Geplaatst op Geef een reactie

OBJECT

Misschien is in het OBJECT wel de oplossing voor alle ziektes te vinden, ook hoe je kanker kan genezen. Bijvoorbeeld de kanker die in mijn ingewanden woedt en die voelt alsof ik van binnenuit wordt opgevroten door kevertjes met scherpe kaken. Ik kijk naar mijn beeldschermen en door het raampje aan de voorkant van mijn kleine ruimteschip. Ik zie het OBJECT nog niet in het echt, maar wel op het scherm. Het is langgerekt, rechthoekig, volledig zwart, helemaal glad, en duidelijk niet zomaar ontstaan ergens in het universum, maar gemaakt door denkende wezens, en niet door mensen.

‘Alleen kankerlijers krijgen wat ze willen, omdat ze het pakken,’ zei mijn vader ooit. Hagenees, dus hij gebruikte dat vervelende woord gewoon, ook al vond mijn moeder (uit Haarlem en dus een stuk beschaafder) het niks. Maar ze was er niet bij die dag, dus hij zei het. Toen haalde ik mijn schouders op, vond hem bot en lomp, maar een paar maanden geleden heb ik hem opgebeld om te zeggen dat hij gelijk had. Hij moest lachen en toen moest hij huilen en toen werd hij stil.

Vanaf mijn achtste wist ik al wat ik wilde worden, later, als ik groot was. Astronaut. Dat was een schattige opmerking op die leeftijd, op mijn twaalfde was dat lastig omdat ik per sé naar het atheneum wilde, terwijl ik een havo advies had gekregen. Met veel moeite kreeg mijn vader me op een gedeelde havo-vwo brugklas, waar ik door me helemaal de tering te werken, bij de vijf beste leerlingen hoorde en daarom het vwo mocht doen. Astronaut worden, dat was niet gewoon mijn droom, of mijn fantasie, het is gewoon wie ik ben. Alleen was ik heel lang nog niet een astronaut in een ruimteschip, maar iemand die op weg was om astronaut te zijn. Een beetje net als mijn jongere broer, die al vanaf zijn derde zei dat hij keeper was. Hij wilde geen keeper worden, hij wilde geen keeper zijn, hij wás het gewoon. Toen hij op zijn zesde mee mocht doen bij de keepertjes op de vereniging, en ik hem daar naar ballen zag duiken alsof het de normaalste zaak van de wereld was, toen wist ik dat hij gelijk had. We begrepen ineens ook allemaal waarom die kleine mafkees altijd en overal naar de grond dook, op de vloer ging liggen, slidings maakte op allerlei ongewenste momenten en locaties, in supermarkten, op bezoek bij oma, in de trein, op straat. Hij was gewoon een keeper. Is hij nog steeds, in het eerste van de vereniging waar ik ook altijd voetbalde. Ik zat in het tweede, ik voetbalde omdat het leuk is en omdat een astronaut natuurlijk een geweldige conditie moet hebben. En als het eerste speelde, ging ik kijken naar mijn broer, tenzij ik net heel ver weg was voor mijn astronautenopleiding. Want dat ben ik gaan doen, na een hele lange tijd.

Na het VWO ben ik in Leiden natuur- en sterrenkunde gaan studeren, en dáárna nog medische biologie. Twee studies afgerond dus, want nogal wat is voor een lefgozertje uit Scheveningen. Een master gedaan in psychologie, en gepromoveerd in een onderwerp dat met al mijn studies te maken had: de psychologische effecten van langdurige ruimtereizen op mensen. Er was niet heel veel onderzoek over gedaan, maar ik las alles, belde en mailde met onderzoekers, sprak zoveel mogelijk astronauten en mensen die zich als test subject lang hadden laten opsluiten. Ik ging op bezoek bij wetenschappers in Antarctica, een heel jaar lang en kreeg daar uiteindelijk te horen dat het zwaarste aan hun verblijf daar was dat ze constant mijn irritante vragen moesten beantwoorden. En nu ben ik Dr.

Tijdens al mijn studies meldde ik me steeds weer aan voor astronautenprogramma’s van de ESA. Eerst werd ik nog veel te licht bevonden, maar tijdens mijn promotieonderzoek kwam ik in de voorselectie en mocht ik testen. Afgewezen, de eerste keer. Dat deed zeer. Ik dacht dat ik er al was. Nog pijnlijker was het dat ik een van mijn lichtingsgenoten al binnen twee jaar een korte reis zag maken, naar het ruimtestation. Maar de keer erna werd ik aangenomen, en was ik de gelukkigste man op de planeet.

Ik kwam goed door alle onderzoeken, fysiek en mentaal. Ik wist hoe ik me moest voorbereiden, en had dat dus ook perfect gedaan. De programma’s waren zwaar, maar geweldig om te doen, zeker ook omdat ik in een groep enorm gemotiveerde briljante mensen terecht kwam, die elkaar hielpen om beter te worden in plaats van dat ze elkaar vliegen probeerden af te vangen. Dat was een verademing na de universiteit. En toen was ik er klaar voor, op een dag. Ergens, over anderhalf jaar, zou mijn reis naar het ruimtestation zijn, waar ik onderzoek zou gaan doen naar de psychische effecten van een lang verblijf in de ruimte, niet alleen bij de ESA-astronauten maar ook de Russen en de Amerikanen.

En toen kreeg ik pijn in mijn buik, en negeerde ik het want ik ben geen watje, maar het werd erger en ik liet me onderzoeken. Darmkanker, uitgezaaid naar lever en nieren. Dodelijk. Als een oncoloog direct begint te praten over goede palliatieve zorg, waarbij je alles zelf in de hand houdt, en waar ze ervoor kunnen zorgen dat je zo min mogelijk pijn hebt, dan weet je dat ze je al compleet hebben opgegeven. Dat was even slikken. En toen ik me realiseerde, twee seconden later, dat dat ook betekende dat ik nooit in een raket naar de ruimte zou gaan, werd ik verdrietig, heel erg verdrietig.

Ik heb het de arts niet verteld, dat mijn naderende dood me niet het meest verdrietig maakte, maar wel het feit dat ik geen astronaut kon zijn. Dat alles wat ik had gedaan in mijn leven ineens zinloos was, elke inspanning die ik had geleverd, de dingen die ik me heb ontzegd; vrienden, vriendinnetjes, tijd voor hobby’s. Alles wat ik deed, was met in mijn achterhoofd dat ik astronaut zou worden. En dat was voorbij, dacht ik op dat moment. Maar ik zit hier nu wel, in het haastig in elkaar gezette ruimteschip, gemaakt door wetenschappers en technici van de hele wereld: meer dan zestig landen hadden een bijdrage geleverd aan deze wetenschappelijke missie, en ik was de kapitein en gelijk ook de hele bemanning.

Na de uitslag van het onderzoek besloot ik om afscheid te nemen van mijn collega’s, wat mooi en liefdevol was. Ik dacht even dat ze me vies zouden vinden door die indringers in mijn buik, bang om me aan te raken, onbewust denkend dat de monsters misschien op hen over konden springen, maar dat waren ze niet: ze hielden me vast en huilden met me. En ik dacht erover na om daar nog een rapport over te schrijven, dat uitgebalanceerde mensen, die emoties kunnen hebben en deze durven te laten zien, dat die het meest geschikt zijn voor lange ruimtemissies, meer dan mensen die hun emoties proberen te verbergen, te onderdrukken. Maar ik vond er de kracht niet meer voor om nog iets zinnigs met mijn leven te doen, de weken erna. Ik ging niks doen, gek genoeg, wandelen, op een bank zitten en naar een bos kijken, lange wandelingen maken in de natuur.

In die stilte vonden ze me, anderhalve maand nadat ik afscheid had genomen. Ik had geen telefoon bij me tijdens mijn wandeling in de Ardennen, had niet het idee dat iemand me wilde bellen en wilde ook zelf met niemand contact. Ze vonden me daar en ze namen me mee naar de VS, waar ze me een missie wilden geven. Ze vertelden me niets meer dan dat het topgeheim was, maar dat ik wel de ruimte in zou gaan, en ik begreep meteen dat het een missie was zonder terugkeermogelijkheden en dat vond ik prima en ik ging mee.

Het was heel erg vreemd om al mijn collega’s weer te zien, die me vrolijk begroetten maar ook een beetje gereserveerd soms. Ze hadden het er met elkaar over gehad, blijkbaar, en iedereen vond dat ik het moest doen, dat ik de enige gekwalificeerde kandidaat was.

Langzaam nadert mijn ruimteschip het OBJECT, en tegelijk ga ik knetterhard: een paar duizend kilometer per uur. Maar het OBJECT waar ik naartoe ga, gaat bijna even hard, dus het verschil wordt alleen maar een heel klein beetje minder elk uur. Over een dag moet ik er dichtbij genoeg zijn om het te kunnen aanraken, vangen, aantikken, wat er ook mogelijk is. De wetenschappers wisten niks van het OBJECT, behalve dat het gemaakt moest zijn, en niet door mensen. Ik moest zelf maar uitzoeken hoe ik het moest benaderen. Dat was de voornaamste reden dat ze een mens stuurden naar dit vreemde ding. Van een afstandje beslissingen nemen, werkte vertragend. Ik ben zo ver weg van de aarde dat elk bericht er een minuut of vijf over duurt voordat het mij bereikt en terugsturen duurt even lang. Als er iets onverwachts gebeurt, is elke beslissing tien minuten te laat. Ik kan snel reageren op alles, en als het nodig is kan ik de slimste mensen van de aarde laten helpen.

Ze stelden een team samen om me te begeleiden, een bioloog, een natuurkundige, een ruimtevaartpiloot, twee technische mensen, een arts en een psycholoog natuurlijk, een oude bekende van me, een ex zelfs. Gek dat ze juist haar erbij hadden gehaald. Je zou denken dat het handiger was om een team samen te stellen van mensen die niks voor me voelden of gevoeld hadden, omdat ze me richting een zekere dood gingen sturen. Maar daar was ze dan, Stacey, de Amerikaanse vrouw ik tegenkwam tijdens mijn promotie op de Duke University en waar ik een paar maanden mee scharrelde, totdat ik klaar was met mijn onderzoek en naar Nederland terug ging. We wilde niet voor elkaar verhuizen, zodat de relatie daarna snel dood bloedde, de relatie. Stacey zei niet zo veel tijdens de training, en dat was ook niet de bedoeling.Ik moest heel veel dingen leren over alle software die was aangepast voor dit geïmproviseerde ruimteschip: een unit die eigenlijk een uitbreiding van de ISS had moeten worden, maar die werd aangepast om mij een enigszins leefbaar maar vooral veilig verblijf te bezorgen op mijn reis van twee weken naar het OBJECT. Met drie Amerikaanse raketten, twee Europese, een uit India en drie uit China werd alles de ruimte in gebracht, en mij stuurden ze later op een Russische raket er achteraan. Bij de ISS werd alles in elkaar gezet, schroefden ze de raket er aan vast die me het laatste stuk uit de aardse zwaartekracht zou schieten. Zij was er bij op de aarde als ik met de rest van het team sprak over de technische details, over welke apparatuur ik mee kreeg om betrouwbare metingen te doen over het OBJECT. Ze maakte aantekeningen, vooral als ik grapjes maakte of cynisch deed, maar ze vroeg niks en ze zei niks. Ik vroeg haar ook niks, had het te druk.

Ik slurp een tube leeg. Appelmoes, smaakt als een van de weinige dingen uit een tube hetzelfde als op aarde. Heel veel andere maaltijden krijg ik binnen als een babyprutje, te zacht van textuur, zodat ik blij ben als ik iets proef wat vertrouwd binnenkomt.

 

Elk uur laat ik foto’s maken van het OBJECT, elke keer kijk ik of ik al iets anders kan zien dan dat het een rechthoekige vage blob is. Het begint ergens op te lijken: het is inderdaad rechthoekig, en er zitten geen uitsteeksels of inkepingen aan, en de kleur is zwart. Ik ben benieuwd of het inderdaad glad is, en hoekig.

Eén gedachte kwam steeds weer naar boven vanaf het moment dat ik hoorde dat het OBJECT glad, zwart en rechthoekig was. Stel je voor dat de Kaaba, in Mekka, het broertje is van dit OBJECT. Als dat ook een mysterieus zwart glimmend rechthoekig object is, het waard om vereerd te worden, dan passen die twee misschien wel bij elkaar. Stel dat aliens overal in het universum zijn, of zijn geweest en dat ze overal waar er levende wezens zijn twee OBJECTEN achterlaten, één op een plek waar niet veel verandert, zoals een woestijn zonder al te veel tektonische bewegingen, en één in een baan rond de planeet waar de levensvormen zijn. En dat ze dan wachten tot de levensvorm het tweede object waarneemt, opzoekt, beetpakt en naar de planeet brengt omdat het lijkt op twee puzzelstukjes die bij elkaar geplaatst moeten worden. En dan gebeurt er iets. Misschien worden die twee losse stukken samen een poort naar de rest van het universum. Misschien wordt er informatie zichtbaar, te ontcijferen door slimme wiskundigen en taalkundigen, die alle geheimen van het universum prijs zo kunnen ontrafelen. Misschien wordt het een baken, gaan er signalen uit en worden we bezocht door de makers van de OBJECTEN. Of misschien is het samenbrengen van die twee genoeg om een zwart gat te laten ontstaan, waar de aarde door wordt verzwolgen. Doen aliens dat om mogelijke concurrenten voor grondstoffen en energie in het universum uit te schakelen voordat ze echte ruimtevaart ontwikkelen.

Ik heb verschillende soorten pijnstillers tegen de pijn in mijn buik, die langzaam erger wordt. Ze zorgden goed voor me, die artsen. Toch kan ik niet te veel van de zwaarste categorie nemen, omdat ik heel graag zo scherp mogelijk wil zijn voordat ik bij het OBJECT kom. Nog een paar uur, geleid door de automatische piloot, en dan ben ik er dichtbij genoeg om af te remmen en contact te maken. Ik kan het nu zien, groot, zwart, perfect glad, glimmend. Het is nog een wonder dat we het hebben gezien vanaf de aarde. Het is best groot, bijna honderd meter lang, maar het is zo donker dat het nauwelijks opvalt. Het gebrek aan sterren waar het OBJECT zich bevindt, is bijna duidelijker dan het ding zelf.

Elke zestien jaar komt het in de buurt van de aarde, kreeg ik te horen bij mijn eerste briefing. Elke zestien jaar komt het eventjes zó dichtbij dat we er met een ruimteschip naar toe kunnen vliegen, de rest van de tijd zit het buiten het zonnestelsel. Het draait geen rondje in het vlak van de planeten, het staat er haaks op, duikt vanaf de duistere diepte aan de ene kant van het zonnestelsel even het licht in en schiet daarna weer verder, de duisternis aan de andere kant in. De uiterste punten van de reis van het OBJECT liggen even ver als de Oort-wolk. Ik heb zin om me aan het ding vast te maken en mee te vliegen naar de Oort-wolk, om ‘Boldly go where no man has gone before’ maar ik wil ook niet het OBJECT van gewicht laten veranderen zodat het misschien een route krijgt die het ooit keihard op aarde laat landen. Ik wil geen derde grote Extinction Event veroorzaken.

