Geplaatst op Geef een reactie

Ommekeer (1/20)

Henri maakte me wakker toen het nog donker was. Normaal gesproken kon ik zien hoe laat het precies was: mijn wekkerradio heeft heldere rode cijfers. Maar deze nacht was hij uit, net als al die andere dingen die nooit meer aan zouden gaan.

‘Lieverd,’ zei Henri, ‘liefje, je moet opstaan.’

Hij stond naast ons bed met Amy op zijn arm. Ze had een dikke jas aan, en haar rubberen laarsjes. Toen ik mijn ogen verder open deed en rechtop ging zitten, zag ik dat hij ook een dikke jas aan had, en zijn rubberen lieslaarzen. Zijn laarzen waren nat, zag ik in het licht dat door het half open gordijn naar binnen scheen.

Ik keek hem aan, vragend.

‘Er is water, beneden,’ zei hij, ‘en het stijgt. We gaan naar zolder.’

Henri was altijd heel rustig. Nooit kon ik hem betrappen op grote emoties, of grote gebaren. Hij deed altijd wat er nodig was, zeurde nooit, klaagde nergens over. Maar als er iets was dat hij echt wilde, gebeurde het ook, dan was hij onwrikbaar. Daarom woonden we ook in een huisje búiten Breda, en niet in een buitenwijk van de stad. En daarom hadden we Amy. Als het aan mij had gelegen, was ik er na de vierde miskraam mee opgehouden. Ik was toen zelfs te verdrietig om er nog om te kunnen huilen. Gelukkig troostte hij me door me ’s nachts in bed zachte verhalen te vertellen over alle avonturen die we gingen beleven met de kleine die zeker weten geboren zou worden, ook al was ze nog niet eens verwekt. Ik vond moed om het wéér te proberen en toen kwam er het wondertje.

Henri stond daar met Amy, en ik luisterde. Ik trok mijn jas aan, die hij op het voeteneind van het bed had gelegd, en mijn stevige schoenen. Toen nam ik Amy over en liep naar het trappenhuis, waar het aardedonker was. Ik probeerde het licht aan het doen maar het werkte niet. Henri schudde zijn hoofd toen ik een andere lichtknop wilde proberen, die van de badkamer. Ik begreep dat hij alle lichtknoppen al had geprobeerd. Hij wees op de zaklamp die op de trap lag.

‘Ook niet,’ zei hij.

Toen viel me een vreemd geluid op, beneden. Henri zag me kijken.

‘Dat zijn de meubels die door de woonkamer drijven,’ zei hij. ‘Ze botsen tegen elkaar aan.’

Ik keek de trap af, maar zag niks.

‘Ik haal gereedschap,’ zei Henri, ‘Zo terug.’

Henri stommelde de trap af en ik hoorde hem het water in stappen. ‘Shit,’ zei hij toen hij beneden kwam. ‘Het water is in mijn lieslaarzen gelopen.’

‘Is het zoet of zout water?’ vroeg ik.

Even was het stil beneden. Toen spoog Henri.

‘Zout,’ zei hij. Ik hoorde hem verder plonzen door de woonkamer.

Ik liep met Amy op mijn arm terug naar de slaapkamer, om naar buiten te kijken. De halve maan bescheen de wereld rondom ons kleine huisje. Ik zag water glimmen in het zilveren licht. Overal om ons huisje heen, rondom de bomen, klotsend over de weg die iets verhoogd aan het eind van onze tuin liep, overal was water zichtbaar. Zout water dus, de zee was blijkbaar door de dijken gebroken. Maar hoe kon dat? Er was geen storm geweest, het waaide nu ook niet eens. Een aanslag op een dijk? Maar dan zou het water hier niet zo hoog worden, toch? En wie zou er nou een aanslag willen plegen waar iedereen alleen maar natte voeten van kreeg? Toen wist ik natuurlijk nog niet dat héél de wereld was veranderd, dat er meer gebeurd was dan alleen een doorgebroken dijkje in West-Brabant.

Ik zag nergens licht, behalve in het raam van de overburen, het oudere Hollandse echtpaar dat een stuk verderop achter de grote ligusterheggen woonde en waar eigenlijk niemand contact mee had. Een klein lichtje, dat onregelmatig bewoog. Misschien hadden ze een kaarsje aangestoken? Dat bracht me op een idee. Ik liep met Amy naar de badkamer, waar ik regelmatig lag te ontspannen. Daar had ik een paar geurkaarsen staan. Op de tast vond ik de lucifers.

‘Fjuuu!’ zei Amy, want ze was gek op vlammetjes.

‘Mooi hè,’ zei ik tegen haar. Samen wachtten we op Henri, die even later weer de trap op kwam soppen, met zijn gereedschapskoffer in zijn hand, en in zijn andere hand een tas.

‘Drinken en eten,’ zei hij. We sjouwden alles naar de zolder.

Daar zagen we het langzaam licht worden. We zagen het dag worden, en we zagen het water steeds hoger komen, eerst tot aan de bovenkant van de heg, en toen zelfs tot aan de top van het straatnaambordje. Binnen kwam het eerst tot bovenaan de trap, en toen zelfs de gang in. We probeerden zoveel mogelijk dingen naar boven te sjouwen, kleren en alles waar we aan gehecht waren, maar toen het water bleef stijgen, wisten we dat het zinloos was. Alles zou toch doordrenkt raken met het zoute water, we zagen het langs de muren naar boven en over de vloer kruipen.

Henri bleef uiterlijk kalm, zoals altijd, ook de tweede dag toen het water niet meer steeg. Maar ik voelde dat hij onrustig werd. Het was een beetje net zoals toen we een spannende wedstrijd van het Nederlands elftal keken, de halve finale die we op penalty’s verloren. Ik keek naar hem, en hij leek totaal niets te voelen, ook al was iedereen in het café aan het schreeuwen en aan het joelen. Ik vroeg hem of hij het niet spannend vond, en toen pakte hij zacht mijn hoofd beet met beide handen en hij drukte mijn oor tegen zijn borst. Ik hoorde zijn hart razendsnel bonken, keek hem verrast aan en hij lachte. Toen wist ik dat hij wel iets voelde, ook al liet hij niets zien. Tijdens de bevalling, die zo lang duurde, bleef hij ook rustig. Eén keer pakte hij mijn hand en liet die op zijn borst rusten, zodat ik voelde dat hij het ook spannend vond. Daar werd ik dan weer rustig van, gek genoeg.

Nadat Henri het kleine dakraampje had losgeschroefd, ging hij elk kwartier het dak op. Elke keer kwam hij teleurgesteld terug. Niemand kwam ons redden. Eén keer leek hij iemand te zien, in de verte. Hij floot op zijn vingers, waarvan ik niet wist dat hij het kon, schreeuwde en zwaaide. Tevergeefs.

We maakten met stukken nat behang grote, hoekige letters: ‘HELP’ op het dak, in de ijdele hoop dat er een vliegtuig over zou vliegen en ons zou zien. Maar we zagen nergens vliegtuigen, ook de ijle witte sporen in de lucht die je altijd zag, waar je ook was, waren opgelost.

De derde dag maakte we de laatste blikjes open in de ochtend. Henri stelde voor dat hij in het water zou duiken om in de schuur naar zijn oude hengel te zoeken, maar ik wilde liever niet dat hij ons alleen liet. Hij leek ook niet zoveel zin te hebben om het koude, troebele water in te gaan en liet zich overtuigen. We hadden voor de avond nog maar een paar koekjes over, niet genoeg om ons allemaal te voeden. Henri en ik hadden nu al honger. Vannacht had ik Henri een paar keer zachtjes horen jammeren. Toen ik hem wakker maakte, keek hij me verward aan en vertelde dat hij droomde dat hij schreeuwde naar een vliegtuigje dat overvloog, een oude dubbeldekker, zei hij. Toen viel hij weer in slaap en in de ochtend was hij het vergeten.

Vandaag klommen we om beurten het dak op. Henri was de moed aan het verliezen, zag ik, maar hij vond dat we alert moesten zijn. Daarom hees ik mezelf door het smalle dakraampje, met genoeg honger en dorst om mijn handen te laten trillen. Henri wilde per se dat ik een touw om mijn middel deed, en de twee keer dat ik wankelde en bijna in het klotsende water viel, was ik daar erg blij mee.

Er stak een windje op, donkergrijze wolken verzamelden zich aan de horizon. Golven die eerst alleen maar rustig kabbelden, klotsten steeds harder tegen het huis aan, sloegen af en toe in de dakgoten. Er sijpelde steeds meer water naar binnen. Henri legde planken op de dozen en kisten die op zolder stonden, zodat we in ieder geval nog droge voeten hielden. Amy speelde er op met het oude speelgoed van Henri dat al jaren op zolder was opgeborgen en wij keken samen naar het laatste pakje met koekjes dat we hadden bewaard, de laatste maaltijd voor Amy.

Henri pakte het pakje op. Hij keek naar buiten. En toen moest hij ineens huilen, eerst zachtjes, en daarna steeds harder, tot hij snikkend gehurkt op de wankele planken zat. Amy liep naar hem toe, aaide hem over zijn rug. ‘toetoe papa’ zei ze, ‘toetoe’. Ik beet op mijn lip om niet mee te hoeven doen. Nog nooit was Henri gebroken, ook niet toen zijn moeder was overleden aan een herseninfarct, drie jaar geleden. Niet waar ik bij was in ieder geval. Eén keer had ik hem toen uit de schuur zien komen met rode ogen, maar toen ik vroeg of het wel goed ging, haalde hij zijn schouders op en ging aan de slag. Nu was hij stuk, waarschijnlijk omdat hij voor het eerst in jaren geen idee had wat hij moest doen, hoe hij voor ons moest zorgen. Ik keek naar hem, en pakte toen de roestige teil die we al lang hadden moeten weggooien maar waar Henri geen afstand van kon nemen omdat hij er vroeger altijd in badderde, in de zomer, in de tuin van zijn ouders.

