Geplaatst op Geef een reactie

Zwart Wit

‘Wat doe jij nou?!’ roept de jongen als hij naar het computerscherm kijkt van het meisje dat net als hij van Creoolse afkomst is. Dan kijkt hij naar het scherm van Hindoestaanse jongetje dat er naast zit. ‘Jij ook al! Zijn jullie gek geworden ofzo?’
 
Beide kinderen mochten de laatste vijf minuten van de les op internet, omdat ze hun taken af hadden. Ze besloten allebei om een online spel te spelen waarbij je een avatar maakt, een digitaal poppetje, dat je allemaal dingen kan laten beleven in dat spel.
 
‘Je bent zelf donker,’ zegt de eerste jongen, nog steeds verontwaardigd, ‘en dan maak je, dan maak je zoiets.’ Hij wijst naar de avatar van het meisje. Zij heeft een blond, blank poppetje gemaakt. De jongen op de computer ernaast heeft ook een ‘witte’ avatar.
‘Jij bent toch zelf bruin! Waarom maak je hem dan wit? Dat is echt raar. Jij bent echt raar. Jullie zijn allebei raar.’
 
Het Hindoestaanse jongetje zegt niks terug, speelt verder. Hij voelt zich duidelijk ongemakkelijk. Het Creoolse meisje draait zich om, kijkt de jongen die haar aanspreekt fel aan.
‘Ik maak lekker zelf uit wat ik doe! Als ik een wit poppetje wil maken, maak ik een wit poppetje. Waar bemoei jij je mee?’
‘Ik vind het gewoon stom. Vind jij je eigen kleur niet mooi? Schaam jij je voor jezelf?’
 
Het meisje snuift en reageert niet meer. Het jongetje schudt zijn hoofd en kijkt me aan.
‘Ik zit ook op dat spel, meester. Maar ik heb een poppetje dat op mij lijkt. Dat is toch logisch?’
 
Ik leg hem dan uit dat, wat mij betreft, iedereen zelf mag uitmaken wat voor avatar hij of zij maakt, in welk spel dan ook.
 
Daarna vraag ik me wel af of ‘witte’ kinderen even vaak ‘donkere’ avatars maken. Maar dat zeg ik niet tegen hem.
Geplaatst op Geef een reactie

Uit

Fred legt het pasje van mijn elektronische deurslot op tafel neer.

‘Sorry,’ zegt hij en hij meent het. Ik begrijp het wel. Hij heeft sinds kort een baby en heeft vast de tijd en energie niet meer om mij vrijwillig te beveiligen, zoals hij het afgelopen jaar heeft gedaan, als enige. Daarom knik ik. Het pasje laat ik liggen. Later vandaag knip ik hem wel in een paar stukken, zoals ik ook de andere pasjes kapot geknipt heb. Vroeger liet ik de pasjes ophalen door het beveiligingsbedrijf, zodat ze door experts vernietigd konden worden, maar sinds ik dat zelf moet betalen, doe ik dat niet meer.

Misschien hebben de kranten gelijk. Dat de beveiliging niet meer nodig is nu ik niet meer in de politiek zit. Ik krijg ook bijna geen doodsbedreigingen meer. Een enkele keer komt er nog een mailtje binnen, maar meestal is het van mafkezen die al tientallen jaren mailen en waar de politie me van durfde te vertellen dat ze geen enkel gevaar vormen. Eén ervan schijnt zelfs in een rolstoel te zitten, zo’n elektrische. Blijkbaar vindt die het nodig om zijn kleine beetje kracht en energie te gebruiken om mij te vertellen hoe hij mij dood gaat maken. Ik lees ze nu helemaal uit, zijn dreigmails. Voelt als vroeger, toen half Nederland bang voor me was en er duizenden mensen een intense haat voor me voelden. Nu niet meer. Nu gaat alle linkse haat naar TB. Niet voor niets zijn de initialen van die fluim van een vent dezelfde als die van tuberculose.

