Geplaatst op Geef een reactie

Bladel

Mijn privé-telefoon gaat. Een onbekend nummer, tien uur in de avond op zondag. Het kan werk zijn, ik noem mijn voornaam en achternaam.

Mijn moeder is aan de telefoon. Wij, haar kinderen, hebben haar net naar een verzorgingstehuis gebracht. Ze heeft meerdere ernstige lichamelijke klachten en ook last van beginnende dementie.

 

‘Bladel,’ begint ze. ‘Daar had je het toch vandaag over?’

‘Wat?’ zeg ik.

‘Bee, el, a, dee, ee, el,’ zegt ze.

‘Bladel?’

‘Je vertelde vandaag over Bladel,’ zegt ze geduldig, ‘En over wat er aan de hand was.’

‘Het Brabantse dorp?’ vraag ik.

‘Precies,’ zegt ze, alsof ze nu verwacht dat ik weet waar het over gaat.

‘Nee, daar heb ik het niet met je over gehad vandaag,’ zeg ik, ‘Wat is er dan in Bladel?’

 

Ik zoek het meteen op in de computer. ‘Bladel en nieuws.’ ‘De nieuwe burgemeester moet humor hebben’ is het belangrijkste nieuws.

‘Niks aan de hand in Bladel,’ zeg ik tegen haar.

‘Hè?!’ zegt ze. ‘Ik weet zeker dat ik het er met je over gehad heb vandaag.’

‘Nee,’ zeg ik, ‘we hebben elkaar niet gesproken. Was er iemand op bezoek? Of aan de telefoon gehad?’

‘Ik heb jou gesproken,’ zegt ze. Dan is ze even stil.

‘Weet je mam,’ zeg ik, ‘ik ga deze week foto’s van de kinderen printen en naar je toe sturen.’

‘Ja graag,’ zegt ze gretig. ‘Ik heb je dochter en je jongste nog helemaal niet op het kastje staan! Dat kan natuurlijk niet, die horen er ook bij.’

 

We groeten elkaar en hangen op. Ik ga die foto’s snel uitprinten zodat ze elke dag kan zien wie haar kleinkinderen zijn. Misschien onthoud ze hun gezichten nog eventjes.

Geplaatst op Geef een reactie

Schijt

‘Waarom heb je een plastic handschoen in je jaszak?’ vraag ik aan de bejaarde dame waar ik elke week drie uur ben om zinloos schoon te maken (zinloos omdat ze zelf haar huis beter schoonhoudt dan ik ooit zou kunnen. Ik ben alleen nuttig als ik de ramen lap of stof van de kasten af veeg). Ik raap de handschoen op die is gevallen en stop hem terug in de jas aan de kapstok.

‘Ik hou niet van poep aan mijn handen,’ zegt ze, en ze laat zich met een zucht zakken in haar stoel. Ik ga zitten op de bank, pak mijn kopje met voorgeroerde koffie. Ze ziet dat ik haar niet begrijp.

‘Er was een man die zijn hond liet schijten op de stoep, precies voor mijn voordeur. En dan ruimde hij het niet op! De schoft. Elke dag hè. Dus op een dag pak ik een krukje, en ga beneden zitten achter de deur. En maar wachten en wachten. Toen kwam hij langs, de oude zak, met zijn dikke hond. Is niet goed hoor, dat een hond zo dik wordt, dan geeft hij hem vast verkeerd eten. Maar goed, hij stopt, en dat beest draait een enorme drol precies voor mijn voordeur. Die zak kijkt ernaar, en trekt dan zijn hond gewoon mee! Aan een riem die de keel afknijpt, je weet wel.’

Ik knik.

‘Ik doe dus de deur open. ‘Hé ouwe zak!’ roep ik. ‘Ruim die schijt van je hond op!’

Hij kijkt me aan en roept, zó ordinair, hij roept: ‘Bemoei je met je eigen zaken, kutwijf!’

