fikkies gestookt.’

De rook uit de teil steeg in dikke, vette wolken op. Eerst vervloog het in de wind, maar toen we meer oude boeken en meer plastic in de teil gooiden, werd de rook zo massief dat er uiteindelijk een lange zwarte vinger uit de hemel leek neer te dalen, een vinger die wees op ons dak. Henri keek me dankbaar aan, maar zei niks. En dat hoefde ook niet.

Een uur lang bleven we het uur voeden. En ook al zagen we de eerste vijftig minuten niemand op het water, we voelden ons rustig. Er zou iemand komen, we wisten het zeker.

Toen de roeiboot uiteindelijk bij ons dak aankwam, stapte ik als eerste in zodat Henri Amy aan mij kon geven. Hij gaf ook een tasje met kleding voor Amy aan, maar toen hij een tas met kleren voor ons wilde aangeven, schudde de stuurman van de boot nee en wees op de naderende storm.

‘We hebben haast,’ zei hij en Henri knikte en nam de plek over van een veertien jarige jongen die uitgeput over zijn roeiriem hing.

De tocht over het water dat ons Brabantse land overspoeld had, voelde als een droom. Ik zag bomen waarvan ik de kruinen herkende, een windvaan op een huis waar ik ooit op de koffie was geweest, de schoorsteen waar kauwtjes in nestelden, nog steeds zelfs, ik zag ze eruit vliegen en wees ze aan voor Amy, die ze zag en mij vrolijk nadeed toen ik ‘Kauw, kauw!’ zei.

De angst die ik een paar dagen had gevoeld was weg, vreemd genoeg. Mijn kind, mijn man en ik waren gered, en dat was genoeg.

En toen zag ik hem overvliegen, de eerste draak die ik ooit zag. Geen vage schim in de verte, maar honderd meter boven onze hoofden en groot genoeg om een flinke schaduw over onze boot te laten glijden. Een lichaam zo lang als een stadsbus, met groene schubben van zijn keel tot aan de punt van zijn staart, vleugels waar hij een huis mee in kon pakken, klauwen met lange kromme nagels. De roeiers stopten met roeien en iedereen zat doodstil, bang voor de draak of onder de indruk. Ik was blij. Mijn hele leven was gewoon geweest. Ik ben geen bijzonder mens, heb altijd alleen maar gewone wensen en verlangens gehad en doodnormale dingen gedaan. Maar ik droomde al sinds ik klein ben van draken. Ik probeer al jaren draken te tekenen, ook al kan ik dat niet zo goed. En nu vloog er eentje over mijn hoofd, zo dicht bij dat ik hem bijna aan kon raken! Even was ik gelukkig. Even dacht ik dat deze wereld wel eens mooier zou kunnen zijn dan de wereld waar ik een paar dagen geleden nog in leefde. Even schitterde het laatste zonlicht over het water. De schone hemel die langzaam werd verdrongen door de dreigende storm was intens donkerblauw. Amy keek naar de draak en zei: ‘Kauw?’ en ik lachte, en Henri lachte ook.

Maar de vreugde verdween toen ik hoorde dat mijn ouders overleden waren in hun dijkhuisje in Piershil, de nacht dat de wereld Ommekeerde. Toen lachte ik niet meer.

Geplaatst op Geef een reactie

Kak

‘Kak de Fak,’ zegt mijn zoontje tijdens het spelen.

‘Hee, heej!’ zeg ik.

Mijn vriendin kijkt hem aan.

‘Dat mag je niet zéggen!’ zegt ze.

‘Oh, mag ik dat niet zéggen?’ zegt mijn zoontje, ‘Dan ga ik het zingen. Kahaak de Fahak! Kak kak de fahahak. Kakkakdefak!’

Hij is snel uitgezongen, gelukkig. Mijn vriendin en ik waren toch niet in staat om er iets van te zeggen zonder het uit te proesten.