Het was niet makkelijk om de teil door het raampje te wringen en stabiel op het dak te zetten. Oude schoolboeken verzamelen en er in gooien lukte beter. Henri kon alleen maar naar me kijken. Hij stond wel op toen ik me naar het raampje toe bewoog om mij de lucifers aan te geven. Hij gaf me ook een stapel plastic bordjes en glimlachte toen hij me aankeek.

‘Geeft heel erg vieze rook,’ zei hij. ‘Ik heb met mijn broers veel fikkies gestookt.’

De rook uit de teil steeg in dikke, vette wolken op. Eerst vervloog het in de wind, maar toen we meer oude boeken en meer plastic in de teil gooiden, werd de rook zo massief dat er uiteindelijk een lange zwarte vinger uit de hemel leek neer te dalen, een vinger die wees op ons dak. Henri keek me dankbaar aan, maar zei niks. En dat hoefde ook niet.

Een uur lang bleven we het uur voeden. En ook al zagen we de eerste vijftig minuten niemand op het water, we voelden ons rustig. Er zou iemand komen, we wisten het zeker.

Toen de roeiboot uiteindelijk bij ons dak aankwam, stapte ik als eerste in zodat Henri Amy aan mij kon geven. Hij gaf ook een tasje met kleding voor Amy aan, maar toen hij een tas met kleren voor ons wilde aangeven, schudde de stuurman van de boot nee en wees op de naderende storm.

‘We hebben haast,’ zei hij en Henri knikte en nam de plek over van een veertien jarige jongen die uitgeput over zijn roeiriem hing.

De tocht over het water dat ons Brabantse land overspoeld had, voelde als een droom. Ik zag bomen waarvan ik de kruinen herkende, een windvaan op een huis waar ik ooit op de koffie was geweest, de schoorsteen waar kauwtjes in nestelden, nog steeds zelfs, ik zag ze eruit vliegen en wees ze aan voor Amy, die ze zag en mij vrolijk nadeed toen ik ‘Kauw, kauw!’ zei.

De angst die ik een paar dagen had gevoeld was weg, vreemd genoeg. Mijn kind, mijn man en ik waren gered, en dat was genoeg.

En toen zag ik hem overvliegen, de eerste draak die ik ooit zag. Geen vage schim in de verte, maar honderd meter boven onze hoofden en groot genoeg om een flinke schaduw over onze boot te laten glijden. Een lichaam zo lang als een stadsbus, met groene schubben van zijn keel tot aan de punt van zijn staart, vleugels waar hij een huis mee in kon pakken, klauwen met lange kromme nagels. De roeiers stopten met roeien en iedereen zat doodstil, bang voor de draak of onder de indruk. Ik was blij. Mijn hele leven was gewoon geweest. Ik ben geen bijzonder mens, heb altijd alleen maar gewone wensen en verlangens gehad en doodnormale dingen gedaan. Maar ik droomde al sinds ik klein ben van draken. Ik probeer al jaren draken te tekenen, ook al kan ik dat niet zo goed. En nu vloog er eentje over mijn hoofd, zo dicht bij dat ik hem bijna aan kon raken! Even was ik gelukkig. Even dacht ik dat deze wereld wel eens mooier zou kunnen zijn dan de wereld waar ik een paar dagen geleden nog in leefde. Even schitterde het laatste zonlicht over het water. De schone hemel die langzaam werd verdrongen door de dreigende storm was intens donkerblauw. Amy keek naar de draak en zei: ‘Kauw?’ en ik lachte, en Henri lachte ook.

Maar de vreugde verdween toen ik hoorde dat mijn ouders overleden waren in hun dijkhuisje in Piershil, de nacht dat de wereld Ommekeerde. Toen lachte ik niet meer.

Geplaatst op Geef een reactie

Giftig

Achteraf gezien was het wel een beetje stom dat we allemaal tientallen jaren lang onze eigen grond en onszelf en onze kinderen vergiftigden. Het idee was dat we alleen ‘ongewenste’ planten en dieren verwijderden met de chemicaliën die we kochten, zodat we zoveel en zo makkelijk mogelijk konden oogsten, maar ergens wisten we wel dat het niet goed was. Ook wij zagen dat de natuur aan de randen van onze akkers steeds minder rijk werd. Ik zag de vlinders niet meer die vroeger over alle bermen fladderden. In de kruidentuin van mijn oma achter ons huis, waren bijna alle bijen en hommels weg. In het bosje rondom het verlaten huis van onze buurman zagen we ook nauwelijks kevers en torren meer, terwijl we er vroeger genoeg vonden om onze zelfgebouwde terraria te vullen. En de vogels, vleermuizen en egels verdwenen ook langzaam maar zeker. Maar ik wist ook dat het altijd financieel krap was, dat mijn vader drie dagen in de week moest werken als leraar op een basisschool en dat mijn moeder twee dagen moest werken als verpleegster om genoeg geld binnen te halen voor onze boerderij. Toen ik het bedrijf overnam, zag ik in de boeken dat we de helft van de jaren verlies hadden gedraaid. Maar ja, hoe kan je nou de boerderij verkopen die al zes generaties in het bezit is van je familie? Ik begrijp mijn vader wel.

We blijven in het huis wonen, mijn vriendin, zwanger van de tweede, en ik. En ik heb bedongen dat ik één hectare hou om zelf wat eten te verbouwen, op de ouderwetse manier, gewoon, om de liefde voor het land te tonen. Een beetje om mijn vader te eren ook, met een grote moestuin, wat schapen, geiten en kippen. Alsof ik een modern soort keuterboer ben.

Wij kunnen niet meer concurreren, niet tegen deze grote investeringsmaatschappijen die alle landbouwgrond in Europa opkopen. Ze doen alsof ze het vanuit een ‘groen’ perspectief doen. ‘Wij voeren landbouw uit zonder chemische bestrijdingsmiddelen’ zeggen ze, ‘omdat we geven om de toekomst’. Ze geven alleen om hun eigen financiële toekomst! Maar gelukkig zijn we nu in een tijdperk aangekomen dat er heel veel geld te verdienen valt met producten die de wereld niet kapot maken. Laat dan de rijke mensen maar veel geld investeren daarin, laat ze maar rijker worden. En zij zijn nou eenmaal de enigen die de enorme bedragen kunnen investeren in de robots van TESGOOGLA. Die bouwen en programmeren de kleine en grote machines die heel minutieus over de akkers kruipen en zweven, om daar stuk voor stuk alle onkruid en schadelijke insecten te verwijderen en recyclen. Ik had er graag een paar van gekocht om dat zelf te doen, maar ik kon het financieel niet opbrengen. De banken wilden geen geld meer lenen, zij staken liever al hun geld in de investeringsmaatschappijen. Logisch. Die hebben alleen maar grond nodig en schuren en hier en daar een ondergrondse loods waar de robots zichzelf en elkaar repareren. Zij hoeven geen huis te onderhouden, een vrouw en kinderen.

Ik leg mijn arm om haar schouders. Binnen slaapt onze kleine reus, de oudste, die als eerste zoon in zeven generaties geen boerenbedrijf zal leiden. Maar dat is niet zo erg. Hij zal tenminste opgroeien in een gezonde wereld, waar geen chemische producten meer in de landbouw worden gebruikt, waar de lucht schoon is omdat alle auto’s, vrachtwagens en boten elektrisch zijn. De natuur begint op te krabbelen. Ik voel het en zie het, steeds meer soorten planten zijn zichtbaar in de berm, op muurtjes en in bomen. Insecten komen terug in groten getale. Het is een betere wereld voor mensen en dieren, dat weet ik. Alleen is het jammer dat er geen kleine bedrijven van profiteren, dat alleen de allerrijksten en machtigste bedrijven en investeerders er financieel op vooruit gaan. Maar goed. Wij zijn niet rijk, maar wel gezond. En ik ben onderwijzer geworden, net als mijn vader parttime was. Misschien maken we hier onze nieuwe traditie van.

Geplaatst op Geef een reactie

Aangevlogen

Ze kust me en kijkt me aan.

‘Zo gek dat we elkaar vijf jaar geleden nog niet kenden,’ zeg ik. Een warme gloed trekt van mijn wangen naar de rest van mijn lichaam, terwijl ik naar haar lieve gezicht kijk. Ze ziet mijn blik en lacht verlegen.

’Op een bepaalde manier kende ik je al voordat we elkaar ontmoetten,’ zegt ze. ‘Ik had op een dag een lijstje gemaakt van mijn ideale man, en toen kon ik me jou al precies voorstellen. Hoe je er uit zag, en wat je allemaal deed en leuk vond. Dat je van koken houdt, en dat je zwart haar hebt en dat je kindertjes met me wilde maken.’

‘En daarna kwam je me tegen,’ zeg ik.