Ik ontplof bijna! Dus ik stap de stoep op en pak, hoppakee, die dampende drol, loop naar hem toe en wrijf het zó in zijn gezicht en in zijn haar.’

Ik lach, zij lacht ook, smakelijk.

‘Maar ja, toen zat mijn hand vol met poep. Ik heb hem een half uur staan wassen. En mijn ring heb ik uit moeten koken.’ Ze kijkt vol liefde naar de ring die ze van haar vriend heeft gekregen, vlak voordat hij overleed aan ALS, nadat ze hem jaren thuis had verzorgd.

‘En wat deed die man?’ vroeg ik.

‘Hij schrok zich rot en liep zo snel weg als hij kon. Maar hij had er niet van geleerd! Hij heeft nog een keer zijn hond op de stoep laten schijten. Weer precies voor mijn voordeur!’

‘Wat heb je toen gedaan?’

‘Jaha,’ lacht ze, ‘ik weet waar hij woont en waar zijn rode blikken nepautootje altijd geparkeerd staat. Dus ik die drol opgeraapt, ben naar zijn rode Cantaatje gelopen, en toen heb ik heel netjes de voorruit van dat stomme koekblik ingesmeerd, en de sleutelgaten volgepropt.’

‘Vieze handen gekregen?’ vraag ik. Ze glimlacht.

‘Ik had zo’n handschoentje bij me. Die heb ik daarna uitgedaan en netjes bij hem in de brievenbus gegooid. Heb hem nooit meer gezien, met zijn stomme hond.’

‘En nu heb je nog steeds altijd een handschoen bij je,’ zeg ik.

‘Je weet maar nooit,’ zegt ze, ‘je weet maar nooit.’

Geplaatst op Geef een reactie

Playboy

‘Piet, Piet!’

Mijn vriendin bonkt op de deur van mijn kamertje in het bejaardentehuis, waar ik pas een paar dagen woon. Ik schrik, had haar totáál nog niet verwacht. De deur zit op slot, gelukkig. Snel doe ik mijn computer uit en dan dicht. Ik haal diep adem en sta op.

‘Piehiet!’

Als ik de deur open doe, valt ze half de kamer in, bos bloemen in haar hand. Natuurlijk, ze neemt een bosje bloemen mee om mijn nieuwe ‘huis’ op te fleuren. Ik haat bloemen. Ik pak de bloemen uit haar hand en doe de deur weer dicht.

‘Waar, wat… Wie is er gevallen Piet?’

‘Wat?‘ zeg ik, maar ik weet al wat er aan de hand is. Ik had tóch de koptelefoon in de doos moeten zoeken.

‘Ik hoorde geschreeuw,’ zegt ze ongerust. Dan kijkt ze naar de muren van mijn kamer. ‘Oh jee, misschien is een van je buren gevallen!’

Ik zucht.

‘Zullen we even bij de buren aankloppen?’

‘Is niet nodig,’ zeg ik.

‘Ja maar, misschien is er iemand gevallen! Ik hoorde net vréselijk geschreeuw! Echt iemand in doodsnood.’

Ze wil de kamer weer verlaten, de gang op in het verzorgingstehuis waar ik sinds vorige week woon en waar ik nog niemand ken. Ik pak haar bij haar pols.

‘Piet!’ zegt ze, ‘Iemand heeft misschien onze hulp nodig!’ Ze trekt haar pols los uit mijn hand. Ik ben natuurlijk niet meer zo sterk als toen ik 70 was. Ik zet een stap zodat ze de deur niet uit kan.

‘Wacht even schat,’ zeg ik tegen haar. Weer zucht ik, maar dan nog dieper. Ze kijkt me aan, begrijpt me niet.

‘Er is niemand in de problemen. Wat je hoorde, eh, tsja.’ Ik kijk naar de computer alsof ze dan begrijpt wat ik bedoel.

‘Wat hoorde ik dan?’ vraag ze aan me.