Ik heb een pil meegekregen, een pil die alle astronauten ontvangen als ze in een ruimteschip stappen. Een pil waarmee ik in een korte tijd, op een relatief zachte manier afscheid kan nemen van het leven. Wel gek dat ik in een klein doosje een dodelijk middel bij me heb, terwijl ik een dodelijk monster in mijn ingewanden heb zitten dat me van binnen opvreet en dat terwijl er op een halve meter afstand van mij de Grote Leegte is, waar ik binnen een bijzonder korte tijd sterf als ik er zonder bescherming in terecht kom. Overal dood om me heen dus, buiten, van binnen en in mijn hand in een klein blauw doosje. Ik ben benieuwd hoe de pil werkt, hoe het gaat als ik hem neem. Ik kan me niet voorstellen dat ze hem vaak hebben uitgeprobeerd op mensen, zou een beetje lullig zijn. Misschien hebben ze het ooit een aap gegeven, slikte hij de pil, verborgen in een stukje banaan, zo in, ging hij liggen met een vredige glimlach op zijn gezicht en stierf hij toen. Misschien kwam hij eerst in gedachten wel in het paradijs terecht, vol met fruitbomen en gewillige andere aapjes en ging hij toen het hoekje om. Zou wel mooi zijn, om het gevoel te hebben dat je in het paradijs terecht komt voordat je dood gaat. Ik kijk nog één keer naar het doosje en leg hem dan weer in het kastje onder de console. Af en toe check ik of hij er is, en dat is raar, want er is niemand die hem kan afpikken en op zijn eigen houtje aan de wandel gaan is ook onwaarschijnlijk.

Er is niks op het OBJECT te zien. Perfect glad, vertellen de camera’s mij van deze afstand. Ik moet zeggen dat ik wel een beetje teleurgesteld ben. In mij zit een nieuwsgierige puber die graag gave alienteksten had gezien, die dan een prachtige uitdaging waren voor een team geleerden, taalkundigen, wiskundigen en biologen die dan jaren lang moesten ploeteren om de taal te ontcijferen. Nu is het OBJECT tegelijk eenvoudiger én ingewikkelder. Wat is de bedoeling van het ding? Is het een database, een soort back-up van een samenleving die ooit verdwenen is en zijn herinneringen de ruimte in heeft geschoten, in de hoop dat er ooit iemand zou zijn die het kon openen en lezen? Is het een onderdeel van een ruimteschip, een soort galactische versie van een remschijf, per ongeluk achtergelaten door een team alien-astronauten die achterom keken, het OBJECT zagen en dachten: daar gaan we niet voor in zijn achteruit? Is het een grap van kosmische omvang? Zitten er aliens in een ruimteschip een stukje verderop achter een planetoïde te wachten tot iemand zoals ik er naartoe vliegt, zeggen ze zo meteen de intergalactische versie van ‘kiekeboe’. Is het een test? Mogen samenlevingen die dit OBJECT bereiken meedoen aan de grote overlegorganen van de ‘ruimtevarende wezens’-federatie? Alles kan.

Mijn buik doet elke dag meer zeer, een groeiende brand woedt in mijn ingewanden, vlammen likken mijn longen van binnenuit, kevers krioelen in mijn darmen, proberen zich een weg naar buiten te banen. Ik heb het ze gevraagd, de artsen, hoeveel pijn het zou doen, maar ze wilden niet meer vertellen dan dat iedere mens een andere pijngrens heeft en dat er goede pijnmedicatie was tegenwoordig en meer van dat soort blabla. De mensen die in de wachtkamer zaten met mij, met hun dunne armen, hun bleke gezichten en met hun kale chemokoppen, glimlachten en zwegen als ik het ze vroeg. Een ervan aaide me over mijn hoofd toen ze de spreekkamer van de oncoloog verliet, een fragiel meisje van niet meer van 15 jaar. Ik neem een iets hogere dosis normale pijnstillers, maximaal tot aan wat het medische team me had aangeraden. De grens daarvan is bereikt. De zware pillen wachten en daarna het kleine doosje. Ik ben in ieder geval de baas over deze situatie, dat is positief. Of in ieder geval: ik ben de baas over de beslissingen.

Ik kan het nu ook zien in het raampje: het OBJECT is lang, ruim 78 meter, vijftien meter breed ongeveer en even diep. Glimmend zwartig, met een zweem erin, een andere kleur, niet perfect zwart. Welke kleur erbij zit weet ik niet. De zon verlicht alles goed, we zitten op dezelfde afstand ongeveer als de aarde is van de zon, maar ik weet niet of het glas waar ik doorheen kijk of iets anders de zichtbare kleur beïnvloed. Ik kijk ernaar terwijl mijn kleine ruimtehuisje rustig doorzweeft door het niets, langzaam het OBJECT inhalend.

Teruggaan is onmogelijk. Daar heb ik voor getekend. Daar heb ik heel veel papieren voor getekend. Ik ga hier dood, in dit huisje, of misschien ga ik dood zwevend in de ruimte, in het ruimtepak dat ik mee heb. Ik moet er nog over nadenken wat ik de mooiste dood vind. Eerst nog maar even een stukje leven en de mensheid helpen het grootste mysterie aller tijden te helpen oplossen.

Ik heb het ruimteschip gedraaid en de koepel van het grote raam geopend. Ik zit op vijftig meter afstand van het OBJECT en ik kijk er naar. De zweem lijkt een soort paarsig zwartrood te zijn. Ik heb het gecheckt met de aarde en die lieten weten dat het glas in principe geen grote kleurverandering zou moeten opleveren, en dat de camera’s dezelfde kleuren zien. Ik kijk naar het OBJECT en ik kijk ernaar, doe even niets anders dan dat. Ik val zelfs in slaap, en word wakker, kijkend naar het ding. Het is nog steeds even ver als voordat ik in slaap viel, zo’n anderhalf uur geleden. De automatische piloot houd me op de juiste plek en dat is fijn.

Geen radioactieve straling of andere warmte straalt er vanuit het OBJECT. Geen energiebron van binnen dus, of een energiebron die leeg is. Het OBJECT is verder niet massief en niet hol, maar mijn apparatuur kan niet onderscheiden wat er in zit. Misschien is de buitenkant te dik. Ik vraag en krijg toestemming, en dan ga ik iets dichterbij, tot twintig meter.

Ik kijk door het grote raam naar het koude levenloze ding, vraag me af of er ooit leven in had gezeten, of iets levends het ooit had aangeraakt of dat het misschien een mechanisch ding was door robots gebouwd lichtjaren verwijderd van de wezens die ooit de robots hadden ontworpen en op pad gestuurd.

Een dag en een nacht zijn alle apparaten bezig om metingen te verrichten, data te verzamelen. Het gewicht is precies gemeten. Het OBJECT was waarschijnlijk voor een deel hol. Zou geinig zijn als ik er in kon klimmen, om daar te gaan liggen en te sterven, in de meest sjieke doodskist aller tijden. Nog geiniger als dan pas over een paar honderd jaar het OBJECT weer door mensen gevonden wordt, na een wereldoorlog ofzo, en dat iedereen dan superverbaasd is dat er een mens in een alien-ding zit. Maar misschien moet ik maar even niet nadenken over practical jokes. Tijd voor een uitstapje.

Ik doe het pak aan, ga in het minuscule sluisje staan waar ik maar net in pas, doe het deurtje achter me dicht, wacht. En dan doe ik de deur open en duw mezelf uiterst voorzichtig naar buiten. Geen enkele mens heeft ooit een wandeling in de ruimte gemaakt, zo ver als ik nu ben. Dat is wel heel erg geweldig. Godverdomme, ik had dit nooit verwacht. Het voelt alsof ik er nu écht ben, alsof ik nu pas een officiële astronaut ben! Dat had ik toch moeten voelen in het ruimteschip? Misschien is dat het effect van zweven vlak buiten mijn kleine ruimtehuisje, in het absolute niets. Ik zweef verder, doe mijn vizier naar beneden en kijk even naar de zon, heel klein en heel ver weg. Ik kan de aarde niet zien, kijk op mijn armcomputer, reken het uit, draai en kijk dan nogmaals en daar zie ik het, een klein lichtblauw stipje, waar iedereen is waar ik van hou. En het is ook de plek waar op dit moment duizenden mensen, misschien wel miljoenen, zitten te wachten tot ik iets nuttigs ga doen met mijn tijd. Ik draai me weer om en kijk naar het OBJECT. Van zo dichtbij is het erg groot. Langzaam maar zeker laat ik mezelf de kant van het OBJECT op duwen door de kleine jetpack die aan mijn pak is vastgemaakt. Elke vijf meter wacht ik, dan laat ik metingen verrichten. Geen straling, geen giftige stoffen, geen biologische of andere gevaren, voor zover de apparaten het kunnen zien. En elke keer wacht ik tien minuten, tot ze het ook thuis allemaal hebben bestudeerd, de waarden die er gemeten worden.

Ik zou het nu bijna kunnen aanraken, het OBJECT, met mijn ingepakte vinger, zó dichtbij ben ik. Ik doe het nog niet, wacht weer de metingen af, en ik heb ook iets in mijn pak zitten dat mijn vinger moet vervangen, iets dat nog gevoeliger is dan de top van mijn vinger. De kop ziet er een beetje uit als een grote dildo, wat ook bij universitair geschoolde en zeer serieuze en professionele mensen nogal wat gegniffel opleverde. Ik haal mijn ding uit mijn zak en hou het tegen het OBJECT aan, zie dat het contact maakt. Meer metingen.

Een pijnscheut in mijn buik, de monsters vallen me weer aan van binnen, ik beweeg even, vervloek mezelf en de ziekte omdat zo de meting misschien verstoord is. Ik zeg het tegen thuis, wat er gebeurde, omdat ik nergens over mag en wil liegen, eigenlijk. Ik zet het ding weer tegen het OBJECT en ineens zie ik iets gebeuren, op het gladde vlak van het grote zwartige OBJECT. De zweem van roodachtig paars lijkt iets te verschuiven, te veranderen, precies in de buurt van mijn dikke meetapparaat.

Maar ik zeg het niet. Want ik weet niet of het in mijn hoofd gebeurde of in het echt. Eerst afwachten of ze het op aarde hebben gezien, of iemand van het hele team dat de meer dan 20 camera’s in de gaten houdt, in meerdere golflengtes alle data bestuderend, of die iets gezien hebben. Want misschien is de pijn mij beelden in mijn hoofd aan het geven, en zijn mijn waarnemingen onbetrouwbaar. Als dat zo is, is mijn rol hier klaar, dan zullen ze alles wat ik zeg met een korreltje zout nemen. Ik wil niet nutteloos zijn, zo vlak voor mijn einde. Ik wacht, de tijd verstrijkt, ik wacht nog even en dan nog even, maar ze zeggen er niets over. Zometeen thuis, ik bedoel: in het high tech koekblik, zelf even alle beelden naspeuren om te zien of het echt is. Misschien nemen mijn hersenen me niet twee keer in de maling. En dan hoor ik haar stem, hoor ik Stacey. Ze vraagt of ik nog iets bijzonders gezien heb. Stacey heeft verder nog geen vragen gesteld. Dit is vreemd. Ik vraag haar wat ze bedoelt, en ze legt uit dat ze zag dat ik ergens op reageerde. Ik denk er even over na. Ik zou willen dat ik het met haar kon bespreken, privé, van mens tot mens, dat ik mijn zorgen over mijn geest met haar kon delen en dat ze eerlijk kon zijn tegen me, mijn waarnemingen kon gebruiken bij het onderzoek als ik het goed gezien had en me kon troosten als het niet echt was. Ik zeg dat ik graag de volgende stap wil zetten in het onderzoek. Ze denken er even over na, zeggen ze.

Mijn broer heeft kinderen, drie zelfs. Drie wilde jongetjes die altijd bovenop me klimmen als ik er op bezoek ben. Ik ben de coole oom, en dat is logisch, want ik ben astronaut. En ik heb altijd zin en tijd om met ze te spelen als ik bij ze op bezoek ben: papa heeft het vaak te druk. Vroeger stoeide ik met ze of voetbalden we, nu pakken we de oude bordspelletjes die mijn broer en ik vroeger speelden met onze vader of moeder en gaan we monopoly of risk spelen met limonade en chips erbij. Als ik daar dan bij hun aan de keukentafel zit, in dat gezellige volle huisje, geniet ik er van en ben ik blij dat ze zo zijn, zo warm, en ik misgun mijn broer niks totdat ik weer buiten sta en naar binnen kijk en ze nog even bestudeer door het raam, van een afstandje. Dan knuffelt mijn broer zijn vrouw altijd even en ik beeld me in dat hij dan zegt dat hij het zo vervelend voor mij vindt dat ik alleen ben, dat ik niemand heb om me vast te houden en zij zegt dan vast dat ze het wel begrijpt dat vrouwen het spannend vinden om een echte relatie met me aan te gaan omdat ik zo’n veeleisend beroep heb, zo gevaarlijk. En misschien zegt hij dan wel dat hij mij begrijpt, dat hij weet wat voor eisen ik aan mezelf heb moeten stellen om te komen waar ik nu ben, en dat daar ook offers bij horen.

Godzijdank, ook op de schermen zijn ze zichtbaar, heel fragiele lijntjes die lijken te bewegen op het oppervlakte van het OBJECT, maar alleen in infrarood zijn ze zichtbaar. Helemaal gek ben ik dus niet, alleen zou ik die frequentie niet moeten kunnen zien. Zou mijn vizier iets andere frequenties door kunnen laten dan normaal licht? Ik weet het niet, maar durf nu wel te vragen naar wat ik zie op het scherm: zij zien het ook. Het antwoord komt binnen tien minuten: ze zijn er druk mee bezig.

Ik realiseer me dat die lijntjes van alles kunnen zijn, patronen in materie waar het van gemaakt is, sporen gemaakt door het fabricageproces, slijtage door het rondvliegen in de ruimte, maar ook een vastgelegde taal. Wie zegt dat geschreven teksten statisch moeten zijn, ook bewegende vormen kunnen iets vertellen, meer zelfs. Het is fijn dat een enorm team bezig is met nadenken erover.

Ze laten mij het ruimteschip dichterbij manoeuvreren, tot ik er tegenaan hang. Twee lange lussen verlaten mijn schip, cirkelen rondom het OBJECT, trekken me er vast tegen aan alsof het twee armen zijn die een lang gemiste vriend of een geliefde omhelzen. Pootjes op mijn schip zorgen ervoor dat er geen schade aan het OBJECT zou kunnen ontstaan en tegelijk meten ze of het materiaal ingedrukt wordt door de druk die we er op zetten. Het geeft niet mee, blijkbaar, ook al trekken we het strakker en strakker. Dan weten we dat ook weer.

Er is nog geen uitslag over de bewegende lijntjes in infrarood. Ik vraag er geen tweede keer naar, omdat ze anders denken dat het belangrijk voor me is. Ik zit achter een scherm, stuur beweegbare arm aan dat een scherp mesje naar het OBJECT toe brengt. Steeds dichterbij komt het bij het OBJECT. Met de camera die dicht naast het mesje zit, kijk ik naar het oppervlak van het OBJECT. Zwartig, met een roodpaarse zweem, geen bewegende lijntjes. Ik kijk naar de andere schermen, waar ik in infrarood alles kan zien, ook niks. Misschien was het toch een glitch. Ik laat het mesje steeds dichterbij komen, zet het puntje op het oppervlak, maar het geeft niet mee. Ook al is het mes van gehard staal, hoe veel druk ik er ook achter zet, er komt geen kras in het materiaal, laat staan dat ik er een stukje van af kan snijden om het te analyseren. Wel gaaf eigenlijk, dat het zo hard is. Ze hebben het mesje uitgeprobeerd op metaalsoorten, steensoorten en diamant, en overal kon het wel een kras in maken. Maar niet hierin dus. Ze hebben wel vaardigheden, die aliens.

Zou het een dataverzamelaar zijn? Is dit OBJECT een ding dat informatie verzamelt over het leven op planeten waar er een kans is dat er denkende wezens ontstaan, zelfbewuste wezens? Misschien is dit wel een soort grote camera die alles in de gaten houdt, zoals camera’s in het bos gericht kunnen zijn op een plek waar vaak wilde dieren komen. En dan ben ik als een aap die de camera in de gaten krijgt en er met zijn grote neus aan gaat zitten snuffelen. Als dat zo is, hoe lang is het OBJECT hier dan al? Tientallen miljoenen jaren misschien? Heeft het tienduizend jaar geleden gezien dat we sedentair werden en heeft het een bericht gestuurd naar zijn bouwers, die misschien op tienduizend lichtjaar leven, en weten ze pas net van onze stappen tussen jagers/verzamelaars en boeren? Of misschien hebben zijn bouwers zichzelf al honderddduizenden jaren geleden teruggetrokken in pods waar ze een leven kunnen leiden in oneindige gelukzaligheid en zijn ze niet meer geïnteresseerd in anderen, is dit OBJECT zinloos geworden.