Geplaatst op Geef een reactie

Giftig

Achteraf gezien was het wel een beetje stom dat we allemaal tientallen jaren lang onze eigen grond en onszelf en onze kinderen vergiftigden. Het idee was dat we alleen ‘ongewenste’ planten en dieren verwijderden met de chemicaliën die we kochten, zodat we zoveel en zo makkelijk mogelijk konden oogsten, maar ergens wisten we wel dat het niet goed was. Ook wij zagen dat de natuur aan de randen van onze akkers steeds minder rijk werd. Ik zag de vlinders niet meer die vroeger over alle bermen fladderden. In de kruidentuin van mijn oma achter ons huis, waren bijna alle bijen en hommels weg. In het bosje rondom het verlaten huis van onze buurman zagen we ook nauwelijks kevers en torren meer, terwijl we er vroeger genoeg vonden om onze zelfgebouwde terraria te vullen. En de vogels, vleermuizen en egels verdwenen ook langzaam maar zeker. Maar ik wist ook dat het altijd financieel krap was, dat mijn vader drie dagen in de week moest werken als leraar op een basisschool en dat mijn moeder twee dagen moest werken als verpleegster om genoeg geld binnen te halen voor onze boerderij. Toen ik het bedrijf overnam, zag ik in de boeken dat we de helft van de jaren verlies hadden gedraaid. Maar ja, hoe kan je nou de boerderij verkopen die al zes generaties in het bezit is van je familie? Ik begrijp mijn vader wel.

We blijven in het huis wonen, mijn vriendin, zwanger van de tweede, en ik. En ik heb bedongen dat ik één hectare hou om zelf wat eten te verbouwen, op de ouderwetse manier, gewoon, om de liefde voor het land te tonen. Een beetje om mijn vader te eren ook, met een grote moestuin, wat schapen, geiten en kippen. Alsof ik een modern soort keuterboer ben.

Wij kunnen niet meer concurreren, niet tegen deze grote investeringsmaatschappijen die alle landbouwgrond in Europa opkopen. Ze doen alsof ze het vanuit een ‘groen’ perspectief doen. ‘Wij voeren landbouw uit zonder chemische bestrijdingsmiddelen’ zeggen ze, ‘omdat we geven om de toekomst’. Ze geven alleen om hun eigen financiële toekomst! Maar gelukkig zijn we nu in een tijdperk aangekomen dat er heel veel geld te verdienen valt met producten die de wereld niet kapot maken. Laat dan de rijke mensen maar veel geld investeren daarin, laat ze maar rijker worden. En zij zijn nou eenmaal de enigen die de enorme bedragen kunnen investeren in de robots van TESGOOGLA. Die bouwen en programmeren de kleine en grote machines die heel minutieus over de akkers kruipen en zweven, om daar stuk voor stuk alle onkruid en schadelijke insecten te verwijderen en recyclen. Ik had er graag een paar van gekocht om dat zelf te doen, maar ik kon het financieel niet opbrengen. De banken wilden geen geld meer lenen, zij staken liever al hun geld in de investeringsmaatschappijen. Logisch. Die hebben alleen maar grond nodig en schuren en hier en daar een ondergrondse loods waar de robots zichzelf en elkaar repareren. Zij hoeven geen huis te onderhouden, een vrouw en kinderen.

Ik leg mijn arm om haar schouders. Binnen slaapt onze kleine reus, de oudste, die als eerste zoon in zeven generaties geen boerenbedrijf zal leiden. Maar dat is niet zo erg. Hij zal tenminste opgroeien in een gezonde wereld, waar geen chemische producten meer in de landbouw worden gebruikt, waar de lucht schoon is omdat alle auto’s, vrachtwagens en boten elektrisch zijn. De natuur begint op te krabbelen. Ik voel het en zie het, steeds meer soorten planten zijn zichtbaar in de berm, op muurtjes en in bomen. Insecten komen terug in groten getale. Het is een betere wereld voor mensen en dieren, dat weet ik. Alleen is het jammer dat er geen kleine bedrijven van profiteren, dat alleen de allerrijksten en machtigste bedrijven en investeerders er financieel op vooruit gaan. Maar goed. Wij zijn niet rijk, maar wel gezond. En ik ben onderwijzer geworden, net als mijn vader parttime was. Misschien maken we hier onze nieuwe traditie van.

Geplaatst op Geef een reactie

Sjouwen

‘Je bent een goede man,’ zegt ze, ‘Je vrouw zal blij met je zijn!’

Ik loop naast het frêle moedertje met de twee kleine kinderen dat met drie zware boodschappentassen en een kinderwagen uit de tram was gestapt. Ik draag de loodzware tas die niet aan het stuur van de kinderwagen kon.

Ik beaam lachend dat mijn vriendin blij met me is. Meestal.

Ze zucht als ze naar haar kinderen kijkt. ‘Hun vaders verlieten me metéén toen ze hoorden dat ik zwanger was.’