‘Porno,’ zeg ik. ‘Ik was porno aan het kijken. Ik had mijn koptelefoon op moeten doen, maar…’ ik wijs naar de dichte verhuisdozen die nog tegen de muur staan.

‘Wat?’ zegt ze, ‘kijk jij nog porno? Maar je…’ ze kijkt naar mijn kruis.

‘Nee,’ zeg ik, ‘hij doet het nog steeds niet. Maar soms kijk ik het gewoon. Gewoon. Mannen doen dat weleens.’

Ze kijkt verbaasd van me weg. Toen we een ‘relatie’ kregen, was al snel duidelijk dat we niet meer gingen doen dan handje vasthouden en een kusje geven. Ik krijg hem toch niet meer omhoog en zij wilde niet het risico lopen dat ik van opwinding dood zou gaan in bed. Prima. Als je de negentig bent gepasseerd hoeft dat niet meer zo nodig. En de laatste twintig jaar kan je ineens overal op internet mooie porno vinden! Als ik nú puber was geweest, was ik mijn slaapkamer niet meer uitgekomen.

‘Maar, maar,’ zegt ze.

Ik doe de deur open.

‘Zullen we een kopje koffie gaan drinken in het restaurant?’ zeg ik. Dan herpakt ze zich.

‘Nee,’ zegt ze ferm, ‘komt niks van in.’

Oh jee, vindt ze het echt vervelend van de porno? Is ze boos dat ik naar blote vrouwen kijk?

‘Neenee,’ zegt ze nogmaals, ‘ik zet eerst de bloemen in een vaas. Jij laat ze altijd doodgaan.’

Geplaatst op Geef een reactie

Swingen

Ik kijk om me heen in de zaal van het ‘Centrum voor Actieve Ouderen’ die me als ‘danszaal’ was omschreven. Er schuifelen een paar witharige dames rond, één ervan met een rollator.

‘Wat een grote ruimte,’ zeg ik.

De oude heer die me ontvangen heeft, knikt.

‘Vroeger was het hier elke vrijdag en zaterdagavond helemaal vol met dansende mensen! En ook de andere dagen was er altijd wel iets te doen. Bingo op donderdag, klaverjassen op dinsdag. We moesten mensen afwijzen, zo druk was het. Maar zo veel mensen komen hier al jaren niet meer.’

‘Er zijn toch steeds meer ouderen in Nederland?’

Hij knikt. ‘Dat wel. Maar vroeger bleef iedereen in zijn eigen huisje wonen, of in ieder geval zijn eigen buurt, konden ze op de fiets of met de tram naar ons toekomen. Nu trekken ze allemaal naar Purmerend of Almere. Veel te ver weg om naar een dansavond in de stad te gaan. We hebben nog geprobeerd om de minimumleeftijd naar de 55 te doen, maar dat hielp niet. Mensen van 55 voelen zich te jong om met mensen van onze leeftijd te dansen.’

‘En hebben jullie aan andere groepen gedacht? De eerste generaties Surinamers en Turken en Marokkanen zijn al aardig op leeftijd aan het raken. Die wonen nog in de stad. Misschien hebben zij zin om te dansen!’

De man kijkt weg.

‘We hebben het geprobeerd,’ zegt hij zacht. ‘We hebben aan dat soort mensen gevraagd of ze ook langs wilden komen op de dansavonden. Ze kwamen inderdaad. Maar het werkte niet.’

‘Hoe bedoelt u?’ vraag ik.

Hij zucht, kijkt naar de deur.

‘Die mannen kwamen hier niet naartoe om te dansen. Ze kwamen om vrouwen te versieren! En dat lukte ze nog ook!’

Ik kijk om me heen, zie de gerimpelde dames in hun gebloemde jurken en met hun solide schoenen.

Hij kijkt me weer aan.

‘En dat was nog niet het ergste,’ zegt hij. ‘We kwamen er achter dat ze getrouwd waren! Dat ze gewoon een vrouw hadden in Marokko of Turkije of weet ik waar! En dan hier bij ons gewoon vrouwen gaan versieren? Dat werkte dus niet. We zijn er mee opgehouden.’