De apparaten verwarmen het OBJECT, bekijken het met een microscoop, schijnen er licht op, laten er een klein rotje naast knallen. Niets heeft invloed op het ding. Nu is het tijd voor de laatste stap, de meest spannende stap ook voor mij en voor de mensen op aarde.

Ik sprak tot voor kort elke dag met vertraging met mijn familie, via een videoverbinding. Ik zeg wat, zij reageren erop, ik zeg iets terug. Soms gaat het net als met chatten, we voeren een paar gesprekken ongeveer gelijktijdig, reageren op iets van tien minuten geleden, horen dan iets anders van onze gesprekspartner, reageren daar gelijk op: vijf minuten later hoort de ander het pas. Het is vreemd maar wel gezellig en het zorgt ervoor dat de ergste eenzaamheid minder is. Alleen heb ik nu niet meer de kracht om deze gesprekken te voeren. De pijn doet me steeds weer ineenkrimpen, mijn gezicht verwringen en ik wil niet dat de mensen die me lief vinden, mij zien lijden. Ik wil graag dat ze denken dat ik wel pijn had, maar dat het wel ging, dat de pillen hielpen. Ik wil niet dat ze weten dat ik al twee nachten vrijwel niet geslapen heb omdat de pijn me wakker houdt. Twee keer nu heb ik zwaardere pillen genomen, om twee tot drie uur wat dieper te kunnen slapen in de slaapperiode, en ik merk dat ik er suffer van begin te worden, maar vooral ook dat ik steeds meer zin krijg om meer van die pillen te slikken, verder weg te zakken in een verdoofd bestaan met minder pijn. Maar ik wil nog wakker blijven, scherp blijven, helder blijven. Ik wil vragen kunnen stellen en beantwoorden, ik wil op hoog niveau in gesprek blijven met de mensen op aarde die dit project begeleiden. Ik besluit het tegen Stacey te vertellen en ze begrijpt het, hoopt dat ik het zo lang mogelijk vol hou voor de wetenschap maar zegt ook dat ze het begrijpt als ik er niet meer tegen kan en er tussenuit knijp. Daar hoopte ik op, dat ze dat zou zeggen.

We brengen het ruimteschip steeds dichtbij het OBJECT, het perfect gladde, keiharde OBJECT, trekken onze pootjes in zodat we nog dichterbij kunnen komen en brengen dan de dubbele ringen van rubber die aan de buitenkant van de sluis speciaal voor dit doel zijn gemonteerd, met de sluis samen naar het OBJECT toe. Als een enorme zuigzoen zuigen de ringen zich vast aan het OBJECT, een soort eerste kus voor iemand waar je van houdt maar die je al heel lang niet gezien hebt. Ik zie de metingen, lees dat het goed dicht zit, dat er geen gassen verdwijnen tussen de ringen en het oppervlak van het OBJECT. Gisteren heb ik een flinke stapel meetapparatuur in de sluis gebracht, samen met de afstandbestuurbare armpjes die hiervoor gemaakt zijn, ik zet de 3D-bril op en kijk, zie de armpjes in realtime. We gaan metingen doen aan de oppervlakte van het OBJECT, maar nu van dichtbij.

Schijtzooi. Door de pijnkrampen heb ik een van de armpjes te hard tegen de wand aangeduwd, en nu is hij verbogen. Ik kan er niet meer mee werken. Ik bied mijn excuus aan, maar iedereen zegt dat het niks uitmaakt, dat met het andere armpje ook prima te werken is. Ik accepteer het, met woorden, maar van binnen voel ik alsof ik faal, alsof ik door die kloteziekte ineens toch echt minder waard ben, minder nuttig dan een andere astronaut zou zijn. Met één armpje werk ik verder, ik breng de apparaten dichterbij het object, ze lezen en meten en registeren. Ze passen kleine beetje zuur toe en andere chemische stoffen, steeds maar een klein beetje, om te zien of ze er wat stukjes vanaf kunnen weken zodat ze erachter komen waar het nou precies van gemaakt is.

Deze nacht kon ik pas slapen na een dubbele dosis van de pijnbestrijding. Ik werd niet wakker op het geplande tijdstip, maar pas later, toen de kevers weer begonnen te knagen in mijn darmen. Ik wil meer pillen, ik wil ze de hele dag. En het doosje met de laatste pil blijft me ook roepen. Hoe lang hou ik dit nog vol?

De metingen zijn verwarrend en interessant, volgens de mensen beneden, op het kleine blauwe bolletje dat ik nauwelijks meer kan zien, zo ver ben ik al met het OBJECT mee gevlogen de diepste ruimte in. Ik kijk wel vaak die kant op, waar het moet zijn en dan stel ik de camera’s bij, zoek naar hem en check dan in het raam en zie hem op de plek waar ik hem moet zien. Of zie ik de aarde niet echt, kijk ik naar een klein stipje en vertel ik mezelf alleen maar dat het mijn thuis was?

Ik kijk om me heen in het benauwde maar ook knusse ruimteschip. Ik heb zaadjes opgekweekt in bolletjes van mijn poep en een beetje papier-maché: geen stank maar wel vruchtbare grond. De resultaten van deze onderzoekjes stuur ik ook naar de aarde, als een extra projectje. Tomatenplantjes doen het prima, overigens, onder deze omstandigheden. Hadden ze ook aan Matt Damon moeten meegeven in the Martian, was zijn dieet wat gevarieerder geweest.

Mijn onderzoeksdeel is klaar, ik durf niet eens meer voor te stellen om dingen te doen waarbij nagedacht moet worden. Ik voel dat mijn hersenen het niet meer de hele tijd goed doen, niet door de kanker maar gewoon, omdat de pijnflitsen ervoor zorgen dat ik gedachten niet langer dan een paar seconden kan vasthouden. Ik zit, eet een heel klein beetje, meer uit gewoonte dan uit noodzaak, ik drink wat. Soms kijk ik naar de plantjes die aan het opkomen zijn in mijn poep. Misschien moet ik overal in het ruimteschip plantjes laten ontkiemen, die kunnen groeien in mijn poep en resten papier, zodat als ze me over al die jaren terugvinden, een kleine groene oase is ontstaan in het ruimteschip.

En wat doe ik met mijn lichaam? Het is een vreemde gedachte. Ga ik mezelf inpakken in het buitenpak, vacuüm verpakt, zodat ze als ze me vinden, ze mijn lichaam kunnen collecteren en inclusief pak kunnen begraven? Dat zou wel vet zijn, om als astronaut te sterven en om als astronaut begraven te worden. Maar ergens heb ik geen zin om de pil te nemen en dan in het pak te kruipen en dan daarin te sterven, de gedachte benauwd me. Misschien moet ik iets anders verzinnen.

Dan krijg ik een idee, misschien ingegeven door mijn verslechterende geestelijke capaciteiten, of misschien is het juist wel geniaal. Ik neem die pil, misschien vandaag, misschien morgen, en dan film ik me terwijl ik naar het OBJECT toe kruip, en ik ga het met mijn blote handen aanraken om erachter te komen hoe het voelt. Ik film het, en als er dan iets mis gaat, als het OBJECT een mensenetend monster blijkt te zijn, dan ziet iedereen op aarde dat en zijn ze gewaarschuwd. En dan ben ik niet alleen de eerste mens die zo ver is gekomen in een ruimteschip, maar heb ik ook als eerste mens een OBJECT aangeraakt dat door aliens is gemaakt. En misschien ben ik dan ook de eerste die opgegeten wordt door een alien OBJECT. Dat is wel wat waard, als ik daarmee niet in de geschiedenisboekjes kom, naast Neil Armstrong en Einstein, dan weet ik het ook niet.

Ik bereid me voor. Ik hoef geen camera’s speciaal die kant op te richten, die staan overal en bestuderen alles. Ik voel me even heel goed, vind het een erg goed idee van mezelf. En dan bekruipt me het gevoel dat ik hier helemaal niet had willen zijn, niet zo ver weg van alle andere mensen. Ik voel dat ik veel liever in een bedje had gelegen, omringd door de paar vrienden die ik heb, mijn familie. Ineens was ik veel liever een ander mens geweest, met een gewoon leven en zonder kanker bijvoorbeeld, die nu met zijn vrouw en kinderen op de bank zat te kijken naar het verslag van deze ruimtemissie, waar een andere idioot voor gevonden was. Heel mijn leven heb ik het gevoel gehad, de wetenschap zelfs, dat je maar een tijdje bestaat, heel, heel kort, en dan verdwijn je weer in het oneindige niets. Misschien dat ik daarom altijd astronaut wilde worden, om zo vér mogelijk te komen voordat ik verdwijnen moet. Ik ben heel ver gekomen, en het niets kijkt me aan, buiten, in de ruimte, en in het doosje, in de vorm van een pil. Maar het niets vreet me ook op van binnen, als de Langoliers in het verhaal van Stephen King, monsters die het verleden opeten als de tijd voorbij is en waar je voor moet blijven wegrennen, zo lang je dat kan.

Ik heb het doosje in mijn hand en ik kijk er naar, ik kijk naar het object aan de andere kant van het kleine kijkgat in de sluis. Ik weet het even niet, en dan weer wel en dan niet. Ik zucht, iets te diep en de gloeiende kankerkevers worden weer wakker, vechten zich door mijn ingewanden naar boven en dan weet ik het zeker. Voordat ze mijn brein bereikt hebben, voordat ik mijn verstand verlies door de pijn, voor die tijd wil ik weg zijn uit mijn lichaam. Ik doe het doosje open, en gooi de pil in mijn mond. Dat gaat mis, hij gaat de verkeerde kant op, ik hoest en hoest om hem weer naar boven te krijgen want de pil zit in mijn keelgat en om nou heel stom te stikken in een zelfmoordpil is ook weer zo zuur. Ik krijg hem mijn luchtgat uit, hoest hem op, heel even kan ik nog beslissen om niet meteen dood te gaan maar dan besluit ik het toch en met een glimlach slik ik hem nu door, het juiste gat in. Ik lach hardop om de vreemde situatie en knik dan. Het is mooi geweest.

De sluis is open. Ik ben bij het OBJECT, het enorme ding waar ik nu een heel klein deel even van kan aanraken. Misschien zit ik hier wel verkeerd, zit het meest interessante deel op de kop of aan de andere kant. Geen tijd om meer uit te zoeken. En de kleine drones die we er omheen gezonden hebben, vonden ook niets anders dan dit materiaal.

Ik zweef dichterbij en dichtbij en strek mijn handen uit, verwacht dat ik gelijk vast vries, omdat het OBJECT voor een groot deel aan het oneindige universum grenst en daar is het nogal koud. Maar het voelt niet koud, net zo warm als de lucht in de sluis, en het materiaal is glad.

Ik aai het OBJECT, tik er dan tegen met een stukje metaal. Dan met een stukje hout, een opgerold stuk papier, mijn plastic pen. Elke keer klinkt het een beetje anders. Dan ruik ik er aan: geen geur. En dan steek ik mijn tong uit en lik. Het smaakt naar, naar, ja waar smaakt het naar, naar water eigenlijk. Ik kijk naar de camera’s, vertel wat ik waarneem, wacht dan. Ze ontvangen mijn bericht, stellen vragen over wat ik voel en meemaak en ik vertel het ze eerlijk. Een collega van me die ik altijd heel erg mocht vraagt of ik het ding nog even wil swaffelen, puur voor de wetenschap maar ik zie dat hij een duw krijgt van een van de andere mensen die in die ruimte zijn. Ik sla zijn aanbod af, al moet ik er wel om lachen, wat ook weer gruwelijke pijn doet.

Langzaam wordt alles mistig. Ik weet niet of het er bij hoort, bij de pil, maar ik vertel het en ik weet dat ze het zo horen. Misschien hoor ik het antwoord nog.

Dan kruip ik dichterbij het OBJECT, zet mezelf klem met mijn voeten om met mijn rug naar het ding te kunnen zitten, en blijf daar zo. Zo wil ik wel weggaan, het einde ontmoeten, met mijn rug tegen het belangrijkste OBJECT dat ooit door mensen is ontdekt. En dan realiseer ik me dat ik lieg, dat dat helemaal niet waar is, dat ik veel liever in de armen had gelegen van Stacey, waar ik echt wel van hield maar waarvan ik dacht dat ze me zou afleiden in mijn pad om astronaut te worden, met haar voorzichtige vragen of ik misschien ooit kinderen wilde. Ik wil hier toch helemaal niet zijn, niet hier in mijn eentje verdwijnen zonder iemand die mijn hand vasthoudt, mij gedag zegt en me zachtjes de goede kant op laat gaan. Ik wil daar zijn, bij haar en ineens

zie

ik haar

Ben ik heel dichtbij en

ruik ik haar geur terwijl alles donker wordt

 

hoor ik haar stem zonder vertraging,

terwijl ze mijn haren streelt en zegt

 

je bent thuis, lieverd.

 

en dan, vlak voordat ik in het alles verdwijn denk ik

 

shit.

 

ik weet niet of dit nu echt gebeurt,

dat het OBJECT je allerdiepste wens vervult als je het

aanraakt

dat dat de oplossing van dit mysterie is

 

of dat

ik me dit inbeeld

omdat ik het nodig heb

dit laatste stukje

 

ik wil mijn ogen weer open doen om het zeker te weten

maar

 

 

 

feedback van de juryleden

Geplaatst op Geef een reactie

de Huilziekte

‘We waren ervoor gewaarschuwd, dat het virus dat de wereld al maandenlang in zijn greep had, kon muteren. De meeste landen deden hun uiterste best om de pandemie te bedwingen, maar één land deed dat niet, in één groot land kon de ziekte ongelimiteerd huishouden. En daar muteerde de ziekte, daar veranderde het in een monster die de hele wereld definitief op zijn knieën kreeg.

Natuurlijk vielen de meeste doden tijdens de Grootste Oorlog, die met kogels begon maar met atoomwapens eindigde, en die voor het eerst geen overwinnaar opleverde, geen land of regio die de macht kon grijpen toen de stofwolken neerdaalden. Vooral omdat het jaren duurde voordat de stofdeeltjes uit de lucht verdwenen en ook omdat deze deeltjes vaak radioactief waren. Er was weinig wereld meer om de baas over te zijn.

Toch werden de meeste tranen gelaten tijdens de tweede fase van de pandemie, die de ‘Amerikaanse Griep’ werd genoemd maar later een nieuwe naam kreeg: de ‘Huilziekte’ en in het Engels de ‘Crying Disease’. Deze naam paste om twee redenen perfect. Ten eerste omdat mensen die ziek waren dagenlang tranende ogen hadden, naast een snotneus en een pijnlijke keel: deze variant deed ook iets met de traanbuisjes. De tweede reden was dat deze keer niet de oude mensen, de mensen met ernstige ziektes, de mensen met overgewicht het slachtoffer werden, maar juist de jongste mensen, de gezonde kindjes, van pasgeborenen tot tieners, waardoor ouders en grootouders, broers en zussen, neven en nichten, ooms en tantes, vrienden en vriendinnen oneindig hard huilden, oneindig lang.