De moslims haten me ook al niet meer. Ze negeren me. Ik krijg geen boze mails meer van Mohammeds en Zakaria’s, geen belerende mailtjes van Fatima’s en Dounias. Niets meer. Sommigen kennen me niet eens meer! Laatst vroeg zo’n kopvodje achter de kassa, niet mijn kassa natuurlijk, no way dat ik me laat helpen door zo’n slavinnetje van Mohamed, ze had het lef om te vragen aan haar collega waar ze me nou van kend.! En die domme muts aan wie ze het vroeg, wist het niet eens! Zo lang is het niet geleden hoor, dat iedereen me kende, tot in de VS aan toe. Ik stond elke week op de voorpagina van alle kranten!

Maar nu is het blijkbaar tijd voor verwijfde mannetjes die alleen maar met hun haar bezig zijn en die duur praten. Kunnen dat de voorvechters zijn voor de Normale Mens? Nee toch? Die weten niet wat er in Henk en Ingrid om gaat. Ik wist dat wel, ik voelde wat er leefde. Sterker nog, als ik iets zei, gingen mensen dat daarna zelf ook voelen! Ik wist niet alleen wat er leefde, niet alleen kon ik het voorspellen, maar ik creëerde het vaak ook. En die laffe Dijkjes en Rutjes en Bumaatjes aapten me na omdat ze het zelf niet konden verzinnen.

De deur valt achter Fred dicht. Ik ben misschien vergeten om hem gedag te zeggen. Dat vergeet ik de laatste tijd wel eens, praten tegen mensen. Dat zei mijn ex laatst tegen me, toen ze langs kwam om nog wat papieren te laten ondertekenen. Dat ik soms vergeet te praten, dat ik alleen maar voor me uit staar. Dan beweegt mijn mond wel alsof ik praat, en mijn handen bewegen ook vaak mee, maar er komt geen geluid meer uit. Alsof ik alle woorden al eens gebruikt heb, tijdens de speeches die ik hield, de interviews die ik gaf, de interrupties in de Tweede Kamer. Ik was jaren lang de meester van de woorden. En nu zijn ze allemaal uit me gevloeid, blijkbaar.
‘Het was eigenlijk niet meer nodig’, zei de man van de politie. ‘Al jaren niet meer.’ ‘Wees blij!’ zei hij. ‘Je kan weer over straat als een normaal mens!’ Maar ik kan dat niet meer. De angst dat er iemand om de hoek komt rennen, zo’n baardaap, of nog erger, zo’n Volkert, blijft knagen. Dat er iemand is die me nog steeds haat, om vroeger. Dat er iemand al jaren wacht tot mijn beveiliging verdwijnt zodat hij kan toeslaan. Ik zie ze nog wel eens, op straat. Van die mensen die mij dood willen hebben. Ik weet het zeker. En daarom doe ik het gewoon niet meer, naar buiten gaan, nu Fred er mee ophoudt. De supermarkt bezorgt mijn boodschappen, dat is veilig genoeg als ze maar geen Marokkanen sturen. En verder vertik ik het om mezelf in gevaar te brengen. Mij krijgen ze niet te pakken! Mij niet! De terroristen zullen me niet te pakken krijgen. Ik blijf binnen. De deur blijft dicht. En niemand komt er in!

Geplaatst op Geef een reactie

Godfried

‘Ik heb het er uitgebreid over gehad met mijn familie en met mijn vrienden,’ zegt ze. ‘En ik heb besloten dat het beter is als we niet meer afspreken alleen, met zijn tweeën bedoel ik. Wel als er andere mensen bij zijn.’

Ik kijk haar aan, verbaasd. We waren bevriend aan het raken, dacht ik. We kennen elkaar via het werk, vonden elkaar in een liefde voor de sprookjes van Godfried Bomans en spraken regelmatig af. Ik was zelfs op bezoek geweest bij haar kerk, een soort geloof dat tussen Christelijk en Joods in leek te hangen. Een oom van haar vroeg mij daar nog:

‘Zo, heb je een moslim binnengebracht om te bekeren? HAHAHAHAHA!’