We steken een drukke straat over en moeten daarna over een pad dat is gemaakt van rubberen platen, gelegd over zand. Ze heeft moeite om de kinderwagen over de platen te duwen. Gelukkig loopt haar oudste kindje braaf mee.

‘Daarom vroeg ik ook aan mijn vriendin,’ zeg ik, ‘toen ik haar net ontmoette, of ze kinderen wilde. Ik wel namelijk en anders had ik een andere vrouw moeten zoeken.‘

‘Als ik met mannen date, zeggen ze áltijd dat ze geen kinderen willen!’ zegt ze.

Ik geef haar boodschappentas als we bij haar voordeur zijn, ik groet haar en zwaai naar haar oudste kind. En als ik weg loop, denk ik: Misschien had je niet twee keer zwanger moeten worden van de mannen die aangaven dat ze geen kinderen wilden. En die mannen? Die moeten leren om er een rubbertje om te doen.

Geplaatst op Geef een reactie

Graaahaaahhhhhh!!!

‘Weet je wat ik voor muziek ik ècht leuk vind?’ De strak geklede BMW verkoper uit Brabant doet het handschoenkastje van de auto open, pakt de bovenste van een stapel zelf gebrande cd’s, doet deze in de ingebouwde cd-speler van zijn glimmende auto. Een dikke BMW uiteraard. Met leren bekleding.

Een klein half uur geleden beloofde hij me naar het station te brengen in Uitgeest, zodat ik op tijd in Amsterdam kon zijn: daar werd voor de eerste keer in mijn leven een toneelstuk van mij gespeeld op een klein festival. Maar overdag moest ik eerst nog een cateringklus uitvoeren in Heemskerk. Er daar komt weinig openbaar vervoer, zeker op zondag.

Hij drukt op play.

In Uitgeest zagen we dat er geen treinen reden: tientallen mensen liepen verdwaasd rond, keken op de kaart van de regio of naar het scherm van de NS, een enkeling was aan het bellen met een mobiele telefoon. De BMW-verkoper stelde voor om mij helemaal naar Amsterdam te brengen en ook wat andere mensen een lift te geven, ik sprak de eerste drie mensen aan die ik zag lopen. Daarom zaten er nu ook een bejaarde dame, een student met een kater en een jong gothic-gekleed meisje achterin de auto.

De muziek begint.

Snerpende gitaren, stampende bassen en donderende drums. En daar overheen extreem luid gegrunt. De oude dame achterin de auto kijkt alsof ze net heeft gehoord op welke dag en hoe laat ze dood gaat, de student met een kater is ineens klaarwakker, en het meisje dat volledig in zwart gekleed is, met de diepzwarte makeup, zit rechtop en lacht breed.

‘Dat is MURKDEATHSPIRALSKULL van SKRULLFODGERSKROOOMP’ zegt ze, met een intens gelukkige uitstraling. ‘Dat is een van mijn favoriete nummers!’

Hij laat het grommende, dampende en stampende nummer nog even doorbrullen, en dan zet hij het uit. Het oude dametje achterin slaakt een zucht van verlichting, de student grinnikt.

‘Ken je ook hun eerste album?’ vraagt ze en hij knikt.

‘Ik ben zelfs bij hun enige Europese optreden geweest,’ zegt hij.

‘In Stuttgart,’ zeggen ze allebei tegelijk en dan lachen ze.

Hij brengt het gothic meisje en de student bij station Sloterdijk en de oude dame naar haar zus in Nieuw West. Mij brengt hij tot aan het festivalterrein. Als hij weg rijdt, druk hij weer op play.

GRAAAAHHHAAAAIIIIUUUUUUUUUUUURGHHHH!!!’ klinkt uit de auto tot hij het raampje dicht draait.

Geplaatst op Geef een reactie

#mestupid

Het was al donker toen ik met mijn grote sporttas over mijn schouder over straat liep door het provinciestadje. Er ging wel een bus van het station naar de wijk waar mijn moeder toen woonde, maar die ging maar eens per half uur en deed er een kwartier over door alle omwegen. Veertig minuten lopen was altijd makkelijker en ik heb geen hekel aan wandelen.

Voor me zie ik iemand bij het stoplicht staan. Ze steekt over als het licht groen wordt, en ik versnel mijn pas, wil ook graag gebruik maken van dit groene licht. Anders sta ik lang te wachten bij de rondweg waar het ook op dit tijdstip druk is.