‘Oh,’ zeg ik, ‘jammer.’

Hij knikt. ‘Dat is inderdaad jammer.’

Geplaatst op Geef een reactie

Gesmeerd

Annie heeft nog een man. De meeste huizen waar ik schoonmaak zijn van oudere dames die al tientallen jaren weduwe zijn, maar zij woont nog steeds samen met haar Piet. In de drie uur dat ik in hun huis ben, komt hij niet uit zijn stoel in de woonkamer, waar hij rustig een krantje leest of met zijn ogen dicht zit.

Zij achtervolgt me overal in huis en vertelt me hoe ik alles moet doen, welk schoonmaakmiddel ik moet gebruiken voor de ramen, en hoe ik stof moet afnemen bovenop de kast. Ik doe dit werk al jaren, maar in discussie gaan met iemand die iets al zestig jaar op een bepaalde manier doet, werkt niet. En misschien is haar manier wel de beste manier.

De koffie staat klaar, met een koekje. We praten in de woonkamer, de Amsterdamse dame en ik, en ik vertel dat mijn vriendin zes maanden zwanger is.

‘Ik hoop maar dat de bevalling meevalt,’ zeg ik, ‘ik moet er niet aan denken dat mijn vriendin 36 uur pijn heeft, of dat er een keizersnede moet komen of zo’n zuigding.’

‘Mijn bevalling was een makkie,’ zegt ze.

Dan kijkt ze even naar Piet, en grijnst.

‘Piet hield me namelijk héél goed doorgesmeerd toen ik zwanger was. De kleine floepte er zo uit!’

‘Ghegheghe,’ lacht Piet met zijn dichte ogen.

En als ik door krijg wat ze precies bedoelt, lach ik ook, maar wel een beetje ongemakkelijk.

Drie maanden later verloopt onze bevalling ook heel gesmeerd.

Geplaatst op Geef een reactie

Getik

‘Zou je ook hier onder het bed willen stofzuigen?,’ vraagt de oude dame, ‘En als je de kasten even aan de kant schuift… de vorige thuiszorg was een jong meisje, ik durfde haar niet zoiets zwaars te laten doen.’
Iets te enthousiast verplaats ik het nachtkastje om eronder te kunnen zuigen. Een herenhorloge valt eraf, op de vloerbedekking waar de poten van de kast diepe holtes hebben gemaakt.
‘Wacht maar,’ zegt ze en ze raapt het horloge op voordat ik er aan heb kunnen komen. Dan bukt ze nog een keer en pakt de versleten herensloffen die onder het bed staan.

Ze houdt de sloffen en het horloge tegen de borst gedrukt totdat ik alles goed heb gezogen en de meubels weer met hun pootjes in de holtes laat zakken. Dan zet ze de sloffen weer terug, precies op dezelfde plek. Het horloge windt ze op en legt ze op het nachtkastje naast het tweepersoons bed dat netjes is opgemaakt voor twee personen, met lakens en wollen dekens.
‘Hij is er nu al 17 jaar niet meer,’ zegt ze, ‘maar ik wind zijn horloge nog elke dag op. Als ik wakker word in de nacht, hoor ik het tikken. Dan is hij er nog een beetje.’
Ik glimlach.
‘Gek oud vrouwtje ben ik, hè,’ zegt ze dan verlegen, maar ik schud mijn hoofd.

Geplaatst op Geef een reactie

Schrale Anus

‘Weet je nog, mijn oude buurman?’ zegt de dame waar ik vroeger schoonmaakt.

Ik knik.

‘Hij is 98 geworden.’

‘Dat is oud,’ zeg ik. ‘Heeft zijn zoon nog veel nare dingen met hem uitgehaald?’