Het begon met een paar gevallen in het zuiden van de VS. Een klein aantal kinderen werd ziek en overleed na een paar weken, gestikt in snot, nat van tranen. Door de gebrekkige registratie en overbelaste medische zorg in dat gebied, én omdat iedereen er vanuit ging dat kinderen helemaal niet zo erg ziek konden worden, had niemand door wat er aan de hand was, dat het een nieuwe variant was van de gevreesde ziekte en dus een groot gevaar. Er werden geen extra maatregelen genomen, geen scholen gesloten, geen speeltuinen afgezet, geen treinen en bussen tegengehouden, geen boten aan de ketting gelegd. Het land ging gewoon door, bereidde zich voor op de verkiezingen, vol angst dat de president het land ten gronde zou richten voor of vlak na de verkiezingstijd. Dáár ging alle aandacht naar uit, van de sociale en oude media, dáár sprak iedereen over. En buiten het land waren er nog geen gevallen van jonge slachtoffers, alleen oudere mensen en zieke mensen die de pech hadden om in de buurt te komen van onvoorzichtige, onverschillige of onhandige mensen.

Het kindje van een beroemde acteur ging dood en er kwam een beetje aandacht. Toen overleden twee kleinkinderen van een politicus en toen nóg een paar kinderen waar mensen even van opschrokken, van rijke mensen die weleens in het nieuws waren, niet de onbekende arme kinderen in het oorspronkelijke besmettingsgebied. De media keken ernaar, kort, bespraken het, vergaten het weer tijdens de gewelddadige verkiezingsmaand. Het aantal zieken groeide snel, omdat de ziekte niet van aandacht leefde, maar juist door genegeerd worden kon groeien. Honderden kinderen raakten besmet, via hun ouders, vrienden, op scholen, bij sportverenigingen, maar de verkiezingsuitslag was niet naar de zin van de ene partij en die dreigde met een opstand. De aandacht viel nog niet op de nieuwe variant van de ziekte, ook al probeerden sommige artsen en wetenschappers er wanhopig aandacht voor te vragen. Een paar oplettende mensen kregen door wat er aan de hand was: specialisten in dienst van de 1 procent. Ze informeerden hun bazen en deze rijke mensen vlogen weg naar hun huizen in Europa, naar bunkers diep in bossen of op eilanden ver weg, namen de ziekte mee zonder dat ze het wisten, besmetten de lokale bevolking. En daar waren wél mensen die opletten, die merkten wat er gebeurde. Voordat in de VS duidelijk werd dat er een mutatie was die kinderen trof, sloten steeds meer landen zich af voor toeristen of medische vluchtelingen uit dat land, en toen ook voor álle mensen uit álle landen. Grensversperringen werden opgezet, havens gecontroleerd, vliegtuigen aan de grond gehouden of, als ze toch gingen vliegen, op de vliegvelden van bestemming vastgehouden waar iedereen in quarantaine moest blijven, in het vliegtuig of in tentjes of containers naast de landingsbaan.

Al snel kwam de hele wereld tot stilstand. Alleen mensen zonder kinderen mochten en wilden nog het huis uit, om te werken bij de essentiële beroepen: nu niet meer dan medische zorg, politie, brandweer en nutsvoorzieningen als water en elektriciteit. Iedereen kroop dicht tegen elkaar aan in huis.

Toen kwam de Wrede Selectie: als er in een gezin iemand besmet was, overleed de helft van de kinderen, gemiddeld gezien. Sommige gezinnen overleefden het dus helemaal, andere gezinnen raakten iedereen kwijt. Iedereen huilde, toen ze nog tranen hadden, over hun eigen verlies of het verlies van hun neefjes en nichtjes of kleinkinderen, de vriendjes van de eigen kinderen of hun eigen vrienden. Er overleden ook nog zieke mensen en oudere mensen, mensen met overgewicht, maar daar hadden de meeste mensen geen tranen meer voor, droevig genoeg.

In de rijkere landen betaalde de overheid voor het thuis zitten, in armere landen gebeurde dat niet en ging het land failliet, raakte grote delen van de bevolking hun baan kwijt, konden veel mensen geen eten meer kopen: en dat was er ook steeds minder omdat er bijna geen mensen waren die in de fabrieken durfden te werken waar voedsel werd geproduceerd. Honger dreef de mensen naar buiten, er kwamen demonstraties en opstanden, want als je dood gaat van de honger kan je ook je kinderen niet meer in leven houden. Natuurlijk kwam er in die delen van de wereld wéér een uitbraak, die weer de kwetsbare groepen trof, jong en oud en deze landen zakten weg in chaos en burgeroorlogen, die uiteindelijk nog meer doden eisten dan de pandemieën.

Iedereen werd bang voor andere mensen, voor mensen die snotterden, voor mensen die rode oogjes hadden. En zeker voor mensen die huilden. Groepen mensen die elkaar vertrouwden sloten zich op in veilige gebieden, achter muren, hekken en grachten of zelfs onder de grond, als het boven de grond te giftig of te koud was om te leven. Hier bijvoorbeeld, dit is zo’n veilige plek waar al héél erg lang niemand meer ziek geworden is. En dat hebben we niet zo maar voor elkaar gekregen. Dat komt omdat we ons allemaal aan twee Regels houden. Wat is de eerste Regel?’

‘Ben je buiten, draag een masker!’ roept de hele klas.

‘En de tweede?’

‘Huilen is verboden!’

De juffrouw glimlacht. Ze heeft haar leerlingen goed getraind. Hopelijk halen ze allemaal minimaal hun twintigste verjaardag.

Geplaatst op Geef een reactie

Ommekeer (1/20)

Henri maakte me wakker toen het nog donker was. Normaal gesproken kon ik zien hoe laat het precies was: mijn wekkerradio heeft heldere rode cijfers. Maar deze nacht was hij uit, net als al die andere dingen die nooit meer aan zouden gaan.

‘Lieverd,’ zei Henri, ‘liefje, je moet opstaan.’

Hij stond naast ons bed met Amy op zijn arm. Ze had een dikke jas aan, en haar rubberen laarsjes. Toen ik mijn ogen verder open deed en rechtop ging zitten, zag ik dat hij ook een dikke jas aan had, en zijn rubberen lieslaarzen. Zijn laarzen waren nat, zag ik in het licht dat door het half open gordijn naar binnen scheen.

Ik keek hem aan, vragend.

‘Er is water, beneden,’ zei hij, ‘en het stijgt. We gaan naar zolder.’

Henri was altijd heel rustig. Nooit kon ik hem betrappen op grote emoties, of grote gebaren. Hij deed altijd wat er nodig was, zeurde nooit, klaagde nergens over. Maar als er iets was dat hij echt wilde, gebeurde het ook, dan was hij onwrikbaar. Daarom woonden we ook in een huisje búiten Breda, en niet in een buitenwijk van de stad. En daarom hadden we Amy. Als het aan mij had gelegen, was ik er na de vierde miskraam mee opgehouden. Ik was toen zelfs te verdrietig om er nog om te kunnen huilen. Gelukkig troostte hij me door me ’s nachts in bed zachte verhalen te vertellen over alle avonturen die we gingen beleven met de kleine die zeker weten geboren zou worden, ook al was ze nog niet eens verwekt. Ik vond moed om het wéér te proberen en toen kwam er het wondertje.

Henri stond daar met Amy, en ik luisterde. Ik trok mijn jas aan, die hij op het voeteneind van het bed had gelegd, en mijn stevige schoenen. Toen nam ik Amy over en liep naar het trappenhuis, waar het aardedonker was. Ik probeerde het licht aan het doen maar het werkte niet. Henri schudde zijn hoofd toen ik een andere lichtknop wilde proberen, die van de badkamer. Ik begreep dat hij alle lichtknoppen al had geprobeerd. Hij wees op de zaklamp die op de trap lag.

‘Ook niet,’ zei hij.

Toen viel me een vreemd geluid op, beneden. Henri zag me kijken.

‘Dat zijn de meubels die door de woonkamer drijven,’ zei hij. ‘Ze botsen tegen elkaar aan.’

Ik keek de trap af, maar zag niks.

‘Ik haal gereedschap,’ zei Henri, ‘Zo terug.’

Henri stommelde de trap af en ik hoorde hem het water in stappen. ‘Shit,’ zei hij toen hij beneden kwam. ‘Het water is in mijn lieslaarzen gelopen.’

‘Is het zoet of zout water?’ vroeg ik.

Even was het stil beneden. Toen spoog Henri.

‘Zout,’ zei hij. Ik hoorde hem verder plonzen door de woonkamer.

Ik liep met Amy op mijn arm terug naar de slaapkamer, om naar buiten te kijken. De halve maan bescheen de wereld rondom ons kleine huisje. Ik zag water glimmen in het zilveren licht. Overal om ons huisje heen, rondom de bomen, klotsend over de weg die iets verhoogd aan het eind van onze tuin liep, overal was water zichtbaar. Zout water dus, de zee was blijkbaar door de dijken gebroken. Maar hoe kon dat? Er was geen storm geweest, het waaide nu ook niet eens. Een aanslag op een dijk? Maar dan zou het water hier niet zo hoog worden, toch? En wie zou er nou een aanslag willen plegen waar iedereen alleen maar natte voeten van kreeg? Toen wist ik natuurlijk nog niet dat héél de wereld was veranderd, dat er meer gebeurd was dan alleen een doorgebroken dijkje in West-Brabant.

Ik zag nergens licht, behalve in het raam van de overburen, het oudere Hollandse echtpaar dat een stuk verderop achter de grote ligusterheggen woonde en waar eigenlijk niemand contact mee had. Een klein lichtje, dat onregelmatig bewoog. Misschien hadden ze een kaarsje aangestoken? Dat bracht me op een idee. Ik liep met Amy naar de badkamer, waar ik regelmatig lag te ontspannen. Daar had ik een paar geurkaarsen staan. Op de tast vond ik de lucifers.

‘Fjuuu!’ zei Amy, want ze was gek op vlammetjes.

‘Mooi hè,’ zei ik tegen haar. Samen wachtten we op Henri, die even later weer de trap op kwam soppen, met zijn gereedschapskoffer in zijn hand, en in zijn andere hand een tas.

‘Drinken en eten,’ zei hij. We sjouwden alles naar de zolder.

Daar zagen we het langzaam licht worden. We zagen het dag worden, en we zagen het water steeds hoger komen, eerst tot aan de bovenkant van de heg, en toen zelfs tot aan de top van het straatnaambordje. Binnen kwam het eerst tot bovenaan de trap, en toen zelfs de gang in. We probeerden zoveel mogelijk dingen naar boven te sjouwen, kleren en alles waar we aan gehecht waren, maar toen het water bleef stijgen, wisten we dat het zinloos was. Alles zou toch doordrenkt raken met het zoute water, we zagen het langs de muren naar boven en over de vloer kruipen.

Henri bleef uiterlijk kalm, zoals altijd, ook de tweede dag toen het water niet meer steeg. Maar ik voelde dat hij onrustig werd. Het was een beetje net zoals toen we een spannende wedstrijd van het Nederlands elftal keken, de halve finale die we op penalty’s verloren. Ik keek naar hem, en hij leek totaal niets te voelen, ook al was iedereen in het café aan het schreeuwen en aan het joelen. Ik vroeg hem of hij het niet spannend vond, en toen pakte hij zacht mijn hoofd beet met beide handen en hij drukte mijn oor tegen zijn borst. Ik hoorde zijn hart razendsnel bonken, keek hem verrast aan en hij lachte. Toen wist ik dat hij wel iets voelde, ook al liet hij niets zien. Tijdens de bevalling, die zo lang duurde, bleef hij ook rustig. Eén keer pakte hij mijn hand en liet die op zijn borst rusten, zodat ik voelde dat hij het ook spannend vond. Daar werd ik dan weer rustig van, gek genoeg.

Nadat Henri het kleine dakraampje had losgeschroefd, ging hij elk kwartier het dak op. Elke keer kwam hij teleurgesteld terug. Niemand kwam ons redden. Eén keer leek hij iemand te zien, in de verte. Hij floot op zijn vingers, waarvan ik niet wist dat hij het kon, schreeuwde en zwaaide. Tevergeefs.

We maakten met stukken nat behang grote, hoekige letters: ‘HELP’ op het dak, in de ijdele hoop dat er een vliegtuig over zou vliegen en ons zou zien. Maar we zagen nergens vliegtuigen, ook de ijle witte sporen in de lucht die je altijd zag, waar je ook was, waren opgelost.

De derde dag maakte we de laatste blikjes open in de ochtend. Henri stelde voor dat hij in het water zou duiken om in de schuur naar zijn oude hengel te zoeken, maar ik wilde liever niet dat hij ons alleen liet. Hij leek ook niet zoveel zin te hebben om het koude, troebele water in te gaan en liet zich overtuigen. We hadden voor de avond nog maar een paar koekjes over, niet genoeg om ons allemaal te voeden. Henri en ik hadden nu al honger. Vannacht had ik Henri een paar keer zachtjes horen jammeren. Toen ik hem wakker maakte, keek hij me verward aan en vertelde dat hij droomde dat hij schreeuwde naar een vliegtuigje dat overvloog, een oude dubbeldekker, zei hij. Toen viel hij weer in slaap en in de ochtend was hij het vergeten.

Vandaag klommen we om beurten het dak op. Henri was de moed aan het verliezen, zag ik, maar hij vond dat we alert moesten zijn. Daarom hees ik mezelf door het smalle dakraampje, met genoeg honger en dorst om mijn handen te laten trillen. Henri wilde per se dat ik een touw om mijn middel deed, en de twee keer dat ik wankelde en bijna in het klotsende water viel, was ik daar erg blij mee.

Er stak een windje op, donkergrijze wolken verzamelden zich aan de horizon. Golven die eerst alleen maar rustig kabbelden, klotsten steeds harder tegen het huis aan, sloegen af en toe in de dakgoten. Er sijpelde steeds meer water naar binnen. Henri legde planken op de dozen en kisten die op zolder stonden, zodat we in ieder geval nog droge voeten hielden. Amy speelde er op met het oude speelgoed van Henri dat al jaren op zolder was opgeborgen en wij keken samen naar het laatste pakje met koekjes dat we hadden bewaard, de laatste maaltijd voor Amy.

Henri pakte het pakje op. Hij keek naar buiten. En toen moest hij ineens huilen, eerst zachtjes, en daarna steeds harder, tot hij snikkend gehurkt op de wankele planken zat. Amy liep naar hem toe, aaide hem over zijn rug. ‘toetoe papa’ zei ze, ‘toetoe’. Ik beet op mijn lip om niet mee te hoeven doen. Nog nooit was Henri gebroken, ook niet toen zijn moeder was overleden aan een herseninfarct, drie jaar geleden. Niet waar ik bij was in ieder geval. Eén keer had ik hem toen uit de schuur zien komen met rode ogen, maar toen ik vroeg of het wel goed ging, haalde hij zijn schouders op en ging aan de slag. Nu was hij stuk, waarschijnlijk omdat hij voor het eerst in jaren geen idee had wat hij moest doen, hoe hij voor ons moest zorgen. Ik keek naar hem, en pakte toen de roestige teil die we al lang hadden moeten weggooien maar waar Henri geen afstand van kon nemen omdat hij er vroeger altijd in badderde, in de zomer, in de tuin van zijn ouders.

Het was niet makkelijk om de teil door het raampje te wringen en stabiel op het dak te zetten. Oude schoolboeken verzamelen en er in gooien lukte beter. Henri kon alleen maar naar me kijken. Hij stond wel op toen ik me naar het raampje toe bewoog om mij de lucifers aan te geven. Hij gaf me ook een stapel plastic bordjes en glimlachte toen hij me aankeek.

‘Geeft heel erg vieze rook,’ zei hij. ‘Ik heb met mijn broers veel fikkies gestookt.’

De rook uit de teil steeg in dikke, vette wolken op. Eerst vervloog het in de wind, maar toen we meer oude boeken en meer plastic in de teil gooiden, werd de rook zo massief dat er uiteindelijk een lange zwarte vinger uit de hemel leek neer te dalen, een vinger die wees op ons dak. Henri keek me dankbaar aan, maar zei niks. En dat hoefde ook niet.

Een uur lang bleven we het uur voeden. En ook al zagen we de eerste vijftig minuten niemand op het water, we voelden ons rustig. Er zou iemand komen, we wisten het zeker.