Ik ren een klein stukje als het licht op rood schiet en de eerste auto’s beginnen te rijden. De jonge vrouw voor me kijkt even om.

Daarna lopen we achter elkaar, met vijftig meter afstand, over het slecht verlichte pad in het parkje tussen weg en woonwijk. Iets verderop kijkt ze om, en gaat ze sneller lopen. En dan doe ik iets waar ik jaren later, als ik voor het eerst bevriend raak met vrouwen, spijt van krijg. Ik ga ook ietsje sneller lopen. Om te kijken wat er gebeurd. Ze kijkt weer om en gaat nóg iets sneller lopen.

Pas vele jaren later hoorde ik in Paradiso van vriendinnen over de mannen die hen bij de borsten en billen grepen, mannen die ze mij niet eens wilden aanwijzen, omdat ze er niet nog meer gedoe over wilden. Nog veel later hoorde ik meisjes waar ik relaties mee had, dat ze dit soort dingen allemaal hadden meegemaakt. Ik hoorde van iemand die geen ‘metoo’ wilde schrijven dat er nooit zoiets met haar was gebeurd. ‘Oh ja, wel vier keer een man die aan het masturberen was, kijkend naar mij op straat of op het strand. Maar niks ernstigs dus.’ En nu, door #metoo weet ik nog meer over hoe enorm de dreiging kan zijn van mannen, in donkere steegjes of overdag, in half verlichte disco’s maar ook op het kantoor.

Misschien was ik toen toch niet helemaal achterlijk. Ik vertraag weer, vermoed toch wel dat ze het niet leuk vindt. Ik moet helaas wel dezelfde kant op als zij, met het pad mee naar links, langs kapotte lantaarnpalen. Naar rechts als ik in de buurt van de woning van mijn moeder kom, waar zij ook naar rechts ging. En dan loop ik naar de voordeur, doe open met mijn sleutel. Even kijk ik om, zie dat de jonge vrouw een huis aan de overkant in gaat en ook naar mij kijkt. Ik hoop dat ze opgelucht was, dacht: ‘oh die gast moest gewoon hier zijn, zat helemaal niet achter me aan.’

Nu weet ik dat dát moment minder belangrijk was dan het moment een paar minuten eerder, toen ik haar hart en haar pas liet versnellen door even uit nieuwsgierigheid sneller te gaan wandelen. Ik heb haar bang gemaakt van vijftig meter afstand. Ik zal er voor zorgen dat mijn kinderen weten dat dit een angst is waar veel vrouwen mee zitten. Ik zal ze uitleggen dat hun gedrag daar invloed op kan hebben, negatief of positief. Ik zal er voor zorgen dat ze minder onnozel zijn dan ik toen was (en dat is niet zo moeilijk). Hopelijk zullen meer ouders dit doen, dit uitleggen, en kunnen onze kinderen over dertig jaar terugkijken naar ons en zeggen: ‘onze ouders wisten dat nog niet toen ze jong waren. Net als opa en oma nog niet wisten dat je kinderen niet de hele tijd moet vertellen dat ze geweldig zijn, en onze overgrootouders niet wisten dat je kinderen niet moet slaan.’

Hopelijk worden we gezamenlijk slimmer, elke generatie weer.

Of op zijn minst minder dom.

Geplaatst op Geef een reactie

Yogapedist

‘Ik ga vamiddag naaj de yogapedist,’ zegt het vierjarige meisje. Ze kijkt blij.

‘Naar de logopedist? Dat lijkt me een goed idee,’ zeg ik.

Haar moeder lacht, gelukkig.

Geplaatst op Geef een reactie

Hoe heet je eigenlijk?

‘Hoe heet je eigenlijk?’ vraag ik aan het meisje waarmee ik al een uur lang op het drukke huisfeestje aan het kletsen ben.

‘Ik heet Cokkie,’ zegt ze.

Eén seconde ben ik stil.

‘Wat een kutnaam,’ zeg ik dan.

Ze lacht hartelijk.

‘Je bent de eerste die het eerlijk zegt.’

Geplaatst op Geef een reactie

Vlug

De fietser valt half van zijn fiets als hij uit moet wijken voor de taxichauffeur die onverwacht afslaat. Boos stapt hij af.

‘Kan je niet uitkijken!’ roept hij naar de chauffeur.

‘Je fietst gewoon te hard!’ roept de chauffeur terug.