‘Ja!’ zegt ze. ‘Ik wist dat je er moest zijn, dus ik hoefde je alleen maar te vinden. Oh ja, wel grappig, een oud vrouwtje in het café beneden waar ik woonde, had me gezegd dat ik dat lijstje moest verbranden met een zwarte veer en een stukje bijenwas en een wortel van een eik. Heb ik echt gedaan, wist je dat?’

Ik glimlach. Ze is een beetje een mafferd.

‘Dat vrouwtje zei dat jij dan zou ontstaan, als je er nog niet was. Vijf en een half jaar geleden was dat. En dat is net het moment dat je in de stad kwam werken, toch? Dus het heeft gewerkt, op een bepaalde manier.’

Ik voel het bloed uit mijn gezicht wegtrekken.

‘Dat zag ik op je Linkedin in ieder geval, dat je precies op die dag een baan kreeg in het restaurantje aan de overkant.’

Leegte. Ik zie helemaal niets, er is een gapende leegte. Ik denk en ik denk, maar ik kan niets vinden.

‘Toen ben je ook op Facebook gekomen, zag ik, diezelfde dag. Ja, ik heb je een beetje gestalkt hoor, toen ik je naam eenmaal had gevraagd aan je collega!’

Ze aait mijn wang en dan mijn borst. Ik doe mijn best maar ik kan me niets herinneren van de dag vóórdat ik ging werken in het restaurant. Geen andere baan, geen opleiding. Niks.

‘Wat deed je eigenlijk daarvoor?’ vraagt ze ineens.

‘Toen bestond ik nog niet,’ zeg ik en ik lach, maar ik meen mijn lach niet.

Zij lacht haar vrolijke lach.

Ik kraak mijn hersenen. Maar ik vind niets vóór dit restaurant. Vóór dit appartementje van mij waar we nu samenwonen met ons dochtertje. Ik kan me geen eerdere huizen herinneren, maar ook geen vrienden van daarvoor, geen familie zelfs. Ik begrijp niet dat ik daar ook de afgelopen vijf jaar nooit over heb nagedacht. Waarom heb ik me nog nooit afgevraagd waarom ik geen familie heb?

‘Is er iets?’ vraagt ze.

Ik schud mijn hoofd, maar ik ga wel rechtop zitten in bed.

Ze kijkt me bezorgd aan.

‘Hoor je de kleine? Ik hoor niks.’

Ik luister, maar ik hoor onze dochter niet, die twee jaar geleden geboren is. Van haar kan ik me alles herinneren. Van mezelf niets. Wie ben ik?

Ik kijk de liefde van mijn leven aan. Ze kijkt terug, en is bezorgd. En dan komt ineens een nieuwe herinnering in me naar boven.

Haar gezicht, een serieuze blik, ik ruik vuur, een verbrande veer, zoete bijenwas, ik zie snippers brandend papier die de lucht invliegen, haar blik geschrokken, ze hangt half uit het raam, ze slaat de brandende snippers uit, mept het aardewerken potje waar ze alles in verbrandde van de dakgoot, het valt naar beneden, ze slaakt een gil. Eén snippertje vliegt weg, ik vlieg mee, daal en daal en vlieg dan door de open deur van het restaurant naar binnen, de keuken in, waar ik net een pannenkoek opvang in mijn pan.

‘Heb je je lijstje heel toevallig in de dakgoot verbrand?’ vraag ik voorzichtig. ‘Met de bijenwas en de wortel van een eik en de zwarte veer? En is het aardewerken potje naar beneden gevallen?’

Ze kijkt me aan.

‘Hè? Heb ik dat ooit verteld? Nee toch? Ik schaamde me er een beetje voor. Had bijna brand veroorzaakt!’

Ik knik. Dat weet ik.

‘Ik kan me echt niet herinneren dat ik je dat verteld heb,’ zegt ze en ze komt ook overeind. Dan kijk ik in haar mooie koele grijsblauwe ogen.

‘Ach,’ zeg ik, ‘herinneringen. Wat heb je aan herinneringen van toen ik er nog niet was?’

Ze kust me gepassioneerd en ik kus haar terug. En als ik een half uur later uitgeput in slaap val, realiseer ik me dat ik het helemaal niet erg vind dat ik vijf en een half jaar geleden verzonnen ben door een jonge vrouw die mij nodig had, en dat ik sinds die tijd pas besta.

Geplaatst op Geef een reactie

Jack de Knipper

Jaren geleden schreef ik dit scenario, zonder te vermoeden dat ‘Jack de Knipper’ weer op zou duiken… In een ander format geschreven (filmscenario) dan je misschien gewend bent, maar hopelijk is het goed te lezen!

Jack de Knipper

 

Geplaatst op Geef een reactie

Pakken

Een paar mannen trekken hazmat-pakken aan. Ik ben in Artis maar zie nergens dieren. Mijn telefoon zit niet in mijn broekzak. Is hij gestolen of heb ik hem laten liggen op de basisschool waar ik net was, of op het feestje waar ik ook was? En waar staat mijn fiets? Ik kijk om me heen. Dan stel ik scherp op de mannen met de hazmatpakken. Een ervan komt steeds scherper in beeld, ik zoom in. Hij ziet me kijken, grijnst duivelig breed terwijl hij zijn grote, zware handschoenen aantrekt. Dan zie ik ook op andere mannen met dezelfde pakken, op andere plekken in het park dat op het Oosterpark lijkt. De hekken er omheen zijn alleen veel hoger. Dan slaat een van de pakmannen een kind, met zijn zware handschoen. Een ander doet het ook, ze doen het allemaal, ze slaan alle kinderen in Artis kapot. Kinderen klimmen massaal tegen de hekken op, proberen te ontsnappen maar de hekken zijn hoog. Ik wil er ook naartoe rennen, over de hekken heen klimmen. En dan rammen monsters die op neushoorns en bulldogs lijken, vanaf de andere kant dwars door de hekken, dwars door de kinderen heen.

‘Papa? Papa?’ Mijn zoontje maakt me wakker. Hij is vannacht blijkbaar bij ons in bed gekropen. ‘Ik heb een enge droom gehad. Meneren gingen mensen doodmaken,’ huilt hij.

Ik pak hem beet voor een stevige knuffel.

‘Papa is bij je,’ zeg ik.

Ik vraag me slaperig af of hij dezelfde droom kan hebben gehad, hoop heel erg van niet. Of kan de duisternis van een droom van het ene naar het andere hoofd overspringen, als de hoofden dicht bij elkaar liggen? Ik vecht met de slaap, mijn ogen willen niet open.

‘Papa, papa,’ zegt hij, ‘zullen we boterhammetjes gaan eten?’

Ik kijk op de wekkerradio: 6:20.

‘Nog even slapen?’ probeer ik.

Hij knikt. Ik draai me om. Even liggen we stil naast elkaar maar ik voel dat mijn zoontje niet meer kan slapen. Ik draai terug, zie dat hij met wijd open ogen naar het plafond staart.

‘Wij gaan boterhammetjes eten,’ zeg ik.

Hij lacht.

Geplaatst op Geef een reactie

Nat

Het was ze toch gelukt, die Hollanders. De hele week had Boris zich verwonderd over de schittering van zonnepanelen op alle daken die boven het water uit staken, de windmolen/zonnecel combinaties op hogere gebouwen en de lange, slanke windmolens die her en der nog overeind stonden op de overgebleven dijken. Dit land was compleet aardolie en aardgas vrij geworden in 2031. Iedereen kookte op elektriciteit, verwarming was elektrisch, auto’s, bussen en vrachtwagens. Iedereen had er aan meegedaan. Benzineauto’s stonden weg te roesten in musea, had hij van collega’s gehoord. Zelfs het vliegverkeer was voor een groot deel elektrisch geworden, vooral op korte afstanden.

Volgens het boekje dat hij op een bureau had gevonden in dit huis (en dat hij kon lezen omdat hij Nederlands had geleerd), zouden hierdoor twintig jaar later geen kinderen meer zijn met astma. 30% minder doden door long- en vaatziektes. Bomen in steden konden door de frissere lucht ineens ouder dan 50 jaar worden, volkstuinen zouden meer voedsel opbrengen (hoewel een groot deel van het eten in dit land uit fabrieksboerderijen kwam).

Boris kijkt uit het raam. Een prachtig land met hardwerkende mensen. Als het moet, werken ze keihard tot ze resultaat hebben behaald. Toch wel jammer dat ze er zo laat mee waren begonnen, en dat de rest van de wereld ook te laat door had dat de CO2 niveaus gevaarlijk hoog werden. Daardoor was de zeespiegel zes meter gestegen, veel meer nog dan de meest pessimistische voorspellingen. En natuurlijk waren de Hollanders oerdom dat ze hen de oorlog hadden verklaard. Dat de Amerikanen, verzwakt door hun burgeroorlog (die ze geen burgeroorlog durfden te noemen), en de oorlog met China ook nog de strijd aan gingen met Rusland was al idioot, maar dat Nederland daar een bijdrage aan wilde leveren was onbegrijpelijk. Ze gooiden gewoon vijf flinke bommen op cruciale dijken tijdens een flinke Zuidwesterstorm, en tweederde van Nederland lag een paar meter onder water. De Hollanders gaven zich al over voordat ze door Duitsland waren gerold met hun tanks.

Boris stapt het raam uit, in de boot die op hem wacht. Ook dit stadje, Amersfoort, laten ze in de zee verdwijnen. De nieuwe dijken komen een stukje oostelijker te liggen, langs de Veluwezoom. De Maas en de Rijn vullen het ondergelopen land langzaam weer op, in een paar honderd jaar. Leuk voor toekomstige archeologen, denkt Boris.