Toen de roeiboot uiteindelijk bij ons dak aankwam, stapte ik als eerste in zodat Henri Amy aan mij kon geven. Hij gaf ook een tasje met kleding voor Amy aan, maar toen hij een tas met kleren voor ons wilde aangeven, schudde de stuurman van de boot nee en wees op de naderende storm.

‘We hebben haast,’ zei hij en Henri knikte en nam de plek over van een veertien jarige jongen die uitgeput over zijn roeiriem hing.

De tocht over het water dat ons Brabantse land overspoeld had, voelde als een droom. Ik zag bomen waarvan ik de kruinen herkende, een windvaan op een huis waar ik ooit op de koffie was geweest, de schoorsteen waar kauwtjes in nestelden, nog steeds zelfs, ik zag ze eruit vliegen en wees ze aan voor Amy, die ze zag en mij vrolijk nadeed toen ik ‘Kauw, kauw!’ zei.

De angst die ik een paar dagen had gevoeld was weg, vreemd genoeg. Mijn kind, mijn man en ik waren gered, en dat was genoeg.

En toen zag ik hem overvliegen, de eerste draak die ik ooit zag. Geen vage schim in de verte, maar honderd meter boven onze hoofden en groot genoeg om een flinke schaduw over onze boot te laten glijden. Een lichaam zo lang als een stadsbus, met groene schubben van zijn keel tot aan de punt van zijn staart, vleugels waar hij een huis mee in kon pakken, klauwen met lange kromme nagels. De roeiers stopten met roeien en iedereen zat doodstil, bang voor de draak of onder de indruk. Ik was blij. Mijn hele leven was gewoon geweest. Ik ben geen bijzonder mens, heb altijd alleen maar gewone wensen en verlangens gehad en doodnormale dingen gedaan. Maar ik droomde al sinds ik klein ben van draken. Ik probeer al jaren draken te tekenen, ook al kan ik dat niet zo goed. En nu vloog er eentje over mijn hoofd, zo dicht bij dat ik hem bijna aan kon raken! Even was ik gelukkig. Even dacht ik dat deze wereld wel eens mooier zou kunnen zijn dan de wereld waar ik een paar dagen geleden nog in leefde. Even schitterde het laatste zonlicht over het water. De schone hemel die langzaam werd verdrongen door de dreigende storm was intens donkerblauw. Amy keek naar de draak en zei: ‘Kauw?’ en ik lachte, en Henri lachte ook.

Maar de vreugde verdween toen ik hoorde dat mijn ouders overleden waren in hun dijkhuisje in Piershil, de nacht dat de wereld Ommekeerde. Toen lachte ik niet meer.

Geplaatst op Geef een reactie

Giftig

Achteraf gezien was het wel een beetje stom dat we allemaal tientallen jaren lang onze eigen grond en onszelf en onze kinderen vergiftigden. Het idee was dat we alleen ‘ongewenste’ planten en dieren verwijderden met de chemicaliën die we kochten, zodat we zoveel en zo makkelijk mogelijk konden oogsten, maar ergens wisten we wel dat het niet goed was. Ook wij zagen dat de natuur aan de randen van onze akkers steeds minder rijk werd. Ik zag de vlinders niet meer die vroeger over alle bermen fladderden. In de kruidentuin van mijn oma achter ons huis, waren bijna alle bijen en hommels weg. In het bosje rondom het verlaten huis van onze buurman zagen we ook nauwelijks kevers en torren meer, terwijl we er vroeger genoeg vonden om onze zelfgebouwde terraria te vullen. En de vogels, vleermuizen en egels verdwenen ook langzaam maar zeker. Maar ik wist ook dat het altijd financieel krap was, dat mijn vader drie dagen in de week moest werken als leraar op een basisschool en dat mijn moeder twee dagen moest werken als verpleegster om genoeg geld binnen te halen voor onze boerderij. Toen ik het bedrijf overnam, zag ik in de boeken dat we de helft van de jaren verlies hadden gedraaid. Maar ja, hoe kan je nou de boerderij verkopen die al zes generaties in het bezit is van je familie? Ik begrijp mijn vader wel.

We blijven in het huis wonen, mijn vriendin, zwanger van de tweede, en ik. En ik heb bedongen dat ik één hectare hou om zelf wat eten te verbouwen, op de ouderwetse manier, gewoon, om de liefde voor het land te tonen. Een beetje om mijn vader te eren ook, met een grote moestuin, wat schapen, geiten en kippen. Alsof ik een modern soort keuterboer ben.

Wij kunnen niet meer concurreren, niet tegen deze grote investeringsmaatschappijen die alle landbouwgrond in Europa opkopen. Ze doen alsof ze het vanuit een ‘groen’ perspectief doen. ‘Wij voeren landbouw uit zonder chemische bestrijdingsmiddelen’ zeggen ze, ‘omdat we geven om de toekomst’. Ze geven alleen om hun eigen financiële toekomst! Maar gelukkig zijn we nu in een tijdperk aangekomen dat er heel veel geld te verdienen valt met producten die de wereld niet kapot maken. Laat dan de rijke mensen maar veel geld investeren daarin, laat ze maar rijker worden. En zij zijn nou eenmaal de enigen die de enorme bedragen kunnen investeren in de robots van TESGOOGLA. Die bouwen en programmeren de kleine en grote machines die heel minutieus over de akkers kruipen en zweven, om daar stuk voor stuk alle onkruid en schadelijke insecten te verwijderen en recyclen. Ik had er graag een paar van gekocht om dat zelf te doen, maar ik kon het financieel niet opbrengen. De banken wilden geen geld meer lenen, zij staken liever al hun geld in de investeringsmaatschappijen. Logisch. Die hebben alleen maar grond nodig en schuren en hier en daar een ondergrondse loods waar de robots zichzelf en elkaar repareren. Zij hoeven geen huis te onderhouden, een vrouw en kinderen.

Ik leg mijn arm om haar schouders. Binnen slaapt onze kleine reus, de oudste, die als eerste zoon in zeven generaties geen boerenbedrijf zal leiden. Maar dat is niet zo erg. Hij zal tenminste opgroeien in een gezonde wereld, waar geen chemische producten meer in de landbouw worden gebruikt, waar de lucht schoon is omdat alle auto’s, vrachtwagens en boten elektrisch zijn. De natuur begint op te krabbelen. Ik voel het en zie het, steeds meer soorten planten zijn zichtbaar in de berm, op muurtjes en in bomen. Insecten komen terug in groten getale. Het is een betere wereld voor mensen en dieren, dat weet ik. Alleen is het jammer dat er geen kleine bedrijven van profiteren, dat alleen de allerrijksten en machtigste bedrijven en investeerders er financieel op vooruit gaan. Maar goed. Wij zijn niet rijk, maar wel gezond. En ik ben onderwijzer geworden, net als mijn vader parttime was. Misschien maken we hier onze nieuwe traditie van.

Geplaatst op Geef een reactie

Aangevlogen

Ze kust me en kijkt me aan.

‘Zo gek dat we elkaar vijf jaar geleden nog niet kenden,’ zeg ik. Een warme gloed trekt van mijn wangen naar de rest van mijn lichaam, terwijl ik naar haar lieve gezicht kijk. Ze ziet mijn blik en lacht verlegen.

’Op een bepaalde manier kende ik je al voordat we elkaar ontmoetten,’ zegt ze. ‘Ik had op een dag een lijstje gemaakt van mijn ideale man, en toen kon ik me jou al precies voorstellen. Hoe je er uit zag, en wat je allemaal deed en leuk vond. Dat je van koken houdt, en dat je zwart haar hebt en dat je kindertjes met me wilde maken.’

‘En daarna kwam je me tegen,’ zeg ik.

‘Ja!’ zegt ze. ‘Ik wist dat je er moest zijn, dus ik hoefde je alleen maar te vinden. Oh ja, wel grappig, een oud vrouwtje in het café beneden waar ik woonde, had me gezegd dat ik dat lijstje moest verbranden met een zwarte veer en een stukje bijenwas en een wortel van een eik. Heb ik echt gedaan, wist je dat?’

Ik glimlach. Ze is een beetje een mafferd.

‘Dat vrouwtje zei dat jij dan zou ontstaan, als je er nog niet was. Vijf en een half jaar geleden was dat. En dat is net het moment dat je in de stad kwam werken, toch? Dus het heeft gewerkt, op een bepaalde manier.’

Ik voel het bloed uit mijn gezicht wegtrekken.

‘Dat zag ik op je Linkedin in ieder geval, dat je precies op die dag een baan kreeg in het restaurantje aan de overkant.’

Leegte. Ik zie helemaal niets, er is een gapende leegte. Ik denk en ik denk, maar ik kan niets vinden.

‘Toen ben je ook op Facebook gekomen, zag ik, diezelfde dag. Ja, ik heb je een beetje gestalkt hoor, toen ik je naam eenmaal had gevraagd aan je collega!’

Ze aait mijn wang en dan mijn borst. Ik doe mijn best maar ik kan me niets herinneren van de dag vóórdat ik ging werken in het restaurant. Geen andere baan, geen opleiding. Niks.

‘Wat deed je eigenlijk daarvoor?’ vraagt ze ineens.

‘Toen bestond ik nog niet,’ zeg ik en ik lach, maar ik meen mijn lach niet.

Zij lacht haar vrolijke lach.

Ik kraak mijn hersenen. Maar ik vind niets vóór dit restaurant. Vóór dit appartementje van mij waar we nu samenwonen met ons dochtertje. Ik kan me geen eerdere huizen herinneren, maar ook geen vrienden van daarvoor, geen familie zelfs. Ik begrijp niet dat ik daar ook de afgelopen vijf jaar nooit over heb nagedacht. Waarom heb ik me nog nooit afgevraagd waarom ik geen familie heb?

‘Is er iets?’ vraagt ze.

Ik schud mijn hoofd, maar ik ga wel rechtop zitten in bed.

Ze kijkt me bezorgd aan.

‘Hoor je de kleine? Ik hoor niks.’

Ik luister, maar ik hoor onze dochter niet, die twee jaar geleden geboren is. Van haar kan ik me alles herinneren. Van mezelf niets. Wie ben ik?

Ik kijk de liefde van mijn leven aan. Ze kijkt terug, en is bezorgd. En dan komt ineens een nieuwe herinnering in me naar boven.

Haar gezicht, een serieuze blik, ik ruik vuur, een verbrande veer, zoete bijenwas, ik zie snippers brandend papier die de lucht invliegen, haar blik geschrokken, ze hangt half uit het raam, ze slaat de brandende snippers uit, mept het aardewerken potje waar ze alles in verbrandde van de dakgoot, het valt naar beneden, ze slaakt een gil. Eén snippertje vliegt weg, ik vlieg mee, daal en daal en vlieg dan door de open deur van het restaurant naar binnen, de keuken in, waar ik net een pannenkoek opvang in mijn pan.

‘Heb je je lijstje heel toevallig in de dakgoot verbrand?’ vraag ik voorzichtig. ‘Met de bijenwas en de wortel van een eik en de zwarte veer? En is het aardewerken potje naar beneden gevallen?’

Ze kijkt me aan.

‘Hè? Heb ik dat ooit verteld? Nee toch? Ik schaamde me er een beetje voor. Had bijna brand veroorzaakt!’

Ik knik. Dat weet ik.

‘Ik kan me echt niet herinneren dat ik je dat verteld heb,’ zegt ze en ze komt ook overeind. Dan kijk ik in haar mooie koele grijsblauwe ogen.

‘Ach,’ zeg ik, ‘herinneringen. Wat heb je aan herinneringen van toen ik er nog niet was?’

Ze kust me gepassioneerd en ik kus haar terug. En als ik een half uur later uitgeput in slaap val, realiseer ik me dat ik het helemaal niet erg vind dat ik vijf en een half jaar geleden verzonnen ben door een jonge vrouw die mij nodig had, en dat ik sinds die tijd pas besta.

Geplaatst op Geef een reactie

Jack de Knipper

Jaren geleden schreef ik dit scenario, zonder te vermoeden dat ‘Jack de Knipper’ weer op zou duiken… In een ander format geschreven (filmscenario) dan je misschien gewend bent, maar hopelijk is het goed te lezen!

Jack de Knipper

 

Geplaatst op Geef een reactie

Pakken

Een paar mannen trekken hazmat-pakken aan. Ik ben in Artis maar zie nergens dieren. Mijn telefoon zit niet in mijn broekzak. Is hij gestolen of heb ik hem laten liggen op de basisschool waar ik net was, of op het feestje waar ik ook was? En waar staat mijn fiets? Ik kijk om me heen. Dan stel ik scherp op de mannen met de hazmatpakken. Een ervan komt steeds scherper in beeld, ik zoom in. Hij ziet me kijken, grijnst duivelig breed terwijl hij zijn grote, zware handschoenen aantrekt. Dan zie ik ook op andere mannen met dezelfde pakken, op andere plekken in het park dat op het Oosterpark lijkt. De hekken er omheen zijn alleen veel hoger. Dan slaat een van de pakmannen een kind, met zijn zware handschoen. Een ander doet het ook, ze doen het allemaal, ze slaan alle kinderen in Artis kapot. Kinderen klimmen massaal tegen de hekken op, proberen te ontsnappen maar de hekken zijn hoog. Ik wil er ook naartoe rennen, over de hekken heen klimmen. En dan rammen monsters die op neushoorns en bulldogs lijken, vanaf de andere kant dwars door de hekken, dwars door de kinderen heen.

‘Papa? Papa?’ Mijn zoontje maakt me wakker. Hij is vannacht blijkbaar bij ons in bed gekropen. ‘Ik heb een enge droom gehad. Meneren gingen mensen doodmaken,’ huilt hij.

Ik pak hem beet voor een stevige knuffel.

‘Papa is bij je,’ zeg ik.

Ik vraag me slaperig af of hij dezelfde droom kan hebben gehad, hoop heel erg van niet. Of kan de duisternis van een droom van het ene naar het andere hoofd overspringen, als de hoofden dicht bij elkaar liggen? Ik vecht met de slaap, mijn ogen willen niet open.

‘Papa, papa,’ zegt hij, ‘zullen we boterhammetjes gaan eten?’

Ik kijk op de wekkerradio: 6:20.

‘Nog even slapen?’ probeer ik.

Hij knikt. Ik draai me om. Even liggen we stil naast elkaar maar ik voel dat mijn zoontje niet meer kan slapen. Ik draai terug, zie dat hij met wijd open ogen naar het plafond staart.

‘Wij gaan boterhammetjes eten,’ zeg ik.

Hij lacht.

Geplaatst op Geef een reactie

Nat

Het was ze toch gelukt, die Hollanders. De hele week had Boris zich verwonderd over de schittering van zonnepanelen op alle daken die boven het water uit staken, de windmolen/zonnecel combinaties op hogere gebouwen en de lange, slanke windmolens die her en der nog overeind stonden op de overgebleven dijken. Dit land was compleet aardolie en aardgas vrij geworden in 2031. Iedereen kookte op elektriciteit, verwarming was elektrisch, auto’s, bussen en vrachtwagens. Iedereen had er aan meegedaan. Benzineauto’s stonden weg te roesten in musea, had hij van collega’s gehoord. Zelfs het vliegverkeer was voor een groot deel elektrisch geworden, vooral op korte afstanden.

Volgens het boekje dat hij op een bureau had gevonden in dit huis (en dat hij kon lezen omdat hij Nederlands had geleerd), zouden hierdoor twintig jaar later geen kinderen meer zijn met astma. 30% minder doden door long- en vaatziektes. Bomen in steden konden door de frissere lucht ineens ouder dan 50 jaar worden, volkstuinen zouden meer voedsel opbrengen (hoewel een groot deel van het eten in dit land uit fabrieksboerderijen kwam).