‘Je bedoelt de zoon die altijd te weinig brood kocht voor zijn vader, zodat hij op zaterdag niks meer te eten had en we hem moesten bijvoeren? Die het pinpasje van zijn vader had gejat en van zijn duur verdiende pensioen lekker twee keer per jaar op vakantie ging? De zoon die samen met zijn vriendin het goede wc-papier jatte om er van dat goedkope grijze wc-papier voor terug te hangen? Die zoon?’

‘Ja,’ zeg ik, ‘die zoon.’

‘Ha!’ zegt ze, ‘Die heeft lekker een hersenbloeding gehad vlak voordat zijn vader overleed.’

‘Is hij dood?’ vraag ik.

‘Nee, hij zit kwijlend achter het raam thuis. En nu moet zijn monsterlijke wijf hem verzorgen. Want als ze hem in een tehuis stopt… dan moeten ze de erfenis van zijn vader afstaan.’

‘Ik hoop dat ze zijn achterwerk alleen maar veegt met dat schrale wc-papier dat ze voor zijn vader kochten,’ zeg ik, onbarmhartiger dan ik mezelf ken.

Ze knikt. ‘Moge zijn anus tot aan zijn laatste drol rood en schraal zijn.’

Geplaatst op Geef een reactie

Plas

‘Het verkeer in Amsterdam is gevaarlijk, ja,’ zegt de dame van vijftig terwijl we samen kijken naar de ambulance en de politiewagens die de weg blokkeren voor de flat waar ze woont.

‘Ik ben overreden door een vrachtwagen toen ik twaalf was,’ zegt ze dan. ‘Voorwielen én achterwielen.’

‘Het zadel van mijn fiets was helemaal bij mij naar binnen geduwd door de vrachtwagen, tussen mijn benen zeg maar. Ze hebben alles weg moeten halen toen, alles was kapot gegaan. Ik kon daardoor geen seks hebben of kinderen krijgen, vertelden ze me. Daarom heb ik ook nooit zin gekregen in een vriendje. Ik moest vroeger zelfs altijd een luier dragen, dan wil je aan je lijf geen polonaise. Wel jammer hoor.’

Dan klaart haar gezicht op. ‘Weet je wat zo fijn was? Ik kon twintig jaar mijn plas totaal niet ophouden, maar toen kwam er eindelijk een arts die het aandurfde om me te opereren! Ik lek nu alleen nog maar af en toe een drupje. Dat is zo fijn!’

Ze draait zich om en loopt naar binnen.

‘Thee?’ vraagt ze.

Geplaatst op Geef een reactie

Lek

‘Is de grote baas er vandaag?’ vraag ik aan de directiesecretaresse.

Ze schudt haar hoofd. ‘Wim is er niet.’

Dan pauzeert ze even.

‘Zijn kraantje is lek. Vandaag laat hij er een nieuw rubbertje in zetten,’ zegt ze dan. ‘Poliklinisch hoor, morgen kan je hem weer bereiken.’

‘Bedankt,’ zeg ik en ik vraag me af of ik de directeur ooit nog kan zien zonder aan zijn lekkende kraantje te denken.

Geplaatst op Geef een reactie

Lul in de keuken

‘Een open keuken vind ik altijd een veilig idee,’ zeg ik, ‘dan zie je tenminste wat er gebeurt in de keuken.’

De oude man lacht schamper.

‘Ik werkte in een restaurant met een open keuken,’ zegt hij, ‘en de kok haalde gewoon zijn lul tevoorschijn als hij moest pissen, hing hem zo in de vuilnisbak onder de werkbank. Zagen de klanten toch niks van.’