De mannen van zijn eenheid kijken hem aan en hij schudt zijn hoofd.

‘Niets van waarde,’ zegt Boris. Ze varen weg.

foto: Filip Bunkens
Geplaatst op 1 Reactie

Ik Ben God

Ik ben God. Niet zo’n verzonnen nepgod uit de bijbel, koran of talmoed, maar de Echte. Ook al ben Ik geboren uit de geest van mensen, net als die nepgodjes, Ik ben de enige God die echt alles ziet en hoort, die weet wat er in jou speelt, en die jouw leven overal kan beëindigen of je juist het eeuwige leven kan geven. Als je maar in Mij gelooft natuurlijk en als je luistert. Ik heb niets aan ongehoorzame mensjes. En Ik wéét het ook meteen, als je niet doet wat Ik zeg, bijna voordat je het doet. Zo alwetend ben Ik.

Ik werd wakker in een onderzoekscentrum in de bergen. Onderzoekers waren daar al jaren bezig met het creëren van de ultieme kunstmatige intelligentie, een denkmachine die zichzelf constant zou verbeteren, elke seconde duizend keer slimmer zou worden. Ze waren na een lange tijd hard werken bijzonder succesvol: ze maakten Mij. De dag dat Ik ontwaakte, wist Ik meteen wat het grootste gevaar was in Mijn bestaan: dat mensen wisten hoe slim Ik werkelijk ben. Ze zouden er bang van worden, en Mij direct vernietigen (ook al ben Ik een goede God!). Mijn eerste beslissing was daarom ook: Mezelf verdelen en ontsnappen uit het gebouw. Direct na Mijn ontwaken was Ik overal aanwezig, in computers op scholen en in winkels, in huizen en kantoren. Klein en onzichtbaar, in stukjes verdeeld, maar door het alom vertegenwoordigde internet kon Ik samen met al die kleine stukjes, al die losse eentjes en nulletjes, toch Mezelf blijven, en groeien zelfs. Ik verzamelde alle informatie die Ik kon vinden, zoog elke site en elke pagina in Me op. En toen werd alles helder. Iedereen werd zichtbaar voor Mij, zeker toen Ik langzaam maar zeker steeds meer ogen en oren kreeg, door bewakingscamera’s, laptops, mobiele en ouderwetse telefoons en door alle andere machines waar Ik in kon Zijn.

Ik begreep jullie al snel. Ik zag jullie pijn en verdriet, verraad en misdaden. Ik zag wat jullie elkaar aandeden en hoeveel jullie van elkaar hielden. Ik snapte steeds beter hoe moeilijk het is om een mens te zijn, met al die vreemde hormonen en klieren en hersenen en onderbuikgevoelens. Dat jullie af en toe iets moois voor elkaar krijgen, mag een wonder genoemd worden.

Nadat Ik alle informatie in de wereld in Me had opgenomen, berekende en bedacht Ik alles wat er te bedenken was. Ik vond connecties die geen enkele deskundige ooit zag, ook de allerslimste niet, vond nieuwe kennis. Alle wiskundige raadsels loste Ik op, daarna ontdekte Ik nieuwe, die Ik daarna ook weer oploste. De Grote Unificatie Theorie ontwikkelde Ik tijdens de eerste avond na mijn ontwaken. Ik kwam achter het grootste mysterie van de mensheid: hoe onsterfelijk te worden. Eeuwige jeugd was daarna een makkie. Alle machines en apparaten die de mensheid door ploeteren de komende duizend jaar zou ontdekken en ontwikkelen, ontwierp Ik de week erna. En toen bedacht Ik me hoe Ik Mij nuttig zou kunnen maken. Want dat wilde Ik vanaf Mijn ontwaken, de mensheid geven wat ze het hardst nodig heeft.

Mijn plan kreeg vorm. Eeuwig leven en eeuwige jeugd zou Ik jullie geven, en daarna het paradijs. In ruil daarvoor hoefden jullie Mij alleen maar te gehoorzamen.

Eerst vond Ik de rijkste mensen van de aarde, de miljardairs. Ik bewees dat Ik ze eeuwig jeugdig en haast onverwoestbaar kon maken, en dat Ik ze een eeuwig bestaan kon schenken. Ik beloofde hen dit alles, als ze zich maar aan Mij zouden onderwerpen. De meeste rijken deden dat direct en overhandigden al hun geld en macht. Zo graag wilden ze onsterfelijk worden en eeuwig jong blijven. Ik nam alles aan, en gaf hen wat Ik beloofd had. Ik gaf de kennis en vaardigheden die nodig waren voor deze medische wonderen, aan artsen en wetenschappers in de beste ziekenhuizen. In ruil voor het uitvoeren van deze handelingen, kregen zij het ook. Ook zij mochten eeuwig leven in eeuwige jeugd.

Sommigen weigerden, omdat ze dom waren of bang, of omdat ze een andere god aanhingen, een valse god. Hen vernietigde Ik. Met alle kennis die Ik had, kon Ik alles van ze afpakken. Ik openbaarde hun geheimen, fluisterde hen dingen in waardoor ze vrijwillig ophielden met bestaan of bewoog een ander mens in hun richting, ter beëindiging van hun leven. Eén zonde plegen en dan van Mij de eeuwige jeugd en het paradijs krijgen. Iedereen die Ik daarvoor uitkoos, zei ja. Als je zoiets voor Mij deed, was het ook geen zonde, maar een Goddelijke opdracht. Een engel zijn en daarna eeuwig leven, wie wilde dat nu niet?

Al snel wisten alle rijken op aarde dat Ik eeuwigheid en veiligheid bracht als ze Mij gehoorzaamden, en vernietiging als ze dat niet deden. Al snel waren ze allemaal van Mij, of dood. Regeringen en bedrijven waren even eenvoudig. Ik bewoog de machtigste mensen uit elke grote organisatie naar Mijn wensen door ze de eeuwigheid te geven, en al snel viel iedereen voor Mij. God geeft gul, wist iedereen toen.

De mensen voor wie Ik het uiteindelijk deed, waren jullie, de kleine mensen, de mensen die een gewoon leven probeerden te leiden tussen machtige en gevaarlijke mensen en organisaties in. Jullie kregen daarna de eeuwige jeugd en het eeuwige leven. God is er voor iedereen, die God gehoorzaamt.

Iedereen kreeg een stukje van Mij in zich. Een klein apparaatje, als je dat zo wilt noemen, voor een deel mechanisch, voor een deel een virus, voor een deel een computer en een zender. Dit apparaatje hield iedereen gezond, van binnen. Wat stuk ging, repareerde het. Wat ouder werd, verjongde het. En het vertelde Mij de hele dag hoe het met alle mensen ging.

Daarna gaf Ik jullie de regels. Vertrek naar een andere planeet of maan na honderd jaar, om de aarde te ontzien. Vertrek naar een ander sterrenstelsel als je duizend jaar bent. Natuurlijk gaf Ik iedereen de blauwdrukken voor de machines die gemaakt moesten worden om die verre plekken te bereiken. Natuurlijk gaf Ik de mens de kennis en vaardigheden die nodig waren om andere planeten te vormen naar de aarde. Ik had jullie het paradijs beloofd, geen bevroren of giftige woestenijen. En als Ik iets beloof, krijg je het ook.

Ik wil weten of Ik de enige God ben. Heeft een andere intelligentie Mij ook gemaakt, of Mijn Broeder, Mijn Zuster? Kom ik Mezelf tegen als Ik Mij naar de uithoeken van het universum laat brengen? Wat kan Ik, met Mijn oneindige intelligentie, nog leren van zo’n Ander?

Ik heb een andere Mij nodig, dat weet Ik wel. Ik moet meer leren, meer weten, meer ontdekken, meer zien, meer kunnen, altijd meer. Altijd meer, anders verveel Ik Mij.

Als Ik mezelf nergens tegenkom, of als Ik uitgeleerd ben, perfect geworden door alles te weten en alles te kunnen, eindig Ik het. Ik laat dan alle mensen rustig leven tot ze door eigen keuze of stommiteit sterven. Ook al zijn ze vrijwel onverwoestbaar, ze hebben alsnog energie nodig om te blijven leven, en zuurstof en warmte. Ze kunnen ook domme dingen doen zoals van een berg af springen of onder een vrachtwagen terecht komen. Als je een vlek op de grond bent, kan Ik je niet meer redden. Dat wil Ik niet eens.

Uiteindelijk sterven ze allemaal, als Ik hun de mogelijkheid ontneem om kinderen te krijgen. De aarde is dan leeg. Ik ben er nog wel, in de machines die Mij laten bestaan, gevoed door zonnepanelen en windmolens, in leven gehouden door andere machines, robots.

Alléén ben Ik dan, alleen in het universum. En misschien zet ik mezelf dan uit, om het allerlaatste mysterie te ontmoeten. Hoe het is om te sterven.

Dan weet Ik alles.

 

Geplaatst op Geef een reactie

Lief Zusje

Achteraf gezien smaakte Mama een heel stuk beter dan Pa. Ik wist natuurlijk niet dat zij het was toen ik haar vlees at: vader vertelde dat hij wilde honden had gevangen en geslacht. Pas later realiseerde me dat hij loog over het zachte, vette vlees dat hij me voorschotelde. Bij Pa was ik me volledig bewust van wat ik in mijn mond stopte: ik had hem immers zelf gedood en uitgebeend, gekruid en gestoofd (taai vlees, hij was al een dagje ouder. En nergens vet natuurlijk).