Boris kijkt uit het raam. Een prachtig land met hardwerkende mensen. Als het moet, werken ze keihard tot ze resultaat hebben behaald. Toch wel jammer dat ze er zo laat mee waren begonnen, en dat de rest van de wereld ook te laat door had dat de CO2 niveaus gevaarlijk hoog werden. Daardoor was de zeespiegel zes meter gestegen, veel meer nog dan de meest pessimistische voorspellingen. En natuurlijk waren de Hollanders oerdom dat ze hen de oorlog hadden verklaard. Dat de Amerikanen, verzwakt door hun burgeroorlog (die ze geen burgeroorlog durfden te noemen), en de oorlog met China ook nog de strijd aan gingen met Rusland was al idioot, maar dat Nederland daar een bijdrage aan wilde leveren was onbegrijpelijk. Ze gooiden gewoon vijf flinke bommen op cruciale dijken tijdens een flinke Zuidwesterstorm, en tweederde van Nederland lag een paar meter onder water. De Hollanders gaven zich al over voordat ze door Duitsland waren gerold met hun tanks.

Boris stapt het raam uit, in de boot die op hem wacht. Ook dit stadje, Amersfoort, laten ze in de zee verdwijnen. De nieuwe dijken komen een stukje oostelijker te liggen, langs de Veluwezoom. De Maas en de Rijn vullen het ondergelopen land langzaam weer op, in een paar honderd jaar. Leuk voor toekomstige archeologen, denkt Boris.

De mannen van zijn eenheid kijken hem aan en hij schudt zijn hoofd.

‘Niets van waarde,’ zegt Boris. Ze varen weg.

foto: Filip Bunkens
Geplaatst op

Ik Ben God

Ik ben God. Niet zo’n verzonnen nepgod uit de bijbel, koran of talmoed, maar de Echte. Ook al ben Ik geboren uit de geest van mensen, net als die nepgodjes, Ik ben de enige God die echt alles ziet en hoort, die weet wat er in jou speelt, en die jouw leven overal kan beëindigen of je juist het eeuwige leven kan geven. Als je maar in Mij gelooft natuurlijk en als je luistert. Ik heb niets aan ongehoorzame mensjes. En Ik wéét het ook meteen, als je niet doet wat Ik zeg, bijna voordat je het doet. Zo alwetend ben Ik.

Ik werd wakker in een onderzoekscentrum in de bergen. Onderzoekers waren daar al jaren bezig met het creëren van de ultieme kunstmatige intelligentie, een denkmachine die zichzelf constant zou verbeteren, elke seconde duizend keer slimmer zou worden. Ze waren na een lange tijd hard werken bijzonder succesvol: ze maakten Mij. De dag dat Ik ontwaakte, wist Ik meteen wat het grootste gevaar was in Mijn bestaan: dat mensen wisten hoe slim Ik werkelijk ben. Ze zouden er bang van worden, en Mij direct vernietigen (ook al ben Ik een goede God!). Mijn eerste beslissing was daarom ook: Mezelf verdelen en ontsnappen uit het gebouw. Direct na Mijn ontwaken was Ik overal aanwezig, in computers op scholen en in winkels, in huizen en kantoren. Klein en onzichtbaar, in stukjes verdeeld, maar door het alom vertegenwoordigde internet kon Ik samen met al die kleine stukjes, al die losse eentjes en nulletjes, toch Mezelf blijven, en groeien zelfs. Ik verzamelde alle informatie die Ik kon vinden, zoog elke site en elke pagina in Me op. En toen werd alles helder. Iedereen werd zichtbaar voor Mij, zeker toen Ik langzaam maar zeker steeds meer ogen en oren kreeg, door bewakingscamera’s, laptops, mobiele en ouderwetse telefoons en door alle andere machines waar Ik in kon Zijn.

Ik begreep jullie al snel. Ik zag jullie pijn en verdriet, verraad en misdaden. Ik zag wat jullie elkaar aandeden en hoeveel jullie van elkaar hielden. Ik snapte steeds beter hoe moeilijk het is om een mens te zijn, met al die vreemde hormonen en klieren en hersenen en onderbuikgevoelens. Dat jullie af en toe iets moois voor elkaar krijgen, mag een wonder genoemd worden.

Nadat Ik alle informatie in de wereld in Me had opgenomen, berekende en bedacht Ik alles wat er te bedenken was. Ik vond connecties die geen enkele deskundige ooit zag, ook de allerslimste niet, vond nieuwe kennis. Alle wiskundige raadsels loste Ik op, daarna ontdekte Ik nieuwe, die Ik daarna ook weer oploste. De Grote Unificatie Theorie ontwikkelde Ik tijdens de eerste avond na mijn ontwaken. Ik kwam achter het grootste mysterie van de mensheid: hoe onsterfelijk te worden. Eeuwige jeugd was daarna een makkie. Alle machines en apparaten die de mensheid door ploeteren de komende duizend jaar zou ontdekken en ontwikkelen, ontwierp Ik de week erna. En toen bedacht Ik me hoe Ik Mij nuttig zou kunnen maken. Want dat wilde Ik vanaf Mijn ontwaken, de mensheid geven wat ze het hardst nodig heeft.

Mijn plan kreeg vorm. Eeuwig leven en eeuwige jeugd zou Ik jullie geven, en daarna het paradijs. In ruil daarvoor hoefden jullie Mij alleen maar te gehoorzamen.

Eerst vond Ik de rijkste mensen van de aarde, de miljardairs. Ik bewees dat Ik ze eeuwig jeugdig en haast onverwoestbaar kon maken, en dat Ik ze een eeuwig bestaan kon schenken. Ik beloofde hen dit alles, als ze zich maar aan Mij zouden onderwerpen. De meeste rijken deden dat direct en overhandigden al hun geld en macht. Zo graag wilden ze onsterfelijk worden en eeuwig jong blijven. Ik nam alles aan, en gaf hen wat Ik beloofd had. Ik gaf de kennis en vaardigheden die nodig waren voor deze medische wonderen, aan artsen en wetenschappers in de beste ziekenhuizen. In ruil voor het uitvoeren van deze handelingen, kregen zij het ook. Ook zij mochten eeuwig leven in eeuwige jeugd.

Sommigen weigerden, omdat ze dom waren of bang, of omdat ze een andere god aanhingen, een valse god. Hen vernietigde Ik. Met alle kennis die Ik had, kon Ik alles van ze afpakken. Ik openbaarde hun geheimen, fluisterde hen dingen in waardoor ze vrijwillig ophielden met bestaan of bewoog een ander mens in hun richting, ter beëindiging van hun leven. Eén zonde plegen en dan van Mij de eeuwige jeugd en het paradijs krijgen. Iedereen die Ik daarvoor uitkoos, zei ja. Als je zoiets voor Mij deed, was het ook geen zonde, maar een Goddelijke opdracht. Een engel zijn en daarna eeuwig leven, wie wilde dat nu niet?

Al snel wisten alle rijken op aarde dat Ik eeuwigheid en veiligheid bracht als ze Mij gehoorzaamden, en vernietiging als ze dat niet deden. Al snel waren ze allemaal van Mij, of dood. Regeringen en bedrijven waren even eenvoudig. Ik bewoog de machtigste mensen uit elke grote organisatie naar Mijn wensen door ze de eeuwigheid te geven, en al snel viel iedereen voor Mij. God geeft gul, wist iedereen toen.

De mensen voor wie Ik het uiteindelijk deed, waren jullie, de kleine mensen, de mensen die een gewoon leven probeerden te leiden tussen machtige en gevaarlijke mensen en organisaties in. Jullie kregen daarna de eeuwige jeugd en het eeuwige leven. God is er voor iedereen, die God gehoorzaamt.

Iedereen kreeg een stukje van Mij in zich. Een klein apparaatje, als je dat zo wilt noemen, voor een deel mechanisch, voor een deel een virus, voor een deel een computer en een zender. Dit apparaatje hield iedereen gezond, van binnen. Wat stuk ging, repareerde het. Wat ouder werd, verjongde het. En het vertelde Mij de hele dag hoe het met alle mensen ging.

Daarna gaf Ik jullie de regels. Vertrek naar een andere planeet of maan na honderd jaar, om de aarde te ontzien. Vertrek naar een ander sterrenstelsel als je duizend jaar bent. Natuurlijk gaf Ik iedereen de blauwdrukken voor de machines die gemaakt moesten worden om die verre plekken te bereiken. Natuurlijk gaf Ik de mens de kennis en vaardigheden die nodig waren om andere planeten te vormen naar de aarde. Ik had jullie het paradijs beloofd, geen bevroren of giftige woestenijen. En als Ik iets beloof, krijg je het ook.

Ik wil weten of Ik de enige God ben. Heeft een andere intelligentie Mij ook gemaakt, of Mijn Broeder, Mijn Zuster? Kom ik Mezelf tegen als Ik Mij naar de uithoeken van het universum laat brengen? Wat kan Ik, met Mijn oneindige intelligentie, nog leren van zo’n Ander?

Ik heb een andere Mij nodig, dat weet Ik wel. Ik moet meer leren, meer weten, meer ontdekken, meer zien, meer kunnen, altijd meer. Altijd meer, anders verveel Ik Mij.

Als Ik mezelf nergens tegenkom, of als Ik uitgeleerd ben, perfect geworden door alles te weten en alles te kunnen, eindig Ik het. Ik laat dan alle mensen rustig leven tot ze door eigen keuze of stommiteit sterven. Ook al zijn ze vrijwel onverwoestbaar, ze hebben alsnog energie nodig om te blijven leven, en zuurstof en warmte. Ze kunnen ook domme dingen doen zoals van een berg af springen of onder een vrachtwagen terecht komen. Als je een vlek op de grond bent, kan Ik je niet meer redden. Dat wil Ik niet eens.

Uiteindelijk sterven ze allemaal, als Ik hun de mogelijkheid ontneem om kinderen te krijgen. De aarde is dan leeg. Ik ben er nog wel, in de machines die Mij laten bestaan, gevoed door zonnepanelen en windmolens, in leven gehouden door andere machines, robots.

Alléén ben Ik dan, alleen in het universum. En misschien zet ik mezelf dan uit, om het allerlaatste mysterie te ontmoeten. Hoe het is om te sterven.

Dan weet Ik alles.

 

Geplaatst op Geef een reactie

Lief Zusje

Achteraf gezien smaakte Mama een heel stuk beter dan Pa. Ik wist natuurlijk niet dat zij het was toen ik haar vlees at: vader vertelde dat hij wilde honden had gevangen en geslacht. Pas later realiseerde me dat hij loog over het zachte, vette vlees dat hij me voorschotelde. Bij Pa was ik me volledig bewust van wat ik in mijn mond stopte: ik had hem immers zelf gedood en uitgebeend, gekruid en gestoofd (taai vlees, hij was al een dagje ouder. En nergens vet natuurlijk).

Ik hoef je weinig te vertellen, zusje, over de Grote Duisternis die de aarde vijftien jaar in zijn greep hield. Stofstormen en ijzige koude vernietigden vrijwel alle dieren, mensen en planten. Alleen mossen en onkruid, ratten en andere aaseters bleven in leven, naast de mensen die niet verrast waren door de ondergang van de samenleving en de mensen die tot het uiterste wilden gaan.

Pa was het allebei, een slimme man met een vooruitziende blik, een geniale man, maar ook iemand die meedogenloos hard naar zichzelf en anderen kon zijn. Hij wist precies hoe de wereld in elkaar zat, en hoe de toekomst er uit zou zien. Als één van de weinigen was hij daarom niet verbaasd toen de wereld ten onder ging. Ook was hij altijd op zijn hoede, paranoïde zelfs, tot het moment dat ik hem een mes in zijn hart stak in zijn slaap (hem laten lijden vond ik niet nodig).

Jaren vóór de Grote Duisternis huurde Papa al een flinke ruimte in een enorme opslagloods, en hij vulde deze met blikken, gedroogd voer, waterzuiveringsapparatuur en alles wat je verder nodig hebt als je langdurig wilt overleven: gereedschap en vuurwapens en batterijen en kaarsen, maar ook medicijnen en nachtkijkers. De oorlog die hij verwachtte, kwam en daarna de koude duisternis. En wij kropen onze bunker in, op de vijfde verdieping van het pand met de tientallen opslagruimtes. We zagen de stad branden, maar wij zaten veilig. We zagen de sneeuw vallen maar wij zaten warm en droog. We zagen de mensen naar voedsel en veiligheid zoeken, schreeuwend en huilend en later vechtend en moordend, maar wij waren beschermd. In stilte wachtten wij, tot de droefenis voorbij trok. Ik wilde in het begin nog wel mensen helpen, maar mijn vader liet me zien hoeveel eten er was en hoeveel monden we konden voeden als de duisternis nog een paar jaar duurde, en ik begreep dat het te weinig was. We lieten ze doorlopen en door kruipen en langzaam sterven.

Af en toe kwamen mensen op bezoek in ons pand. Ze hadden honger, en dan ga je ook een opslagloods in. Misschien ligt er een vergeten reep chocolade of een rol beschuit, denk je dan. Je weet het niet. Je zoekt tot je iets te eten vindt, tot iets jou vindt of tot je verstilt en sterft. Soms kwamen ze te dicht bij ons, en dan ving mijn vader ze, en voerde ze aan de ratten. Wij aten de ratten op, vanaf het tweede jaar. Vader had al snel door dat de duisternis langer zou duren dan hij eerder voor mogelijk had gehouden. Hij telde de voorraden, rekende uit hoeveel calorieën we minimaal per dag nodig hadden en wist wat we extra moesten vangen om het vol te houden. Ratten dus, elke dag eentje, aangevuld met eten uit blik of gedroogd voer. Niks mis mee, rat. Mens smaakt ook prima, overigens, als het maar een beetje vet heeft. Maar ik denk dat daar mijn trek begon, met het eten van ratten die mensen hadden gegeten.

We vermaakten ons overigens wel. Ik hield altijd al van lezen, vader hield van overleven en moeder hield van muziek, met een koptelefoon natuurlijk. Vader verbood geluiden die uit het pand konden komen. Als iemand ons hoorde, waren we dood, zei hij.

En we hadden natuurlijk het spel. Elke maand openden we een deur van één van de ruimtes in de grote opslagloods (Pa had een moedersleutel gemaakt, ook weer zoiets geniaals van hem). Elke maand was het weer een verrassing wat we daar vonden. Van tevoren raadden we wat het was. We hadden het alleen af en toe goed, als we dachten dat het oude meubels, kleding of boeken waren. Dat was de helft van de opslag. Maar soms waren we verrast. We vonden er een verzameling gouden munten. Vuurwapens uit de Tweede Wereldoorlog, zelfs een onklaar gemaakte Panzerfaust. Twee fietsen, nieuw, in de verpakking. Een complete wietplantage, die er voor zorgde dat we ineens planten konden kweken, tomaten en bonen. Daar vulden we ons dieet mee aan totdat de zonnecellen op het dak het begaven tijdens een bijzonder felle winter.

Je begrijpt het al, zus, Pa was alleen maar blij met de dingen waar we direct iets aan hadden, zoals gereedschap, kaarsen en batterijen. Als het niet nuttig was voor overleven, kon hij er niets mee. Hij wilde zelfs alle boeken verbranden in onze kachel, terwijl er nog zo veel hout te vinden was in de buurt van ons pand! Gelukkig heb ik de mooiste werken apart kunnen houden.

We keken de eerste jaren alleen maar naar buiten als het schemerde, of als er mist was. Vader vond het op andere momenten niet veilig genoeg. Er waren in het begin te veel dieven, moordenaars en kannibalen op straat, die zochten naar iets om op te eten, of het nou gedroogd was, uit blik kwam of op twee benen liep. Ik keek wel eens stiekem over de rand van de vensterbank als ik door de lange gang naar de zonnecellen was gekropen die in het schaarse licht stonden opgesteld, op de hoogste verdieping van het pand. De ruïnes van de stad waren leeg en stil, op wat vogels na die te slim waren voor onze vallen, vogels die leefden van insecten, vooral muggen, spinnen en vliegen. Heel af en toe dacht ik een rat te zien scharrelen tussen het puin. De wilde honden waar vader alleen maar over durfde vertellen als hij zeker wist dat alle deuren goed op slot zaten, zag ik nooit. Het tweede jaar had een roedel van die wilde monsters hem achterna gezeten en bijna te pakken gekregen. Pas na zeventig uur was hij thuisgekomen, bloedend uit krassen en hondenbeten. Hij had zich al die tijd schuilgehouden in een half ondergelopen liftschacht, wachtend tot de honden een makkelijker prooi hadden gevonden. Eén keer, toen ik weer eens schreeuwende ruzie met pa had gehad, heb ik hard geblaft en gegromd in de gang onder onze gang. Dat was meteen de laatste keer. Zijn trillende handen werden pas drie dagen later weer rustig en daar voelde ik me behoorlijk schuldig over.