Geplaatst op Geef een reactie

Hersencel

In de keuken van de gehandicapte vrouw waar ik thuiszorg doe, vul ik de emmer met heet water om te kunnen dweilen. Weer dringt de geur die in het huis hangt zich aan me op, en nu weet ik wat het is. Het is terpentine. Ik doe de kraan uit en loop naar de woonkamer, waar de schilder bezig is. Ik kijk naar de man van vijftig met het korte grijze haar en de witte overall. Bijna al het houtwerk heeft hij af, hij is nu met de laatste deur bezig. Ik draai zijn radio wat zachter.
‘Ruik ik nou terpentine?’
Hij knikt zonder op te kijken.
‘Ik dacht dat thinners niet meer gebruikt mochten worden,’ zeg ik. Hij stopt een tel met schilderen, knikt weer.
‘Is ook verboden,’ zegt hij, en hij verft verder.
‘Maar jij gebruikt het toch?’ Nu legt hij zijn kwast neer.
‘Alleen met deze verf krijg je deze resultaten,’ zegt hij, en hij streelt liefkozend de deurposten die hij gisteren heeft gedaan. Ze zien er inderdaad prachtig uit.
‘Is het dan niet… is het niet slecht voor je hoofd?’
Hij glimlacht een beetje.
‘Ja, dat wel. Ik werk er nu dertig jaar mee, en ik merk het wel. Ik vergeet steeds vaker de namen van mijn vrienden. Maar als ik met verf op waterbasis werk, wordt het gewoon echt niet zo mooi als dit! Hoe kan ik mijn klanten nou géén topkwaliteit bieden?’
‘Ik zou het vreselijk vinden als ik de namen van mijn vrienden niet meer wist,’ zeg ik. Hij knikt.
‘Dat is ook vreselijk,’ zegt hij. Hij pakt zijn kwast weer op, en doopt het diep in het blik met verf.

Geplaatst op Geef een reactie

Piet

Winter, een dag voor Sinterklaas.

De oude dame houdt de winkeldeur open voor het stelletje.
‘Kom maar binnen met je knecht,’ roept ze vrolijk tegen het blonde meisje dat als eerste naar binnen komt. Dan ziet ze de zwarte krullen en het donkere gezicht van het vriendje. Verschrikt slaat ze een hand voor haar mond. Het vriendje lacht hard.

Geplaatst op Geef een reactie

Wijs

Ik was in dienst bij de Koninklijke Marechaussee, vlak na de oorlog.  Mijn eerste klus was het bewaken van Paleis het Loo. Hele dagen stilstaan, in weer en wind. De commandant posteerde me de eerste dag bij de achterkant van het Paleis het Loo. Hij vertelde me dat ik de dagjesmensen naar de hoofdingang van het paleis, aan de voorkant, moest sturen. Drie dagen lang deed ik dat tot aller tevredenheid, maar aan het eind van de derde dag kwam mijn commandant zelf me ophalen, in een jeep. Ik vroeg wat er was natuurlijk, maar hij wilde niets zeggen. Hij zette een andere marechaussee op mijn post neer, nam me mee naar de kazerne en bracht me naar zijn leidinggevende, die achter zijn bureau op me zat te wachten.’
‘De koningin is zeer tevreden over ons,’ vertelde hij, ‘En zeker over jou.’
Ik had werkelijk geen idee waar hij het over had.

‘Ze voelt zich bijzonder veilig bij het idee dat de achterkant van haar paleis zó goed bewaakt wordt, dat zelfs zij naar de hoofdingang wordt gestuurd. Ze laat doorgeven dat je van haar een paar dagen vrij krijgt als beloning voor je waakzaamheid.’

Verward kijk ik van hem naar het schilderij van koningin Wilhelmina, dat achter zijn bureau hangt, en weer terug. Toen keek ik nog eens naar het schilderij, zag er ineens het oude vrouwtje in dat met haar schildersbenodigdheden, koffer met verf en ezel, uit het bos geschuifeld was, aan het eind van die ochtend. Ik had haar vriendelijk verzocht om naar de hoofdingang te lopen, helemaal om het paleis heen. Er speelde een vreemde glimlach om haar lippen toen ze deed wat ik haar opdroeg,  gehoorzaam sleepte ze ezel en koffer over het modderige pad naar de andere kant. De koningin… ik had Koningin Wilhelmina weggestuurd bij de achterdeur van haar eigen paleis!