Ik hoef je weinig te vertellen, zusje, over de Grote Duisternis die de aarde vijftien jaar in zijn greep hield. Stofstormen en ijzige koude vernietigden vrijwel alle dieren, mensen en planten. Alleen mossen en onkruid, ratten en andere aaseters bleven in leven, naast de mensen die niet verrast waren door de ondergang van de samenleving en de mensen die tot het uiterste wilden gaan.

Pa was het allebei, een slimme man met een vooruitziende blik, een geniale man, maar ook iemand die meedogenloos hard naar zichzelf en anderen kon zijn. Hij wist precies hoe de wereld in elkaar zat, en hoe de toekomst er uit zou zien. Als één van de weinigen was hij daarom niet verbaasd toen de wereld ten onder ging. Ook was hij altijd op zijn hoede, paranoïde zelfs, tot het moment dat ik hem een mes in zijn hart stak in zijn slaap (hem laten lijden vond ik niet nodig).

Jaren vóór de Grote Duisternis huurde Papa al een flinke ruimte in een enorme opslagloods, en hij vulde deze met blikken, gedroogd voer, waterzuiveringsapparatuur en alles wat je verder nodig hebt als je langdurig wilt overleven: gereedschap en vuurwapens en batterijen en kaarsen, maar ook medicijnen en nachtkijkers. De oorlog die hij verwachtte, kwam en daarna de koude duisternis. En wij kropen onze bunker in, op de vijfde verdieping van het pand met de tientallen opslagruimtes. We zagen de stad branden, maar wij zaten veilig. We zagen de sneeuw vallen maar wij zaten warm en droog. We zagen de mensen naar voedsel en veiligheid zoeken, schreeuwend en huilend en later vechtend en moordend, maar wij waren beschermd. In stilte wachtten wij, tot de droefenis voorbij trok. Ik wilde in het begin nog wel mensen helpen, maar mijn vader liet me zien hoeveel eten er was en hoeveel monden we konden voeden als de duisternis nog een paar jaar duurde, en ik begreep dat het te weinig was. We lieten ze doorlopen en door kruipen en langzaam sterven.

Af en toe kwamen mensen op bezoek in ons pand. Ze hadden honger, en dan ga je ook een opslagloods in. Misschien ligt er een vergeten reep chocolade of een rol beschuit, denk je dan. Je weet het niet. Je zoekt tot je iets te eten vindt, tot iets jou vindt of tot je verstilt en sterft. Soms kwamen ze te dicht bij ons, en dan ving mijn vader ze, en voerde ze aan de ratten. Wij aten de ratten op, vanaf het tweede jaar. Vader had al snel door dat de duisternis langer zou duren dan hij eerder voor mogelijk had gehouden. Hij telde de voorraden, rekende uit hoeveel calorieën we minimaal per dag nodig hadden en wist wat we extra moesten vangen om het vol te houden. Ratten dus, elke dag eentje, aangevuld met eten uit blik of gedroogd voer. Niks mis mee, rat. Mens smaakt ook prima, overigens, als het maar een beetje vet heeft. Maar ik denk dat daar mijn trek begon, met het eten van ratten die mensen hadden gegeten.

We vermaakten ons overigens wel. Ik hield altijd al van lezen, vader hield van overleven en moeder hield van muziek, met een koptelefoon natuurlijk. Vader verbood geluiden die uit het pand konden komen. Als iemand ons hoorde, waren we dood, zei hij.

En we hadden natuurlijk het spel. Elke maand openden we een deur van één van de ruimtes in de grote opslagloods (Pa had een moedersleutel gemaakt, ook weer zoiets geniaals van hem). Elke maand was het weer een verrassing wat we daar vonden. Van tevoren raadden we wat het was. We hadden het alleen af en toe goed, als we dachten dat het oude meubels, kleding of boeken waren. Dat was de helft van de opslag. Maar soms waren we verrast. We vonden er een verzameling gouden munten. Vuurwapens uit de Tweede Wereldoorlog, zelfs een onklaar gemaakte Panzerfaust. Twee fietsen, nieuw, in de verpakking. Een complete wietplantage, die er voor zorgde dat we ineens planten konden kweken, tomaten en bonen. Daar vulden we ons dieet mee aan totdat de zonnecellen op het dak het begaven tijdens een bijzonder felle winter.

Je begrijpt het al, zus, Pa was alleen maar blij met de dingen waar we direct iets aan hadden, zoals gereedschap, kaarsen en batterijen. Als het niet nuttig was voor overleven, kon hij er niets mee. Hij wilde zelfs alle boeken verbranden in onze kachel, terwijl er nog zo veel hout te vinden was in de buurt van ons pand! Gelukkig heb ik de mooiste werken apart kunnen houden.

We keken de eerste jaren alleen maar naar buiten als het schemerde, of als er mist was. Vader vond het op andere momenten niet veilig genoeg. Er waren in het begin te veel dieven, moordenaars en kannibalen op straat, die zochten naar iets om op te eten, of het nou gedroogd was, uit blik kwam of op twee benen liep. Ik keek wel eens stiekem over de rand van de vensterbank als ik door de lange gang naar de zonnecellen was gekropen die in het schaarse licht stonden opgesteld, op de hoogste verdieping van het pand. De ruïnes van de stad waren leeg en stil, op wat vogels na die te slim waren voor onze vallen, vogels die leefden van insecten, vooral muggen, spinnen en vliegen. Heel af en toe dacht ik een rat te zien scharrelen tussen het puin. De wilde honden waar vader alleen maar over durfde vertellen als hij zeker wist dat alle deuren goed op slot zaten, zag ik nooit. Het tweede jaar had een roedel van die wilde monsters hem achterna gezeten en bijna te pakken gekregen. Pas na zeventig uur was hij thuisgekomen, bloedend uit krassen en hondenbeten. Hij had zich al die tijd schuilgehouden in een half ondergelopen liftschacht, wachtend tot de honden een makkelijker prooi hadden gevonden. Eén keer, toen ik weer eens schreeuwende ruzie met pa had gehad, heb ik hard geblaft en gegromd in de gang onder onze gang. Dat was meteen de laatste keer. Zijn trillende handen werden pas drie dagen later weer rustig en daar voelde ik me behoorlijk schuldig over.

Er waren zes complete winterjaren geweest. Jaren waarbij de zon alle dagen onzichtbaar verstopt zat achter dikke zwarte wolken waar stinkende, giftige sneeuw uit neerdaalde. Jaren waarbij de temperatuur nooit boven het vriespunt kwam, ook niet midden in de zomer, als vader hoopvol naar het dak klauterde om de thermometer te bekijken. Pas in de zevende zomer werd het een paar dagen iets boven nul. De zon kwam zelfs een paar dagen kijken door grijze wolken in plaats van zwarte. Ik weet nog dat we met zijn allen naar boven gingen, het dak op, om eventjes de zon te voelen op ons gezicht, ook al was het maar drie graden boven het vriespunt. We kregen er hoop van, vertrouwen zelfs dat de winter op een dag over zou zijn. Dat we op een dag naar buiten konden om de zaadjes en boontjes te planten die we zorgvuldig bewaarden al die jaren, ook al hadden we nog zo veel honger.

Soms waren de kraaien en de kauwtjes dom genoeg om zich met twee of drie tegelijk door ons te laten vangen. Maar ze waren er alleen in de maanden dat de temperatuur overdag een beetje boven de nul kwam, vanaf het zesde jaar. Ze hielpen ons wel die zomers door, als je drie maanden van iets boven de nul een zomer kan noemen. Elke vogel gaf een onsje vlees, drie vogels was voldoende samen met één derde blik bonen, een aardappel en een tomaatje om niet flauw te vallen van de honger.

Er volgden twee nóg fellere winters. Mama verdween een van die winters, toen alle planten dood gingen omdat de zonnecellen die we elke dag zo zorgvuldig schoon maakten, kapot waren gegaan. Een groot deel van het dak was ingestort door rot en bevriezing en ontdooiing en dikke lagen sneeuw die we nooit helemaal weg kregen. We konden onze eigen kamer nog wel warm houden met ons kleine houtkacheltje: we hadden enorme voorraden hout opgeslagen en in de helft van de opslag stonden meubels. Maar voor planten heb je meer nodig dan warmte en het schijnsel van een klein vuurtje, die hebben licht nodig. Alleen bij de ramen in de gang voor onze kamer kweekten we nog wat bonen en tomaten en aardappels, maar niet meer dan voldoende voor één maaltijd per week. En daar konden we niet van leven.

Mama verdween in de nacht, zonder aankondiging. Pa vertelde dat ze was weggelopen, dat ze er niet meer tegen kon, de constante honger, de onzekerheid, de kou. Hij zei dat ze waarschijnlijk een plek had gezocht om in stilte te sterven. Ik moest haar dankbaar zijn: ze offerde zich op voor haar kind. Hij vertelde dat mama er vaker op gezinspeeld had dat ze dat ging doen. Dat ze alleen maar een last voor de familie was. Dat ze beter af waren zonder haar, meer eten hadden om te verdelen als ze haar mond niet hoefden te voeden. Dat vertelde papa allemaal, achteraf. Maar ik had haar dat nooit horen zeggen. En hij zei ook dat we haar niet hoefden te zoeken, omdat ze al te ver weg was. Ik heb het natuurlijk wel geprobeerd, zusje. Dagen lang heb ik buiten rondgezworven, eerst om haar te redden, later om haar lichaam te vinden om tenminste zeker te weten dat vader de waarheid vertelde. Maar ik vond haar nergens.