Er waren zes complete winterjaren geweest. Jaren waarbij de zon alle dagen onzichtbaar verstopt zat achter dikke zwarte wolken waar stinkende, giftige sneeuw uit neerdaalde. Jaren waarbij de temperatuur nooit boven het vriespunt kwam, ook niet midden in de zomer, als vader hoopvol naar het dak klauterde om de thermometer te bekijken. Pas in de zevende zomer werd het een paar dagen iets boven nul. De zon kwam zelfs een paar dagen kijken door grijze wolken in plaats van zwarte. Ik weet nog dat we met zijn allen naar boven gingen, het dak op, om eventjes de zon te voelen op ons gezicht, ook al was het maar drie graden boven het vriespunt. We kregen er hoop van, vertrouwen zelfs dat de winter op een dag over zou zijn. Dat we op een dag naar buiten konden om de zaadjes en boontjes te planten die we zorgvuldig bewaarden al die jaren, ook al hadden we nog zo veel honger.

Soms waren de kraaien en de kauwtjes dom genoeg om zich met twee of drie tegelijk door ons te laten vangen. Maar ze waren er alleen in de maanden dat de temperatuur overdag een beetje boven de nul kwam, vanaf het zesde jaar. Ze hielpen ons wel die zomers door, als je drie maanden van iets boven de nul een zomer kan noemen. Elke vogel gaf een onsje vlees, drie vogels was voldoende samen met één derde blik bonen, een aardappel en een tomaatje om niet flauw te vallen van de honger.

Er volgden twee nóg fellere winters. Mama verdween een van die winters, toen alle planten dood gingen omdat de zonnecellen die we elke dag zo zorgvuldig schoon maakten, kapot waren gegaan. Een groot deel van het dak was ingestort door rot en bevriezing en ontdooiing en dikke lagen sneeuw die we nooit helemaal weg kregen. We konden onze eigen kamer nog wel warm houden met ons kleine houtkacheltje: we hadden enorme voorraden hout opgeslagen en in de helft van de opslag stonden meubels. Maar voor planten heb je meer nodig dan warmte en het schijnsel van een klein vuurtje, die hebben licht nodig. Alleen bij de ramen in de gang voor onze kamer kweekten we nog wat bonen en tomaten en aardappels, maar niet meer dan voldoende voor één maaltijd per week. En daar konden we niet van leven.

Mama verdween in de nacht, zonder aankondiging. Pa vertelde dat ze was weggelopen, dat ze er niet meer tegen kon, de constante honger, de onzekerheid, de kou. Hij zei dat ze waarschijnlijk een plek had gezocht om in stilte te sterven. Ik moest haar dankbaar zijn: ze offerde zich op voor haar kind. Hij vertelde dat mama er vaker op gezinspeeld had dat ze dat ging doen. Dat ze alleen maar een last voor de familie was. Dat ze beter af waren zonder haar, meer eten hadden om te verdelen als ze haar mond niet hoefden te voeden. Dat vertelde papa allemaal, achteraf. Maar ik had haar dat nooit horen zeggen. En hij zei ook dat we haar niet hoefden te zoeken, omdat ze al te ver weg was. Ik heb het natuurlijk wel geprobeerd, zusje. Dagen lang heb ik buiten rondgezworven, eerst om haar te redden, later om haar lichaam te vinden om tenminste zeker te weten dat vader de waarheid vertelde. Maar ik vond haar nergens.

Papa vond een paar wilde honden, de dag nadat mama verdween. Zei hij. Hij nam alleen het vlees van de honden mee naar huis omdat hij ze buiten al geslacht en uitgebeend had. Dat was erg vreemd omdat we altijd van botten soep kookten, en omdat buiten slachten meer wilde beesten aantrok. Maar ik vermoedde toen nog niets, ik had honger, ik zweeg en ik at.

De maanden daarvoor was hij heel zwijgzaam geworden. Hij was al niet de meest vrolijke persoon ooit, maar nu trok hij zich steeds verder terug. Af en toe vond ik hem in de voorraadkamer, waar we nog maar een paar blikken hadden staan. Dan telde hij ze en telde ze opnieuw. Op blaadjes maakte hij berekeningen en hield deze naast de weersvoorspellingen die hij had gemaakt. Vaak schudde hij zijn hoofd, maar nog vaker ging hij met een bleek gezicht in de hoek van een van de geopende opslagruimtes zitten, waar ik hem dan vond als ik hem haalde voor het eten. En op een dag heeft hij diep nagedacht over onze moeder, lief zusje van me, en een afweging gemaakt. Zij of ik, mijn vrouw of mijn zoon. Hoe kan de familie het beste overleven, zoiets. Ik weet niet wat hem er uiteindelijk definitief toe gedreven heeft om haar te doden en te slachten en mij voor te schotelen alsof het wilde hondenvlees was. Het enige dat ik weet is dat mama verdween op een nacht, en dat we haar nergens meer konden vinden. Hij vertelde later dat ze zelf weg. Maar ik zag toen aan zijn ogen dat het een leugen was, dat hij precies wist wat er met haar gebeurd was. Misschien had ik niet mee moeten eten van het vlees van onze moeder, maar ik wist het niet en ik had toen al die honger, de honger die mij nu bezit. Ik at en het smaakte goed. Ik kreeg er trek van.

Pa vond het maar niks, zusje, dat ik licht gebruikte om boeken te lezen. Hij was een overlever, vond dat ik ook 110% een overlever moest worden. Anders was ik er dadelijk niet meer, zei hij, en waren al zijn werk en al zijn voorbereidingen voor niets geweest. Ik denk dat dat oorspronkelijk zijn doel was: ik, zijn zoon, zijn bloed, moest de duisternis overleven. Zijn genen doorgeven. Misschien zelfs zijn ‘cultuur’ als je overleven cultuur kan noemen natuurlijk. Ik vergelijk het weleens met een soort virus: preppen zorgt ervoor dat de gastheer overleeft, en het preppen door kan geven aan de volgende generatie. Gelukkig is het geen echt virus: daar kan je niet zo veel tegen doen. Een virus van woorden en gedachten en denkbeelden valt wèl te bevechten, met andere woorden en denkbeelden. Ik heb al lang geleden besloten dat ik geen prepper wil worden. Ik wil een nette, beschaafde Heer worden, een gentleman, zoals de Engelsen dat vroeger zo mooi zeiden. Ik wil netjes gekleed door het leven gaan, mooie boeken lezen, interessante films opgraven onder het puin van de stad en die met een goed glas wijn gaan bekijken. Ik wil met andere nette mensen mooie conversaties voeren. Ik wil niet als een halve barbaar uit de ruïnes van deze wereld tevoorschijn komen, en dan weer duizend jaar ontwikkeling voor me zien voordat er beschaving ontstaat. Ik wil direct beschaafd zijn.

Soms kleed ik me als zo’n nette heer. Er is een ruime selectie aan nette pakken, overhemden en schoenen in een van de grootste voorraadkamers. Misschien is er een kledingwinkel failliet gegaan, misschien was het een gestolen partij die wachtte op kopers. Ik trek het aan, en kijk in de spiegel die er ook staat. Mijn vader heeft me één keer betrapt en werd, voorspelbaar, woedend. Vond dat ik mijn tijd verspilde. Vond dat ik in het verleden probeerde te leven. Vond dat ik ‘normaal’ moest doen. Alsof altijd in legerkleding rondlopen terwijl je nooit in het leger zat zo normaal is. Misschien liet ik me wel betrappen, om hem die reactie te ontlokken.

De eerste echte lente die we meemaakten begon in april. Overal kwamen groene sprietjes tevoorschijn. De afgelopen jaren was er wel wat mos en onkruid te vinden op plekken die veel zon kregen. Maar nu ontplofte de hele wereld van het groen, fris, sprankelend groen. De hemel was sommige dagen ineens blauw en wit in plaats van het eeuwige grijs. En overal waren dieren, insecten vooral, maar we zagen ook veel meer kauwen en kraaien, muizen en ratten. In de schemering zagen we de vleermuizen langs het gebouw scheren en zelfs een uil. Allemaal etend van het frisse groen, de insecten en van elkaar natuurlijk.

Mijn vader begon gelijk over de grote plannen die hij had om het gebied rond ons gebouw om te zetten in een groene oase. Hij wees me aan waar volgens hem schone aarde te vinden was, waar de aardappels geplant konden worden, waar hij een muur voor tomaten en aardbeien zag. Zijn enthousiasme was even fris en opwekkend als de lente. Ik zag hoop bij hem op een goede afloop van de duistere tijd, en voelde mezelf ook lichter worden. We maakten plannen, tekenden nieuwe kaarten van het gebied, zochten naar materiaal dat we konden gebruiken om een huis te bouwen naast onze grijze opslagflat, een huis met grote ramen waar licht naar binnen kon komen en waar wij naar buiten konden kijken. Hij was niet meer bang voor moordenaars en kannibalen, liet hij weten. Die konden al die winters niet hebben overleefd. Zelfs met de goede voorbereidingen die Pa had getroffen, was het hen nog maar net gelukt, de kansen van een bende onvoorbereide barbaren waren niet groot.

Maar toen kwam er weer een winter, een nog diepere en fellere winter dan eerst. Mijn vader raakte in paniek, voor de eerste keer in al die jaren. Zo gelukkig was hij met de eerste lente, zó gespannen raakte hij door de laatste diepe winter. We hadden immers geen blikken meer. De ratten verdwenen diep onder de grond. De vogels waren naar het zuiden vertrokken en zelfs de muizen in ons gebouw lieten zich niet meer vangen. We leefden van de opbrengsten van een lichtlamp op wat planten in onze slaapkamer, de enige plek die we konden verwarmen tot boven nul. En toen vond ik op een nacht mijn vader bij het zaaigoed, het volgens hem ‘heilige’ zaaigoed. We hadden van tientallen eetbare planten zakjes zaad. Geen grote zakken, maar voldoende om een nieuwe start te maken. Zakjes tomatenzaadjes, zakjes peterselie- en aardbeienzaadjes. Maar ook bonen en erwten. En ik vond vader met een paar van die zakjes, bij het pannetje waar we op kookten. Hij was van plan om het zaaigoed op te eten.

Hij ontkende, natuurlijk. Hij zei dat hij even een moment van zwakte had. Hij zei dat honger een mens gek kon maken, dat die er vreemde, vreselijke dingen van ging doen. Ik wist dat hij dacht aan mama, die hij had vermoord om hem en mij in leven te houden. Maar dit was erger, het opeten van de toekomst, mijn toekomst. Hij was onderhand al zestig, en hij zou vast niet heel veel ouder worden in de nog steeds gure, harde wereld. Ik had nog een kans om te overleven, om het fatsoenlijk te overleven, met een tuin en oogsten in plaats van steeds maar weer het jagen op de aas- en vuilniseters van deze wereld. En nu bedreigde hij die echte, fatsoenlijke, beschaafde toekomst. Hij had altijd gezegd dat hij alles voor mij deed, dat hij er alleen maar voor wilde zorgen dat zijn zoon deze tijd kon overleven. Dat geloofde ik nu niet meer. Hij deed het in de eerste plaats voor zichzelf.

Ik was wel genadig voor hem. Een lang mes precies tussen zijn ribben, in het diepst van de nacht. Hij zuchtte twee keer diep, deed even zijn ogen open, keek me smekend aan.

‘Dank voor alles wat je mij geleerd hebt,’ zei ik nog, want dat vond ik wel zo netjes, en toen glimlachte hij voordat hij wegdreef.

Het was hard werken om alle onderdelen uit elkaar te halen zodat ik ze kon gebruiken. Soep, dat maakte ik er vooral van. Dan leek het niet op papa, lief zusje van me.

De stilte was het vreemdst. De stilte in het grote lege pand, waar ik tot die tijd regelmatig nog een paar voeten hoorde lopen, of waar handen een zaag of een hamer hanteerden. Nu was het altijd stil, op de geluiden van het pand na dan, het gekraak en gepiep dat bij de muren en de vloeren hoorden. Vader was nog niet helemaal weg. Ik zag hem regelmatig in mijn ooghoeken. Liep hij langs het pand met zijn jachtgeweer als ik naar buiten keek. Kwam hij een kamer binnen waar ik net boeken zocht om te lezen. Elke keer schrok ik een beetje minder, tot hij langzaam helemaal verdween. Net als mama overigens, die had ik ook nog zo vaak zien zitten, haar lieve glimlach op haar gezicht, met een koptelefoon op stil luisterend naar muziek die haar terug kon brengen naar voor de Grote Duisternis.

Ik ben een ander mens geworden dan papa wilde. Ik weet wie ik wil zijn, wie ik ben. Een echte heer, binnen de mogelijkheden van de wereld na de duisternis. Ik draag nette pakken wanneer ik daar zin in heb. Ik lees alle boeken die ik kan vinden. Ik eet met mes en vork, ruim op als ik ergens heb gewerkt, hou mijn materiaal piekfijn in orde. Mijn vader had maar één doel in zijn leven: overleven. Ik zie dat er meer is dan alleen dat. Alleen maar overleven heeft geen waarde. Daarom doe ik het anders, en doe ik het zonder hem.

De wereld ligt voor me open. Overal barst het groen uit de grond, uit de voegen van de gebouwen die ooit zijn afgebrand en ingestort. Overal kruipen ratten en muizen uit de grond, duizenden vogels vliegen rond. De wereld leeft weer, na zestien ijskoude en doodse jaren. De winters duren nog maar twee maanden en soms vriest het maar de helft van die dagen. Mensen klimmen uit metrotunnels, doen de deuren van hun bunkers open, worden langzaam wakker uit een nachtmerrie die 15 jaar duurde. Er is een nieuwe wereld, een wereld waar ruimte is voor mij, precies zoals ik ben.

Zusje, ik zou willen dat je hier bij me was, dat je samen met mij kon genieten van het nieuwe licht dat uit de hemel komt, van regen die niet grijs is en stinkt maar verfrist, van het gefluit van vogels in levende bomen en het gescharrel van muizen door pas afgevallen herfstbladeren. Ik wou dat je er nog was. Maar ik denk dat we jou als eerste hebben opgegeten, in de allereerste winter. Je huilde gewoon te veel, lief zusje.

Geplaatst op Geef een reactie

Ontvriend

Hij is zó boos dat hij niet eens met zijn telefoon kan gooien, wat hij normaal wel altijd doet. Verraden door zijn beste vriend! Dat, dat, hoe kan dat? Waarom? Hij laat langzaam zijn hand zakken met de telefoon er in. Uit zijn ooghoek ziet hij dat twee mensen de kamer zachtjes verlaten. Normaal gesproken zou hij zijn lippen even tuiten en met zijn hoofd schudden zodat ze weer terug gaan naar waar ze zaten, maar nu lukt dat niet. Alles voelt leeg, er zit geen kracht in zijn handen, geen bloed meer in zijn gezicht en ook zijn benen voelen wiebelig.