Gelukkig was het een wijze vorstin.

Geplaatst op Geef een reactie

Boontjes

Ze zet haar leesbril op, pakt het papiertje voor de boodschappen, legt het op een boek op het dikke tafelkleed en pakt de zilveren pen. Ze schrijft. ALDI: 10 pakken met zes flesjes water, 1 pak wc papier en 1 rol vuilniszakken. Een dikke streep eronder. De AH lijst. Aardappels; 1 kilo, twee koteletjes; 100-120 gram per stuk, niet te groot anders krijgen ze het niet op. Groenten. Wat voor groenten gaan ze eten.
‘Wat wil je eten vanavond?’ vraagt ze aan hem. Hij kijkt op van zijn krant.
‘Hè?!’ Hij hoort niet zo goed.
‘Waar heb je trek in?’
Hij haalt zijn schouders op, pakt de loep weer goed beet en leest verder. Zij legt het briefje neer.
‘Heb je misschien trek in spinazie?’
Hij reageert niet.
‘Of wil je misschien spruiten? Is lekker bij de koteletjes. We hebben nog jus van de rollade.’
‘Maakt niet uit,’ zegt hij.
‘Spinazie of spruitjes Wim, wat wil je.’
‘Maakt me echt niet uit,’ zegt hij nogmaals.
‘Je kan toch wel een beslissing nemen…’
‘Maakt me niet uit!’
‘Waarom kies je nou niet gewoon? Dat is toch niet zo moeilijk? Wil je nou spruitjes of spinazie.’
‘Kan me niet bommen!’
‘Neem nou toch eens een beslissing! Wat wil je eten vanavond; spruitjes of spinazie? Héél simpel.’
‘Het kan me godverdomme niet schelen wat we eten!’
Hij gooit zijn loep op tafel, staat moeizaam op, loopt de kamer uit en slaat de deur achter zich dicht.

‘Nou nou,’ zegt ze. Dan denkt ze even na en schrijft op: sperziebonen; 150 gram.

Geplaatst op Geef een reactie

Brokken

De nieuwe deur klemt nog erger dan de oude. Ik wrik en trek, maar krijg er nauwelijks beweging in met die rot-reuma handen van me. Weer wordt er aangebeld.

‘Ik kom eraan’, roep ik door de dichte deur. Hopelijk hoort de beller het, één verdieping lager en ook nog achter een dichte voordeur. Rex staat kwispelend voor mijn voeten. Dat helpt óók niet, ik schuif hem aan de kant met mijn goede knie, geef geërgerd nog een ruk aan de deur. Eindelijk schiet hij open.

Rex blijft braaf bovenaan de trap staan. Dat doet hij dan wel weer goed. Weer wordt er aangebeld, dringend.

‘Jaja, ik ben er bijna,’ roep ik. Wat een ongeduld. Alsof iemand van mijn leeftijd nog een sprintje kan trekken. Ik loop naar beneden, stapje voor stapje. Als die zak van een makelaar de deuropener nou eens liet repareren was dit helemaal niet eens nodig. En de vloerbedekking op de trap mag hij ook wel vervangen, met al die bloedvlekken. Ik durf er niet eens op te gaan staan, alsof ze nog af kunnen geven.

Eindelijk ben ik beneden. Ik kijk door het raampje. Sinds de inbraak ben ik toch wat voorzichtiger geworden. Een oude man, een buitenlander, kijkt me aan. Grote snor. Hij heeft een trui onder zijn jasje. Raar met dit warme weer. Hij ziet er niet gevaarlijk uit, dus ik doe de deur open.

‘Dag mevrouw,’ zegt hij. Hij kijkt naar het huisnummer, alsof hij nu nog moet controleren of hij bij het juiste huis heeft aangebeld.

‘Dag mevrouw. Woont u hier?’ Niet zo snugger die man. Ik knik.

‘Met hond?’ Weer knik ik.

‘Uw hond heeft mijn zoon gebeten, laatst. Bij inbraak.’