‘Waarom dan?’

Ze denkt na.

‘Ik, eh… Jij hebt een vriendin. En ik ben single. En ik heb het er over gehad en iedereen vond dat het niet zo gepast was als we met zijn tweetjes afspreken. Als we bijvoorbeeld samen op mijn kamer zitten enzo.’

Ik knik alsof ik het begrijp, maar ik begrijp het niet. Denken die vrienden en familie van haar nou dat ik haar meteen bespring als we alleen zijn? Of dat ze mij bespringt? Een man en een vrouw kunnen toch ook gewoon bevriend zijn? Ineens verdwijnt bij mij de zin om nog met haar af te spreken. Ik vind het stom dat haar omgeving haar hiertoe dwingt, en ik vind het stom dat ze zich laat dwingen. Waarom kan ze niet zelf uitmaken wat ze doet en met wie?

Ik verbreek het contact niet, maar bel haar ook niet meer. Zij belt ook niet. We verdwijnen voor elkaar.

Later raak ik bevriend met moslimmeisjes die met dezelfde sociale regels te maken hebben en begrijp ik haar beter.

Geplaatst op Geef een reactie

Je moeder

‘Weet je wat ik doe? Weet je wat ik ga doen? Ik verkracht je moeder!’ schreeuwt de lange man tegen de kleine man. De lange man wordt in bedwang gehouden door een portier van het hotel waar ze voor staan. De kleine man lacht spottend.

Geplaatst op Geef een reactie

Snotneus

‘Dat is vies papa!’

Ik kijk naar links, waar mijn zoontje ligt. Hij is een uurtje geleden naast ons in bed gekropen, toen weer in slaap gevallen. Nu is hij wakker en kijkt met enige afschuw naar mij.

Mijn vinger zit in mijn neusgat, waar ik net een lastige ochtendpulk uit probeer te halen. Ik haal hem er uit om normaal antwoord te kunnen geven.

‘Nee hoor, dat is heel gewoon, in je neus pulken,’ zeg ik, en ik ga er meteen mee verder om mijn reactie kracht bij te zetten.

‘Ieuw! Getsiedekkie!’ zegt hij.

Hoe komt hij aan die onzin? Heeft zijn moeder hem dat aangepraat? De juffies van de kinderopvang? Ik besluit het hem op de man af te vragen.

‘Wie zegt dat, dat pulken vies is?’

Hij is even stil.

‘Ik,’ zegt hij dan.

Ik haal mijn vinger uit mijn neus. Tegen zoveel logica valt niet op te pulken.

Geplaatst op Geef een reactie

Plasje

Ik kijk de man achter de bar van het Chinese restaurant aan.

‘Kan ik ergens deze luier kwijt?’ vraag ik. ‘Er zit geen poep in hoor, alleen plas.’

De man knikt, pakt een van de zakjes die op een grote stapel klaar ligt voor de mensen die afhaaleten komen ophalen, biedt het open zakje aan. Ik doe netjes de luier er in. Hij knoopt het zakje dicht en kijkt me serieus aan.

‘Om mee te nemen, meneer?’

Ik ben even in war.

‘Wat? Eh.’

Dan breekt er een grote grijns door op zijn gezicht. En ik lach ook. Met een mooi boogje gooit hij het zakje in de vuilnisbak.

‘Tot ziens meneer,’ zegt hij.

Geplaatst op Geef een reactie

Bijdehand

Twee grote, kale mannen met bomberjacks en legerkistjes en tatoeages tot in hun nek voeren een heftige discussie waarbij ze driftig met hun handen zwaaien.

Dichterbij:

Twee dove mannen zijn geanimeerd met elkaar aan het praten.

Geplaatst op Geef een reactie

Zwaargewicht

De jongen die me inwerkt in de lijmfabriek trekt de stalen kar met de enorme zak behangplakpoeder naar de weegschaal die in de vloer is ingebouwd, en ik duw.

‘Zo istie goed,’ zegt hij. Dan kijken we samen naar wat er op de display staat. ‘1050 kg’ Hij wijst op de kar en ik zie een sticker waar ‘50 kilo’ op staat.