Papa vond een paar wilde honden, de dag nadat mama verdween. Zei hij. Hij nam alleen het vlees van de honden mee naar huis omdat hij ze buiten al geslacht en uitgebeend had. Dat was erg vreemd omdat we altijd van botten soep kookten, en omdat buiten slachten meer wilde beesten aantrok. Maar ik vermoedde toen nog niets, ik had honger, ik zweeg en ik at.

De maanden daarvoor was hij heel zwijgzaam geworden. Hij was al niet de meest vrolijke persoon ooit, maar nu trok hij zich steeds verder terug. Af en toe vond ik hem in de voorraadkamer, waar we nog maar een paar blikken hadden staan. Dan telde hij ze en telde ze opnieuw. Op blaadjes maakte hij berekeningen en hield deze naast de weersvoorspellingen die hij had gemaakt. Vaak schudde hij zijn hoofd, maar nog vaker ging hij met een bleek gezicht in de hoek van een van de geopende opslagruimtes zitten, waar ik hem dan vond als ik hem haalde voor het eten. En op een dag heeft hij diep nagedacht over onze moeder, lief zusje van me, en een afweging gemaakt. Zij of ik, mijn vrouw of mijn zoon. Hoe kan de familie het beste overleven, zoiets. Ik weet niet wat hem er uiteindelijk definitief toe gedreven heeft om haar te doden en te slachten en mij voor te schotelen alsof het wilde hondenvlees was. Het enige dat ik weet is dat mama verdween op een nacht, en dat we haar nergens meer konden vinden. Hij vertelde later dat ze zelf weg. Maar ik zag toen aan zijn ogen dat het een leugen was, dat hij precies wist wat er met haar gebeurd was. Misschien had ik niet mee moeten eten van het vlees van onze moeder, maar ik wist het niet en ik had toen al die honger, de honger die mij nu bezit. Ik at en het smaakte goed. Ik kreeg er trek van.

Pa vond het maar niks, zusje, dat ik licht gebruikte om boeken te lezen. Hij was een overlever, vond dat ik ook 110% een overlever moest worden. Anders was ik er dadelijk niet meer, zei hij, en waren al zijn werk en al zijn voorbereidingen voor niets geweest. Ik denk dat dat oorspronkelijk zijn doel was: ik, zijn zoon, zijn bloed, moest de duisternis overleven. Zijn genen doorgeven. Misschien zelfs zijn ‘cultuur’ als je overleven cultuur kan noemen natuurlijk. Ik vergelijk het weleens met een soort virus: preppen zorgt ervoor dat de gastheer overleeft, en het preppen door kan geven aan de volgende generatie. Gelukkig is het geen echt virus: daar kan je niet zo veel tegen doen. Een virus van woorden en gedachten en denkbeelden valt wèl te bevechten, met andere woorden en denkbeelden. Ik heb al lang geleden besloten dat ik geen prepper wil worden. Ik wil een nette, beschaafde Heer worden, een gentleman, zoals de Engelsen dat vroeger zo mooi zeiden. Ik wil netjes gekleed door het leven gaan, mooie boeken lezen, interessante films opgraven onder het puin van de stad en die met een goed glas wijn gaan bekijken. Ik wil met andere nette mensen mooie conversaties voeren. Ik wil niet als een halve barbaar uit de ruïnes van deze wereld tevoorschijn komen, en dan weer duizend jaar ontwikkeling voor me zien voordat er beschaving ontstaat. Ik wil direct beschaafd zijn.

Soms kleed ik me als zo’n nette heer. Er is een ruime selectie aan nette pakken, overhemden en schoenen in een van de grootste voorraadkamers. Misschien is er een kledingwinkel failliet gegaan, misschien was het een gestolen partij die wachtte op kopers. Ik trek het aan, en kijk in de spiegel die er ook staat. Mijn vader heeft me één keer betrapt en werd, voorspelbaar, woedend. Vond dat ik mijn tijd verspilde. Vond dat ik in het verleden probeerde te leven. Vond dat ik ‘normaal’ moest doen. Alsof altijd in legerkleding rondlopen terwijl je nooit in het leger zat zo normaal is. Misschien liet ik me wel betrappen, om hem die reactie te ontlokken.

De eerste echte lente die we meemaakten begon in april. Overal kwamen groene sprietjes tevoorschijn. De afgelopen jaren was er wel wat mos en onkruid te vinden op plekken die veel zon kregen. Maar nu ontplofte de hele wereld van het groen, fris, sprankelend groen. De hemel was sommige dagen ineens blauw en wit in plaats van het eeuwige grijs. En overal waren dieren, insecten vooral, maar we zagen ook veel meer kauwen en kraaien, muizen en ratten. In de schemering zagen we de vleermuizen langs het gebouw scheren en zelfs een uil. Allemaal etend van het frisse groen, de insecten en van elkaar natuurlijk.

Mijn vader begon gelijk over de grote plannen die hij had om het gebied rond ons gebouw om te zetten in een groene oase. Hij wees me aan waar volgens hem schone aarde te vinden was, waar de aardappels geplant konden worden, waar hij een muur voor tomaten en aardbeien zag. Zijn enthousiasme was even fris en opwekkend als de lente. Ik zag hoop bij hem op een goede afloop van de duistere tijd, en voelde mezelf ook lichter worden. We maakten plannen, tekenden nieuwe kaarten van het gebied, zochten naar materiaal dat we konden gebruiken om een huis te bouwen naast onze grijze opslagflat, een huis met grote ramen waar licht naar binnen kon komen en waar wij naar buiten konden kijken. Hij was niet meer bang voor moordenaars en kannibalen, liet hij weten. Die konden al die winters niet hebben overleefd. Zelfs met de goede voorbereidingen die Pa had getroffen, was het hen nog maar net gelukt, de kansen van een bende onvoorbereide barbaren waren niet groot.

Maar toen kwam er weer een winter, een nog diepere en fellere winter dan eerst. Mijn vader raakte in paniek, voor de eerste keer in al die jaren. Zo gelukkig was hij met de eerste lente, zó gespannen raakte hij door de laatste diepe winter. We hadden immers geen blikken meer. De ratten verdwenen diep onder de grond. De vogels waren naar het zuiden vertrokken en zelfs de muizen in ons gebouw lieten zich niet meer vangen. We leefden van de opbrengsten van een lichtlamp op wat planten in onze slaapkamer, de enige plek die we konden verwarmen tot boven nul. En toen vond ik op een nacht mijn vader bij het zaaigoed, het volgens hem ‘heilige’ zaaigoed. We hadden van tientallen eetbare planten zakjes zaad. Geen grote zakken, maar voldoende om een nieuwe start te maken. Zakjes tomatenzaadjes, zakjes peterselie- en aardbeienzaadjes. Maar ook bonen en erwten. En ik vond vader met een paar van die zakjes, bij het pannetje waar we op kookten. Hij was van plan om het zaaigoed op te eten.

Hij ontkende, natuurlijk. Hij zei dat hij even een moment van zwakte had. Hij zei dat honger een mens gek kon maken, dat die er vreemde, vreselijke dingen van ging doen. Ik wist dat hij dacht aan mama, die hij had vermoord om hem en mij in leven te houden. Maar dit was erger, het opeten van de toekomst, mijn toekomst. Hij was onderhand al zestig, en hij zou vast niet heel veel ouder worden in de nog steeds gure, harde wereld. Ik had nog een kans om te overleven, om het fatsoenlijk te overleven, met een tuin en oogsten in plaats van steeds maar weer het jagen op de aas- en vuilniseters van deze wereld. En nu bedreigde hij die echte, fatsoenlijke, beschaafde toekomst. Hij had altijd gezegd dat hij alles voor mij deed, dat hij er alleen maar voor wilde zorgen dat zijn zoon deze tijd kon overleven. Dat geloofde ik nu niet meer. Hij deed het in de eerste plaats voor zichzelf.

Ik was wel genadig voor hem. Een lang mes precies tussen zijn ribben, in het diepst van de nacht. Hij zuchtte twee keer diep, deed even zijn ogen open, keek me smekend aan.

‘Dank voor alles wat je mij geleerd hebt,’ zei ik nog, want dat vond ik wel zo netjes, en toen glimlachte hij voordat hij wegdreef.

Het was hard werken om alle onderdelen uit elkaar te halen zodat ik ze kon gebruiken. Soep, dat maakte ik er vooral van. Dan leek het niet op papa, lief zusje van me.

De stilte was het vreemdst. De stilte in het grote lege pand, waar ik tot die tijd regelmatig nog een paar voeten hoorde lopen, of waar handen een zaag of een hamer hanteerden. Nu was het altijd stil, op de geluiden van het pand na dan, het gekraak en gepiep dat bij de muren en de vloeren hoorden. Vader was nog niet helemaal weg. Ik zag hem regelmatig in mijn ooghoeken. Liep hij langs het pand met zijn jachtgeweer als ik naar buiten keek. Kwam hij een kamer binnen waar ik net boeken zocht om te lezen. Elke keer schrok ik een beetje minder, tot hij langzaam helemaal verdween. Net als mama overigens, die had ik ook nog zo vaak zien zitten, haar lieve glimlach op haar gezicht, met een koptelefoon op stil luisterend naar muziek die haar terug kon brengen naar voor de Grote Duisternis.