Ik voel het bloed uit mijn gezicht weg trekken. Dit is de vader van die stomme inbreker! Die dacht dat Rex hem zo maar weer naar buiten zou laten gaan, met de stereo en de video-recorder, maar zo is Rex niet. Je mag altijd binnenkomen, maar als je weg wilt, wordt Rex gek, gaat blaffen, grommen. Als visite vertrekt, sluit ik Rex altijd in de bijkeuken op. Anders vliegt hij ze aan, die domme ouwe zak. Het bloed van de dief had overal gezeten, aan de opengebroken deur, in het halletje, op de trap. Gelukkig was politie zo aardig geweest om alles schoon te laten maken. Dat schoonmaakbedrijf had alleen de vlekken in het tapijt op de trap en in het halletje niet weg gekregen, waar de inbreker Rex van zich af had proberen te houden. Die domme inbreker. Zijn zoon.

‘Hij had hem dood moeten bijten,’ zegt de man. ‘Dood bijten. Mijn zoon. Zoon schande voor de familie.’

Je zou toch denken dat die man boos op mij is, of op mijn hond.

‘Hij jaren aan drugs, altijd stelen, politie komt heel vaak. Iedereen ziet het, hele straat. Ik zoon gestraft, uit huis gegooid.’ De vader heft mismoedig zijn handen.

‘Niets hielp.’

Ik weet niet wat ik moet zeggen. Wat vervelend voor u? Kan ik dat zeggen?

‘Gelukkig zoon nu vast.’ De man glimlacht, ik ook, voorzichtig. Zijn zoon had zelf de politie gebeld, toen hij klem was komen te zitten tussen de voordeur en bijtgrage Rex. Toen ik thuis was gekomen van de bingo hadden de buren in geuren en kleuren verteld wat ze hadden gehoord en gezien. De oude Turk kijkt langs me naar boven, ik kijk mee, zie Rex.

‘Is dat…?’ wijst hij. Ik knik. Rex ziet dat als een uitnodiging, en huppelt vrolijk naar beneden. De man doet onwillekeurig een stap naar achter. Ik zeg ‘Zit’ en Rex stopt naast me, gaat zitten, kijkt naar de man. De man kijkt hem met een mengeling van angst en nieuwsgierigheid aan. Dan glimlacht hij.

‘Hopelijk ik ruik niet als mijn zoon, anders hij weer honger.’ Hij lacht. Ik lach ook. De man blijft naar Rex kijken, steekt dan heel voorzichtig zijn hand uit, kijkt me vragend aan. Ik knik, pak Rex bij zijn halsband om de man meer op zijn gemak te laten zijn. Hij aait Rex voorzichtig, Rex waardeert het, kwispelt, likt even de hand van de oude Turk, die zijn hand wil terugtrekken maar zich beheerst en de hond laat likken.

‘Je had hem dood moeten bijten,’ zegt hij tegen Rex.

Hij veegt zijn hand af aan zijn broek, kijkt naar de grond. Dan zucht hij diep, kijkt naar het eind van de straat. Ik kijk mee, zie niets.

‘Daar naast groenteboer, om de hoek? Ja?’ Ik knik. ‘Dierenwinkel daar. Ik heb geregeld drie maanden eten. Voor hond. Brokken en vlees. Goede brokken, goed vlees, niet goedkoop spul. Ik betaal.’ De man wijst dan naar boven, de trap op, naar mijn nieuwe voordeur, naar mijn huisje, waar zijn zoon veel meer had gesloopt dan gestolen.

‘Voor overlast. Sorry.’ Ik geef die man maar een schouderklopje. Hij ondergaat het, knikt dan. Dan geeft hij me een stevige hand.

‘Drie maanden,’ zegt hij nogmaals. Dan draait hij zich om en loopt weg. Rechtop, met een stevige pas. Ik kijk hem na tot hij aan het eind van de straat is gekomen, en blijf daarna nog even kijken.