‘De kar is vijftig kilo,’ zegt hij. ‘Dat moeten we van het totale gewicht aftrekken.’

Hij wijst op het formulier dat hij in zijn hand heeft naar het vakje waar ‘netto gewicht’ bij staat.

‘En dan moeten we dat daar invullen.’

Hij geeft het formulier en de pen aan mij, en zoekt dan in de laadjes van het kastje dat naast de weegschaal staat. Al snel heeft hij een rekenmachine gevonden. Hij kijkt op de display van de weegschaal, typt dan zorgvuldig 1-0-5-0 op de rekenmachine in. Dan drukt hij op de min, daarna kijkt hij naar de kar, waarna hij 5-0 intypt. Hij leest wat er staat.

‘Duizend kilo,’ zegt hij tegen mij. ‘Schrijf maar op: één, nul, nul, nul.’

Ik kijk naar het blaadje waar ik al gelijk 1000 op had ingevuld toen ik het in handen kreeg. De jongen kijkt me verwachtingsvol aan. Dan schrijf ik netjes één, nul, nul, nul over de cijfers die er al staan. Hij neemt het blaadje over, kijkt en knikt tevreden.

‘Nu vullen we de doosjes,’ zegt hij. ‘Is niet moeilijk hoor. Je leert het zo.’

Geplaatst op Geef een reactie

Oeps

Ze stapt de auto in een zucht diep als ze gaat zitten.

‘Hij zat tóch onderin de luiertas,’ zegt ze tegen mij en onze zoon van drie.

‘Wij hadden het er net over dat je je telefoon was vergeten,’ zeg ik, ‘Kan gebeuren! Oeps!’

‘Ja,’ zegt de kleine man achterin de auto. ‘Ik was laatst ook mijn telefoon vergeten, op mijn werk. Oeps! Kan gebeuren.’

En dan zucht hij, net als zijn moeder.

Geplaatst op Geef een reactie

Kutchinees

Ik woonde vroeger als een van de weinige Koreanen in een wijk vol Turken, Marokkanen, Surinamers, Antillianen en Nederlanders. Nou ja, Koreaan, geadopteerd. Wat ik mezelf eigenlijk moet noemen, weet ik niet. Koreaans uitziende blanke? Korekaaskop? Geen idee.

Het was een niet al te beste buurt. Er waren dealers (uit alle bevolkingsgroepen, drugs doen aan geld, niet aan afkomst). Er waren zelfs ook groepen jongens die zich ‘bendes’ noemden. Niet dat dat veel voorstelde, ze verdeelden alleen maar de straten in de wijk om daar een beetje stoer te kunnen doen, vooral om elkaar uit te dagen. Ik kon er gewoon tussendoor lopen als ze op de hoek van de straat hingen, maar de postbode, kinderen die tikkertje speelden en bejaarde dametjes met hun boodschappen ook.

Tot die ene dag. Ik kwam net mijn huis uit, deed de deur op het slot, de sleutels in mijn tas, rits dicht. Ik keek links. Vijftig dreigend kijkende Nederlandse jongens van de straat achter mijn huis stonden op twintig meter afstand. Ik keek naar rechts. Vijftig dreigend kijkende Turkse jongens van de straat tegenover mijn huis. Gelukkig ben ik geen Turk of Nederlander, dacht ik toen. Al die jongens weten vast dat ik niet bij de andere ‘bende’ hoor. Laat ze maar lekker ruzie maken met elkaar. Als ik weg ben natuurlijk. Ik zette een stap om de straat over te steken zodat ik niet tussen de twee partijen in stond.

Op dat moment riep één van de Nederlanders: ‘Pak die kutchinees!’ En alle Nederlanders begonnen te rennen.

Ik rende weg, met mijn tas in mijn hand, iedereen rende achter me aan. Ik wist uiteindelijk niet eens of ze achter mij aan kwamen of achter de andere bende, maar uiteindelijk renden er honderd jongens achter me aan, straat na straat. Gelukkig sprong ik op tijd in een bus waarvan de deuren net dicht gingen.