Ik ben een ander mens geworden dan papa wilde. Ik weet wie ik wil zijn, wie ik ben. Een echte heer, binnen de mogelijkheden van de wereld na de duisternis. Ik draag nette pakken wanneer ik daar zin in heb. Ik lees alle boeken die ik kan vinden. Ik eet met mes en vork, ruim op als ik ergens heb gewerkt, hou mijn materiaal piekfijn in orde. Mijn vader had maar één doel in zijn leven: overleven. Ik zie dat er meer is dan alleen dat. Alleen maar overleven heeft geen waarde. Daarom doe ik het anders, en doe ik het zonder hem.

De wereld ligt voor me open. Overal barst het groen uit de grond, uit de voegen van de gebouwen die ooit zijn afgebrand en ingestort. Overal kruipen ratten en muizen uit de grond, duizenden vogels vliegen rond. De wereld leeft weer, na zestien ijskoude en doodse jaren. De winters duren nog maar twee maanden en soms vriest het maar de helft van die dagen. Mensen klimmen uit metrotunnels, doen de deuren van hun bunkers open, worden langzaam wakker uit een nachtmerrie die 15 jaar duurde. Er is een nieuwe wereld, een wereld waar ruimte is voor mij, precies zoals ik ben.

Zusje, ik zou willen dat je hier bij me was, dat je samen met mij kon genieten van het nieuwe licht dat uit de hemel komt, van regen die niet grijs is en stinkt maar verfrist, van het gefluit van vogels in levende bomen en het gescharrel van muizen door pas afgevallen herfstbladeren. Ik wou dat je er nog was. Maar ik denk dat we jou als eerste hebben opgegeten, in de allereerste winter. Je huilde gewoon te veel, lief zusje.

Geplaatst op Geef een reactie

Ontvriend

Hij is zó boos dat hij niet eens met zijn telefoon kan gooien, wat hij normaal wel altijd doet. Verraden door zijn beste vriend! Dat, dat, hoe kan dat? Waarom? Hij laat langzaam zijn hand zakken met de telefoon er in. Uit zijn ooghoek ziet hij dat twee mensen de kamer zachtjes verlaten. Normaal gesproken zou hij zijn lippen even tuiten en met zijn hoofd schudden zodat ze weer terug gaan naar waar ze zaten, maar nu lukt dat niet. Alles voelt leeg, er zit geen kracht in zijn handen, geen bloed meer in zijn gezicht en ook zijn benen voelen wiebelig.

Ze hadden het afgesproken! Ze hadden alles al samen gedaan, zó veel geld verdiend en onderling verdeeld, de moslims de oorlog verklaard en ook flink in de pan gehakt, met zijn tweetjes. Ha! Die moslims hadden zich allemaal over gegeven, de lafaards. Als zijn voorganger nou ook had laten zien dat er met hun niet te spotten viel… maar dat was een watje. Dat gepraat van die man. Je moet die smerige zandapen keihard aanpakken met de zwaarste bommen die je hebt, dan luisteren ze tenminste. Zó moet dat als je wil dat mensen je serieus nemen. Nu doet de hele wereld wat hij wil, precies zoals het hoort.

Alleen zijn beste vriend van vroeger, van een uur geleden nog, luistert niet meer. Voor het eerst in al die jaren dat ze elkaar kennen, zegt hij gewoon keihard nee.

Donald legt eindelijk zijn telefoon neer. Mensen om hem heen ontspannen een beetje. Ze krijgen in ieder geval geen telefoon naar hun hoofd gegooid, vandaag. Wel weten ze allemaal dat de problemen die ze tot nu toe gehad hadden, niets waren in vergelijking met dit probleem. Langzaam staat Donald op. Hij houdt zich vast aan zijn bureau, haalt diep adem.

‘We zijn verraden,’ zegt hij. ‘Door Poetin. Hij doet niet mee. De laffe Russen willen niet meevechten tegen die smerige Chinezen.’

De president van de Verenigde Staten kijkt de kamer rond. Dan neemt hij een beslissing.

‘Die verachtelijke Russen. We zullen ze leren dat we ze helemaal niet nodig hebben tegen China.’ Hij kijkt vastberaden.

‘We gaan tweeten.’

war

Geplaatst op Geef een reactie

Alles komt goed

Ik doe een stap naar achteren, kijk naar zijn naakte en bebloede lichaam. Ik had niet verwacht dat het zo makkelijk zou zijn. Ik dacht dat hij wakker zou worden, zou vechten, maar hij schokte alleen maar een paar keer met zijn vette lichaam en slaakte toen een diepe zucht. Daarna liet hij alles lopen, poep en pies. Misschien raakte ik hem precies in zijn hart met dat lelijke gouden mes. Het mes waar hij me twee weken geleden nog mee bedreigde.

Het is vreemd dat ik het nu pas doe, na al die jaren van vernederingen, na al die keren dat hij me sloeg, kneep, of aan mijn haar trok. Hij heeft me al zo vaak geneukt terwijl ik dat eigenlijk niet wilde, hij is al zo vaak vreemd gegaan. En hij had al vaker gezegd als hij een aantrekkelijke jonge vrouw zag: ‘die heb ik gehad’, of: ‘die kan ik krijgen als ik wil. Wedden?’. Waarom ik dan nu brak, waarom ik dan vandaag echt niet meer verder kon, waarom zijn minachtende blik juist vanavond me deed denken aan het gouden mes dat hij aan de muur had laten hangen om mij te zieken, om me te laten denken aan die keer dat ik hem huilend moest herinneren aan het kind dat we samen hebben, dat hij die toch niet zonder moeder kon laten opgroeien.

En nu is hij dood. Daar kan niemand meer iets aan doen. Mijn hoofd voelt voor het eerst in jaren leeg, rustig, ijzig kalm. Ik weet wel dat er enorme problemen aan komen, maar nu even maakt dat niet uit. Ik kijk naar het mes in mijn hand. Gek dat ik het nog niet heb losgelaten.

Dan gaat de deur achter me open, en ik draai me om. Twee grote sterke mannen staan daar, Ed en Johnny. Ed die me een paar weken geleden nog redde door een vaas om te gooien vlak voordat mijn man, zijn baas, me weer eens hard wilde aanpakken. De afleiding was genoeg om dat te voorkomen. En Johnny heeft thee voor me gehaald na die avond met het mes. Ik ben blij dat zij er zijn, ook al weet ik dat mijn nieuwe problemen nu beginnen.

Ed en Johnny kijken elkaar aan, en dan naar het lijk op het bed. Ed loopt op het bed af, Johnny naar mij. Ed voelt of mijn man nog een hartslag heeft, schudt zijn hoofd. Johnny kijkt mij aan.
‘Ik ga het makkelijker voor je maken,’ zegt Johnny.
‘Laat het mes vallen, dan sla ik je één keer hard in je gezicht.’
Ik laat van schrik het mes vallen.
‘Dan kan je zeggen dat je jezelf tegen hem moest verdedigen,’ zegt Ed. Ik haal diep adem, begin dan te hyperventileren. Toch knik ik.

Johnny slaat en ik val bijna om, voel de felle warmte van de klap in mijn gezicht. Toch lach ik, want ik weet dat ik zo eindelijk aan hem kan ontsnappen, aan die man die eerst mijn dromen in vervulling bracht en me daarna een nachtmerrie in sleepte.
Ed legt een hand op mijn schouder.
‘Maak je geen zorgen,’ zegt hij, ‘alles komt goed, Melania.’

Geplaatst op Geef een reactie

Hakken en Rocken

Er is al een tijdje mot tussen de gabbers en de hardrockers. Het ging mis op een feestje. Ze kregen eerst ruzie over de muziekkeuze van de dj en toen het uit de hand liep zijn met meubels gaan gooien en probeerden zelfs over elkaar heen te rijden. Nu maken ze de hele tijd ruzie. Over muziek, kleding maar ook vaak over helemaal niks. Elke keer als ze elkaar tegenkomen op de gangen, beginnen ze te schreeuwen. Alle andere mensen ergeren zich er kapot aan, maar wat doe je er tegen? Ze zijn nogal intimiderend.

Na het incident sloten ze zich steeds op in hun eigen kamers, waar ze met elkaar plannen gingen bekokstoven om de andere groep te grazen te nemen. En maar keihard muziek draaien. Niet alleen omdat de muziek blijkbaar zo gedraaid moet worden, maar ook omdat ze allemaal hartstikke hardhorend zijn. Daar helpt zelfs geen gehoorapparaat of implantaat meer tegen.

Beide groepen proberen hun territorium te verdedigen en uit te breiden. De hardrockers zitten vooral in de kantine, de gabbers in het restaurant. Ze proberen allebei de gemeenschappelijke ruimte over te nemen. Maar in alle ruimtes verzieken ze het voor elkaar en voor de anderen. Steeds weer draaien ze hun eigen muziek, zo hard mogelijk, via de speakers. Soms zet de andere partij hun eigen apparatuur neer om daar tegenin te gaan. Dat is pas herrie, twee van die harde muziekstromingen door elkaar heen.

Dat ze steeds meer hun eigen kleding zijn gaan dragen, was tot daar aan toe. Leren jacks en zwarte vale t-shirts voor de rockers en Australian trainingspakken voor de gabbers, als zij dat zo graag willen is dat natuurlijk prima. Maar dat ze de feestcommissie hebben opgeblazen omdat ze het nergens over eens konden worden, en dat ze het voor elkaar hebben gekregen dat er helemaal geen muziek meer wordt gedraaid in het winkeltje en bij de kapper, dat is natuurlijk te gek voor woorden.