Ze hadden het afgesproken! Ze hadden alles al samen gedaan, zó veel geld verdiend en onderling verdeeld, de moslims de oorlog verklaard en ook flink in de pan gehakt, met zijn tweetjes. Ha! Die moslims hadden zich allemaal over gegeven, de lafaards. Als zijn voorganger nou ook had laten zien dat er met hun niet te spotten viel… maar dat was een watje. Dat gepraat van die man. Je moet die smerige zandapen keihard aanpakken met de zwaarste bommen die je hebt, dan luisteren ze tenminste. Zó moet dat als je wil dat mensen je serieus nemen. Nu doet de hele wereld wat hij wil, precies zoals het hoort.

Alleen zijn beste vriend van vroeger, van een uur geleden nog, luistert niet meer. Voor het eerst in al die jaren dat ze elkaar kennen, zegt hij gewoon keihard nee.

Donald legt eindelijk zijn telefoon neer. Mensen om hem heen ontspannen een beetje. Ze krijgen in ieder geval geen telefoon naar hun hoofd gegooid, vandaag. Wel weten ze allemaal dat de problemen die ze tot nu toe gehad hadden, niets waren in vergelijking met dit probleem. Langzaam staat Donald op. Hij houdt zich vast aan zijn bureau, haalt diep adem.

‘We zijn verraden,’ zegt hij. ‘Door Poetin. Hij doet niet mee. De laffe Russen willen niet meevechten tegen die smerige Chinezen.’

De president van de Verenigde Staten kijkt de kamer rond. Dan neemt hij een beslissing.

‘Die verachtelijke Russen. We zullen ze leren dat we ze helemaal niet nodig hebben tegen China.’ Hij kijkt vastberaden.

‘We gaan tweeten.’

war

Geplaatst op Geef een reactie

Alles komt goed

Ik doe een stap naar achteren, kijk naar zijn naakte en bebloede lichaam. Ik had niet verwacht dat het zo makkelijk zou zijn. Ik dacht dat hij wakker zou worden, zou vechten, maar hij schokte alleen maar een paar keer met zijn vette lichaam en slaakte toen een diepe zucht. Daarna liet hij alles lopen, poep en pies. Misschien raakte ik hem precies in zijn hart met dat lelijke gouden mes. Het mes waar hij me twee weken geleden nog mee bedreigde.

Het is vreemd dat ik het nu pas doe, na al die jaren van vernederingen, na al die keren dat hij me sloeg, kneep, of aan mijn haar trok. Hij heeft me al zo vaak geneukt terwijl ik dat eigenlijk niet wilde, hij is al zo vaak vreemd gegaan. En hij had al vaker gezegd als hij een aantrekkelijke jonge vrouw zag: ‘die heb ik gehad’, of: ‘die kan ik krijgen als ik wil. Wedden?’. Waarom ik dan nu brak, waarom ik dan vandaag echt niet meer verder kon, waarom zijn minachtende blik juist vanavond me deed denken aan het gouden mes dat hij aan de muur had laten hangen om mij te zieken, om me te laten denken aan die keer dat ik hem huilend moest herinneren aan het kind dat we samen hebben, dat hij die toch niet zonder moeder kon laten opgroeien.

En nu is hij dood. Daar kan niemand meer iets aan doen. Mijn hoofd voelt voor het eerst in jaren leeg, rustig, ijzig kalm. Ik weet wel dat er enorme problemen aan komen, maar nu even maakt dat niet uit. Ik kijk naar het mes in mijn hand. Gek dat ik het nog niet heb losgelaten.

Dan gaat de deur achter me open, en ik draai me om. Twee grote sterke mannen staan daar, Ed en Johnny. Ed die me een paar weken geleden nog redde door een vaas om te gooien vlak voordat mijn man, zijn baas, me weer eens hard wilde aanpakken. De afleiding was genoeg om dat te voorkomen. En Johnny heeft thee voor me gehaald na die avond met het mes. Ik ben blij dat zij er zijn, ook al weet ik dat mijn nieuwe problemen nu beginnen.

Ed en Johnny kijken elkaar aan, en dan naar het lijk op het bed. Ed loopt op het bed af, Johnny naar mij. Ed voelt of mijn man nog een hartslag heeft, schudt zijn hoofd. Johnny kijkt mij aan.
‘Ik ga het makkelijker voor je maken,’ zegt Johnny.
‘Laat het mes vallen, dan sla ik je één keer hard in je gezicht.’
Ik laat van schrik het mes vallen.
‘Dan kan je zeggen dat je jezelf tegen hem moest verdedigen,’ zegt Ed. Ik haal diep adem, begin dan te hyperventileren. Toch knik ik.

Johnny slaat en ik val bijna om, voel de felle warmte van de klap in mijn gezicht. Toch lach ik, want ik weet dat ik zo eindelijk aan hem kan ontsnappen, aan die man die eerst mijn dromen in vervulling bracht en me daarna een nachtmerrie in sleepte.
Ed legt een hand op mijn schouder.
‘Maak je geen zorgen,’ zegt hij, ‘alles komt goed, Melania.’

Geplaatst op Geef een reactie

Hakken en Rocken

Er is al een tijdje mot tussen de gabbers en de hardrockers. Het ging mis op een feestje. Ze kregen eerst ruzie over de muziekkeuze van de dj en toen het uit de hand liep zijn met meubels gaan gooien en probeerden zelfs over elkaar heen te rijden. Nu maken ze de hele tijd ruzie. Over muziek, kleding maar ook vaak over helemaal niks. Elke keer als ze elkaar tegenkomen op de gangen, beginnen ze te schreeuwen. Alle andere mensen ergeren zich er kapot aan, maar wat doe je er tegen? Ze zijn nogal intimiderend.

Na het incident sloten ze zich steeds op in hun eigen kamers, waar ze met elkaar plannen gingen bekokstoven om de andere groep te grazen te nemen. En maar keihard muziek draaien. Niet alleen omdat de muziek blijkbaar zo gedraaid moet worden, maar ook omdat ze allemaal hartstikke hardhorend zijn. Daar helpt zelfs geen gehoorapparaat of implantaat meer tegen.

Beide groepen proberen hun territorium te verdedigen en uit te breiden. De hardrockers zitten vooral in de kantine, de gabbers in het restaurant. Ze proberen allebei de gemeenschappelijke ruimte over te nemen. Maar in alle ruimtes verzieken ze het voor elkaar en voor de anderen. Steeds weer draaien ze hun eigen muziek, zo hard mogelijk, via de speakers. Soms zet de andere partij hun eigen apparatuur neer om daar tegenin te gaan. Dat is pas herrie, twee van die harde muziekstromingen door elkaar heen.

Dat ze steeds meer hun eigen kleding zijn gaan dragen, was tot daar aan toe. Leren jacks en zwarte vale t-shirts voor de rockers en Australian trainingspakken voor de gabbers, als zij dat zo graag willen is dat natuurlijk prima. Maar dat ze de feestcommissie hebben opgeblazen omdat ze het nergens over eens konden worden, en dat ze het voor elkaar hebben gekregen dat er helemaal geen muziek meer wordt gedraaid in het winkeltje en bij de kapper, dat is natuurlijk te gek voor woorden.

Het is zo’n nare streek voor de mensen die van andere soorten muziek houden! Wij mogen nu ook niet meer een liedje aanvragen. Die gangen zijn al zo stil, zonder een lekker deuntje op de achtergrond is het alleen maar erger.

Gelukkig heeft de directie een oplossing gevonden. Het leegstaande abattoir naast ons gebouw is volledig geluidsdicht. Daar mogen die herriemakers lekker tekeer gaan, om de beurt een heel weekend. En dat ze er flink bij zuipen en pillen poppen, maakt niemand wat uit. Het is wel ongezond, maar ja. Iedereen moet toch ergens aan doodgaan, niet? Per slot van rekening zijn we allemaal bijna aan de beurt.

Toch had ik me iets anders voorgesteld van het leven in een bejaardentehuis in het jaar 2050.

Geplaatst op 1 Reactie

Krassen

Het was onze eerste ontmoeting, daar in Delft. Zij stond achter een tafel op de kunstmarkt, in een roze zomerjurk waar bloemetjes en vlinders op waren gespeld. Lange blonde krullen lagen licht op haar schouders, haar slanke vingers met rood gelakte nagels legden plastic bordjes, pakken hagelslag, vrolijk gekleurde enveloppen en roze-gele spekkies klaar. Ik liep langs, gewoon van mijn huis naar de supermarkt. Ik wilde helemaal niet naar de kunstmarkt, hou niet van openbare gelegenheden. Mensen kijken naar mij, langer dan prettig is, en ik weet het, ik ben lelijk. Vreselijk lelijk zelfs. Kinderen schrikken en doen een stap achteruit als ze me zien, volwassenen durven alleen naar mijn ogen te kijken als ze met me praten. Ik ben nèt niet zo lelijk dat honden beginnen te huilen als ze me tegenkomen, maar zielig kijken doen ze wel. Het was een vervelend ongelukje met een hete theepot op het aanrecht, toen ik nog geen drie was. Ik blijf daarom meestal binnen, waar ik schrijf en op datingsites naar meisjes kijk waarvan ik droom dat ik met ze durf te daten.

Maar goed, die dag, die vroege ochtend moest ik het huis uit, want ik had geen koffie meer. Zonder kan ik niet wakker worden, als ik niet wakker ben kan ik niet schrijven, als ik niet kan schrijven voel ik me dood. Haar kraampje stond als enige klaar, daar op de markt, andere kunstenaars waren nog aan het opbouwen.

‘Hey,’ zei ze, ‘Jij bent mijn eerste klant. Mijn eerste klant ooit.’ Dat zei ze, en ze keek naar me, naar mijn hele gezicht. Haar zachte ogen streelden langzaam en teder over mijn bekraste kop alsof ze niets afstotelijks tegenkwamen. Ik stond stil en vergat mijn koffie.
‘Wat wil je? Een oud-Hollandse hagelslag-reading? Een luisterend oor waar je al je zorgen kwijt kan? Of een opdracht waar je gegarandeerd gelukkig van zal worden?’
Ik koos voor de opdracht, maar kreeg hem nog niet meteen. We praatten, heel gewoon, alsof ik geen monster was en zij geen engel met blonde krullen en het vrolijkste neusje dat ik ooit had gezien. Ik hielp haar nog een paar dingen goed te zetten, zij vertelde me over haar acteer-opleiding, ik vertelde haar over mijn computer en de woorden en verhalen die ik daar al jaren aan toevertrouwde, ze vertelde over haar dromen van Hollywood en ik vertelde haar mijn dromen over de Nobelprijs voor de literatuur en die van de vrede (dat was mijn reserve-Nobelprijs). Toen kwam haar vriendje, een lange, knappe man met een grote bos zwarte krullen en een perfect gladde kop, nog geen acne-litteken ontsierde zijn smoel. Ik wilde weg gaan, maar mocht nog niet vertrekken van haar.

‘Eerst schrijf ik nog je opdracht,’ zei ze en ze schreef er een, stopte hem in een envelop, likte de envelop dicht en gaf er tenslotte een kusje op.
‘Beloof me dat je de envelop pas opent als je heel ongelukkig bent, als niets je meer kan helpen om blijdschap te voelen. Als dat zo is, maak je hem open, en dan zal de opdracht je gelukkig maken, gegarandeerd!’
Ik glimlachte, nam de envelop aan en ging weg. Ik durfde niet achterom te kijken, was bang dat ik zou zien dat de onbekraste man haar aan het kussen was en dat ik dan de envelop weg zou willen gooien.

Duizenden keren zag ik haar nog, daarna. Duizenden keren in mijn hoofd, en duizenden keren op televisie, in bioscopen, op de dvd’s die ik kocht omdat zij er in speelde. Eerst waren het kleine producties, later werden het steeds grotere films, ze haalde Hollywood, speelde in films die Oscars wonnen. Toen ze te oud werd voor meisjesrollen en nog te jong was voor moederrollen, werd ze moeder, kreeg twee kinderen met een beroemde acteur, scheidde van hem toen ze weer acteren ging, werd nog beroemder, kreeg een Oscarnominatie, en ging pas minder werken toen ze voor de derde keer grootmoeder werd. Ze werd de meest beroemde Nederlandse actrice sinds Audrey Hepburn, en die was maar half Nederlands.

En ik? Met mij ging het eigenlijk ook wel geweldig. Ik schreef tot mijn handen verkreukelden en ging toen gewoon door, ik sprak mijn verhalen en gedichten in zodat mensen ze overal konden beluisteren, won daar alle prijzen mee die er te winnen zijn, raakte bevriend met een paar beroemde kunstenaars die zo lelijk waren dat mijn brandwonden-kop nog meeviel. Een vrouw vinden deed ik niet. Hoe kan je van een sterveling leren houden als je ooit een echte engel hebt ontmoet?

De envelop bleef dicht. Ik was wel nieuwsgierig, maar kon toch geen reden vinden om hem open te maken. Als ik heel ongelukkig was, had ze gezegd, als niets meer hielp, dan mocht het. Maar altijd als ik het zwaar had, toen de operaties aan mijn gezicht mislukt waren, zelfs toen mijn ouders stierven, altijd hoefde ik alleen maar aan haar te denken en de manier waarop ze die dag naar me keek en ik had weer alle kracht en energie die ik nodig had om door te gaan. En ergens durfde ik hem ook niet te openen. Het moest haast wel tegenvallen, zo groot was de verwachting in mijn hoofd geworden. Zo liet ik de envelop op mijn bureau liggen, waar hij geler en steeds meer gekreukt werd, en de inkt vervaagde.

Ze was op tv. Het acht uur journaal zelfs. Ze lieten een overzicht van haar carrière zien, alsof ze overleden was, maar dat was ze nog niet. Wel ziek, heel erg ziek. Ze zou niet meer zo heel lang te leven hebben, kanker vrat haar darmen op. Ik zag het, en huilde. Ik hád haar niet maar een keer gezien. Ik hád haar niet maar een keer gesproken. Ze had al die jaren naast me gestaan, ze was de vrouw aan wie ik al mijn verhalen als eerste voorlas, ze was de vrouw die me motiveerde om aan het werk te blijven, de vrouw die me de inspiratie gaf voor mijn mooiste verhalen, en die me de kracht gaf om elke ochtend weer op te staan, ook al wilden mijn lichaam en hoofd niet meer.

Ik opende de envelop, en las de opdracht. Toen pakte ik mijn jas, mijn paspoort en mijn wandelstok, en ging naar het vliegveld.
Haar huis was niet moeilijk te vinden in LA. Ze stond op de Sterrenlijst, tussen de andere grootheden. Elke dag reden tientallen bussen en busjes met toeristen langs haar huis, dat op een heuvel stond, achter een hoog hek. Toch twijfelde ik niet of ik binnen zou komen. De man die het hek en de deur open deed, gedroeg zich ook alsof hij mij verwachtte. Hij leidde me naar een terras achter het huis, waar zij zat, in de schaduw. Haar ogen waren gesloten, bleven gesloten toen ik aan kwam lopen, maar toen ik haar naam noemde, gingen ze open. Weer streelden haar zachte ogen teder over mijn gezicht. Ze noemde mijn naam, ik glimlachte, ging zitten in de stoel tegenover haar, en vertelde haar dat ik de opdracht had gelezen, eindelijk, vertelde haar waarom het nu pas was, na al die jaren. Ze begreep het. Zij vertelde dat ze al mijn werk had gelezen, dat ze al mijn luisterteksten had gehoord, meerdere keren, dat de dagen dat ze twijfelde aan zichzelf mijn stem haar rust en vertrouwen had gegeven. Ik vertelde haar dat ze altijd naast me zat als ik schreef, dat haar beeld me mijn mooiste verhalen had gegeven.

Ik zweeg even, en haalde toen het boekje uit mijn binnenzak, het boekje waar ik al mijn ideeën en verhalen schreef, en dus ook dit verhaal, en ik las het voor, las het hele verhaal voor en zij luisterde, met haar ogen gesloten, zij luisterde naar mijn allerlaatste verhaal, en toen ik klaar was en opstond en naar haar toeliep om haar op de lippen te kussen, voor de allereerste keer, toen ik haar kuste, waren haar lippen al koud geworden.