Toen ik achterom keek, zag ik dat beide bendes een beetje ongemakkelijk om zich heen en naar elkaar keken. Ze hadden blijkbaar geen zin meer in ruzie. Dit was hun buurt niet. Van de straathoeken werden ze aangekeken door de Surinaams-Marokkaanse bende die daar de ‘baas’ was. Dat alle jongens zich verspreidden over winkels en door straatjes was het laatste wat ik zag voordat de bus de hoek om ging.

Ik heb daarna nooit last van die gastjes gehad. Maar ik kijk nu wel altijd goed om me heen voordat ik mijn voordeur op slot doe.

Geplaatst op Geef een reactie

Gezeik

‘Geef je portemonnee!’ zegt de junk die zenuwachtig naar links en rechts kijkt. Ik weet niet wat ik nu moet doen. Dan vraag ik het maar, heel voorzichtig.

‘Mag ik misschien eerst even doorplassen en dan mijn piemel in mijn broek terug stoppen?’

Hij aarzelt even. Dan knikt hij.

‘Snel dan.’

‘Bedankt,’ zeg ik. Daarna doe ik het meest ongemakkelijke plasje ooit, met een junk die controleert of ik wel opschiet met afschudden.

En als ik hem mijn telefoon en portemonnee geef, merk ik dat ik ook nog niet eens goed heb afgeschud. Ook dát nog, zo’n vervelende natte plek in mijn onderbroek. Wat een klotenacht.

Geplaatst op Geef een reactie

Vijf

Tientallen kinderen rennen langs de tafel. De school gaat uit, sommige kinderen verzamelen zich bij hun opvangjuf, anderen gaan naar hun ouders en een enkeling staat bij mijn tafel te wachten tot ik ze meeneem naar de les.

Een van de opvangjongetjes, een ventje van zes jaar, komt nu al voor de derde keer bij me staan om me aan te kijken.

‘Geef me de vijf!’ zeg ik vrolijk en ik steek mijn hand uit. Ik krijg het zachtste handje dat ik ooit heb gevoeld. Ik kijk. Twee vingers heeft hij maar, die tegenover elkaar aan zijn handpalm zitten als een soort kreeftenklauwtje.

Ik kijk weer naar zijn glimlachende gezicht. Dan laat hij los en rent met de andere opvangkinderen mee totdat hun juf ze naar buiten herdert.

‘Geef me de vijf’. Stomme ik.

Geplaatst op Geef een reactie

Nog ééntje dan.

‘Tsja,’ zegt ze, ‘Als je het echt zo lastig vindt om te bepalen waar onze, hoe zal ik het noemen, ‘relatie’ naartoe gaat, dan is het misschien maar beter als we er mee stoppen.’

Ik kijk nog steeds zo bedrukt mogelijk naar de grond, knik.

Even zit ze stil naast me. Dat heeft ze nog niet eerder gedaan, de afgelopen twee weken, tijdens onze ‘relatie’.

Dan aait ze zachtjes over mijn rug, buigt zich naar me en kust op mijn wang. Ze aarzelt even en blaast dan zachtjes in mijn oor. Onwillekeurig gaat er een rilling over mijn rug.

Ze staat op en pakt mijn hand beet. Ze kijkt ondeugend.

‘Maar je gaat niet bij me weg zonder goede afscheidsseks!’

‘Vooruit dan maar,’ zeg ik en ze lacht terwijl ze me meevoert naar haar slaapkamertje.

Het doel deze middag was uitmaken zonder drama, het liefst door er voor te zorgen dat ze het zelf uitmaakte. Daar mocht ik al heel tevreden over zijn. Maar ook nog seks als bonus! Met een goed excuus om direct daarna weg te gaan!

Ze kijkt naar me als ze haar t-shirt naast het bed laat vallen.

‘Wat kijk je ondeugend,’ zegt ze. Dan pak ik haar beet en kus haar, om verder niets te hoeven zeggen.