Het is zo’n nare streek voor de mensen die van andere soorten muziek houden! Wij mogen nu ook niet meer een liedje aanvragen. Die gangen zijn al zo stil, zonder een lekker deuntje op de achtergrond is het alleen maar erger.

Gelukkig heeft de directie een oplossing gevonden. Het leegstaande abattoir naast ons gebouw is volledig geluidsdicht. Daar mogen die herriemakers lekker tekeer gaan, om de beurt een heel weekend. En dat ze er flink bij zuipen en pillen poppen, maakt niemand wat uit. Het is wel ongezond, maar ja. Iedereen moet toch ergens aan doodgaan, niet? Per slot van rekening zijn we allemaal bijna aan de beurt.

Toch had ik me iets anders voorgesteld van het leven in een bejaardentehuis in het jaar 2050.

Geplaatst op 2 Reacties

Krassen

Het was onze eerste ontmoeting, daar in Delft. Zij stond achter een tafel op de kunstmarkt, in een roze zomerjurk waar bloemetjes en vlinders op waren gespeld. Lange blonde krullen lagen licht op haar schouders, haar slanke vingers met rood gelakte nagels legden plastic bordjes, pakken hagelslag, vrolijk gekleurde enveloppen en roze-gele spekkies klaar. Ik liep langs, gewoon van mijn huis naar de supermarkt. Ik wilde helemaal niet naar de kunstmarkt, hou niet van openbare gelegenheden. Mensen kijken naar mij, langer dan prettig is, en ik weet het, ik ben lelijk. Vreselijk lelijk zelfs. Kinderen schrikken en doen een stap achteruit als ze me zien, volwassenen durven alleen naar mijn ogen te kijken als ze met me praten. Ik ben nèt niet zo lelijk dat honden beginnen te huilen als ze me tegenkomen, maar zielig kijken doen ze wel. Het was een vervelend ongelukje met een hete theepot op het aanrecht, toen ik nog geen drie was. Ik blijf daarom meestal binnen, waar ik schrijf en op datingsites naar meisjes kijk waarvan ik droom dat ik met ze durf te daten.

Maar goed, die dag, die vroege ochtend moest ik het huis uit, want ik had geen koffie meer. Zonder kan ik niet wakker worden, als ik niet wakker ben kan ik niet schrijven, als ik niet kan schrijven voel ik me dood. Haar kraampje stond als enige klaar, daar op de markt, andere kunstenaars waren nog aan het opbouwen.

‘Hey,’ zei ze, ‘Jij bent mijn eerste klant. Mijn eerste klant ooit.’ Dat zei ze, en ze keek naar me, naar mijn hele gezicht. Haar zachte ogen streelden langzaam en teder over mijn bekraste kop alsof ze niets afstotelijks tegenkwamen. Ik stond stil en vergat mijn koffie.
‘Wat wil je? Een oud-Hollandse hagelslag-reading? Een luisterend oor waar je al je zorgen kwijt kan? Of een opdracht waar je gegarandeerd gelukkig van zal worden?’
Ik koos voor de opdracht, maar kreeg hem nog niet meteen. We praatten, heel gewoon, alsof ik geen monster was en zij geen engel met blonde krullen en het vrolijkste neusje dat ik ooit had gezien. Ik hielp haar nog een paar dingen goed te zetten, zij vertelde me over haar acteer-opleiding, ik vertelde haar over mijn computer en de woorden en verhalen die ik daar al jaren aan toevertrouwde, ze vertelde over haar dromen van Hollywood en ik vertelde haar mijn dromen over de Nobelprijs voor de literatuur en die van de vrede (dat was mijn reserve-Nobelprijs). Toen kwam haar vriendje, een lange, knappe man met een grote bos zwarte krullen en een perfect gladde kop, nog geen acne-litteken ontsierde zijn smoel. Ik wilde weg gaan, maar mocht nog niet vertrekken van haar.

‘Eerst schrijf ik nog je opdracht,’ zei ze en ze schreef er een, stopte hem in een envelop, likte de envelop dicht en gaf er tenslotte een kusje op.
‘Beloof me dat je de envelop pas opent als je heel ongelukkig bent, als niets je meer kan helpen om blijdschap te voelen. Als dat zo is, maak je hem open, en dan zal de opdracht je gelukkig maken, gegarandeerd!’
Ik glimlachte, nam de envelop aan en ging weg. Ik durfde niet achterom te kijken, was bang dat ik zou zien dat de onbekraste man haar aan het kussen was en dat ik dan de envelop weg zou willen gooien.

Duizenden keren zag ik haar nog, daarna. Duizenden keren in mijn hoofd, en duizenden keren op televisie, in bioscopen, op de dvd’s die ik kocht omdat zij er in speelde. Eerst waren het kleine producties, later werden het steeds grotere films, ze haalde Hollywood, speelde in films die Oscars wonnen. Toen ze te oud werd voor meisjesrollen en nog te jong was voor moederrollen, werd ze moeder, kreeg twee kinderen met een beroemde acteur, scheidde van hem toen ze weer acteren ging, werd nog beroemder, kreeg een Oscarnominatie, en ging pas minder werken toen ze voor de derde keer grootmoeder werd. Ze werd de meest beroemde Nederlandse actrice sinds Audrey Hepburn, en die was maar half Nederlands.

En ik? Met mij ging het eigenlijk ook wel geweldig. Ik schreef tot mijn handen verkreukelden en ging toen gewoon door, ik sprak mijn verhalen en gedichten in zodat mensen ze overal konden beluisteren, won daar alle prijzen mee die er te winnen zijn, raakte bevriend met een paar beroemde kunstenaars die zo lelijk waren dat mijn brandwonden-kop nog meeviel. Een vrouw vinden deed ik niet. Hoe kan je van een sterveling leren houden als je ooit een echte engel hebt ontmoet?

De envelop bleef dicht. Ik was wel nieuwsgierig, maar kon toch geen reden vinden om hem open te maken. Als ik heel ongelukkig was, had ze gezegd, als niets meer hielp, dan mocht het. Maar altijd als ik het zwaar had, toen de operaties aan mijn gezicht mislukt waren, zelfs toen mijn ouders stierven, altijd hoefde ik alleen maar aan haar te denken en de manier waarop ze die dag naar me keek en ik had weer alle kracht en energie die ik nodig had om door te gaan. En ergens durfde ik hem ook niet te openen. Het moest haast wel tegenvallen, zo groot was de verwachting in mijn hoofd geworden. Zo liet ik de envelop op mijn bureau liggen, waar hij geler en steeds meer gekreukt werd, en de inkt vervaagde.

Ze was op tv. Het acht uur journaal zelfs. Ze lieten een overzicht van haar carrière zien, alsof ze overleden was, maar dat was ze nog niet. Wel ziek, heel erg ziek. Ze zou niet meer zo heel lang te leven hebben, kanker vrat haar darmen op. Ik zag het, en huilde. Ik hád haar niet maar een keer gezien. Ik hád haar niet maar een keer gesproken. Ze had al die jaren naast me gestaan, ze was de vrouw aan wie ik al mijn verhalen als eerste voorlas, ze was de vrouw die me motiveerde om aan het werk te blijven, de vrouw die me de inspiratie gaf voor mijn mooiste verhalen, en die me de kracht gaf om elke ochtend weer op te staan, ook al wilden mijn lichaam en hoofd niet meer.

Ik opende de envelop, en las de opdracht. Toen pakte ik mijn jas, mijn paspoort en mijn wandelstok, en ging naar het vliegveld.
Haar huis was niet moeilijk te vinden in LA. Ze stond op de Sterrenlijst, tussen de andere grootheden. Elke dag reden tientallen bussen en busjes met toeristen langs haar huis, dat op een heuvel stond, achter een hoog hek. Toch twijfelde ik niet of ik binnen zou komen. De man die het hek en de deur open deed, gedroeg zich ook alsof hij mij verwachtte. Hij leidde me naar een terras achter het huis, waar zij zat, in de schaduw. Haar ogen waren gesloten, bleven gesloten toen ik aan kwam lopen, maar toen ik haar naam noemde, gingen ze open. Weer streelden haar zachte ogen teder over mijn gezicht. Ze noemde mijn naam, ik glimlachte, ging zitten in de stoel tegenover haar, en vertelde haar dat ik de opdracht had gelezen, eindelijk, vertelde haar waarom het nu pas was, na al die jaren. Ze begreep het. Zij vertelde dat ze al mijn werk had gelezen, dat ze al mijn luisterteksten had gehoord, meerdere keren, dat de dagen dat ze twijfelde aan zichzelf mijn stem haar rust en vertrouwen had gegeven. Ik vertelde haar dat ze altijd naast me zat als ik schreef, dat haar beeld me mijn mooiste verhalen had gegeven.

Ik zweeg even, en haalde toen het boekje uit mijn binnenzak, het boekje waar ik al mijn ideeën en verhalen schreef, en dus ook dit verhaal, en ik las het voor, las het hele verhaal voor en zij luisterde, met haar ogen gesloten, zij luisterde naar mijn allerlaatste verhaal, en toen ik klaar was en opstond en naar haar toeliep om haar op de lippen te kussen, voor de allereerste keer, toen ik haar kuste, waren haar lippen al koud geworden.