Geplaatst op Geef een reactie

Gelukkig géén Marokkanen

‘Het waren géén Marokkanen,’ zeg ik tegen de agent. ‘Dat weet ik zeker.’

De agent knikt en schrijft het op in zijn boekje. Achter hem zie ik de ambulance aan komen rijden. Geen zwaailichten of sirenes, geen haast.

‘Kan je ze verder beschrijven?’ vraagt de agent.

Ik aarzel. Daar moet ik écht over nadenken.

‘Lang,’ zeg ik dan, ‘ze waren lang. Langer dan ik in ieder geval.’ Ik doe een stap naar het grote raam van ons jongerencentrum waar we voor staan. Het raam waar een half uur geleden twee buurtjongetjes op bonkten om ons te waarschuwen.

‘Ze liepen hier langs,’ zeg ik en ik wijs op de bovenkant van de letters. ‘De langste was zo lang, de andere twee kwamen tot hier,’ en ik wijs op de onderkant van letters.

De agent knikt, schrijft op. ‘Eén meter negentig de langste, de andere twee één meter tachtig,’ zegt hij.

Ik knik, dat kan wel kloppen. De ambulancebroeders stappen uit en lopen langs de wagen van de forensische dienst naar het huis van Oma Annie. Ze praten rustig met de agent die achter het afzetlint staat bij de voordeur.

De agent waar ik mee praat, stelt slimme vragen over de mutsen en sjaals, jassen en schoenen van de mannen. Deze vragen zorgen ervoor dat er meer details naar boven komen dan ik me dacht te herinneren. Ik geef overal rustig antwoord op, maar elke keer als hij aan het opschrijven is, denk ik maar aan één ding. Dat ik zo blij ben dat het geen Marokkanen waren. En daar schaam ik me voor. Hun nationaliteit is toch niet zo belangrijk? Het gaat toch om die lieve Oma Annie, die vastgebonden werd in haar stoel door die drie overvallers? Wat zo traumatisch was dat ze er door stierf? Toch blijft de wrange blijdschap bij mij naar boven komen. En niet eens omdat ik zelf Marokkaan ben, dat deze keer de mensen niet kunnen zeggen dat het ‘iemand van jullie’ is. Eerder dat we al zó vaak met politie praten over de 16+ jongeren die in ons centrum komen. Een groot deel ervan is al in aanraking geweest met politie en justitie. Ik hoef me eindelijk een keer niet half verantwoordelijk te voelen voor onze jongens. Daar komt de blijdschap vandaan.

De ambulancebroeders zijn in de tijd dat ik buiten aan het praten was naar binnen gegaan met al hun spullen en het ambulancebed. De forensische recherche is nog steeds binnen aan het werk als de ambulancebroeders naar buiten komen met een afgedekt lichaam op het opvouwbed. Oma Annie was 93, dus ze wist dat ze niet meer zo lang had. Maar dat ze zó zou gaan, had ze vast niet gedacht.

Een van mijn collega’s komt er bij staan. De agent zet een streep in zijn boekje, kijkt me aan en geeft me een kaartje.

‘Als je je nog iets kan herinneren, laat je dat dan weten? Ook al denk je dat het onbelangrijk is. Alles kan helpen.’ Ik knik.

De agent kijkt mijn collega aan, vraagt zijn naam en schrijft deze op.

‘Wat kan je je herinneren van de mannen die langs het centrum liepen?’ vraagt de agent.

‘Het waren in ieder geval geen Marokkanen,’ zegt mijn collega. De agent schrijft het op.

‘Kan je ze verder beschrijven?’ vraagt hij dan en mijn collega vertelt.

Oma Annie wordt in de ambulance gedragen. Ze verdwijnt in de nacht, uit de buurt waar ze sinds de jaren vijftig heeft gewoond. Ik ben blij dat de laatste mensen die ze in haar leven heeft gezien, de mensen die haar zo’n doodsangst hebben ingejaagd, in ieder geval geen Marokkanen waren. En weer schaam ik me voor die gedachte.