Geplaatst op Geef een reactie

Slapeloos

Mijn oudste komt de slaapkamer binnen, om vier uur in de nacht. Hij is deze week al vaker bij ons komen liggen, misschien onrustig omdat hij na twee maanden thuisonderwijs weer naar school moet. Hij heeft enge dromen, vertelt hij, maar we weten niet waarover. Ik maak me er zorgen. Nachtmerries over de Witcher 3, waar hij vaak naast me zat en stukjes meespeelde? De filmpjes over een of andere ‘granny’ die ‘I see you’ zegt, op youtube? Stopmotion zombie-lego filmpjes? Laten we deze 7 jarige jongen té enge dingen zien?

Hij kruipt over ons bed, ik doe het dekbed open om hem tussen ons in te leggen.

‘Had je een enge droom?’ vraag ik. Hij knikt.

‘Waar ging het over?’

‘Ik werd overreden door een bus,’ zegt hij.

GELUKKIG MAAR! We zijn geen slechte ouders.

We vallen snel weer in slaap.

 

Geplaatst op Geef een reactie

Oorlogsdans

Mijn dochter van veertien maanden kijkt naar de reus van twee jaar die naast haar is komen staan bij de deur van het speelhuisje. Hij kijkt terug, duwt haar dan. Ze valt op haar bips. Dan trekt hij nog even aan haar haar. Ze kijkt vragend naar ons, met een beginnend huil-lipje. Ik kijk naar mijn zoontje van vier die iets verderop alles al had gadegeslagen.

‘Ga jij je zusje eens even helpen?’ zeg ik tegen hem. Hij stapt van zijn speelauto en loopt vastberaden op ze af.

Mijn zoontje gaat tussen zijn zusje en het jongetje staan, steekt een waarschuwend vingertje op, zegt iets tegen het ventje. Die kijkt hem verbaasd aan, zegt iets terug en doet dan een stapje opzij. Mijn zoontje stapt mee, zodat hij tussen het ventje en zijn zusje blijft staan. Ik merk dat zijn schouders gebogen zijn, zijn lichaam gespannen, hij kijkt het jongetje doordringend aan. Het verbaasd kijkende ventje doet weer een stap en nog eentje, mijn zoon blijft meelopen. Zijn zusje kijkt met grote ogen naar de oorlogsdans die zich voor haar afspeelt. Dan draait het jongetje zich om en kruipt het speelhuisje in.

‘Kom maar mee,’ zegt grote broer tegen zijn zusje en hij pakt haar hand beet. Ze staat op en samen lopen ze naar het hobbelpaard waar ze blij op gaat zitten. Hij loopt naar me toe.

‘Dat jongetje gaf haar een duw en trekte aan haar haar!’

‘Trok hij aan haar haar?’ zeg ik. ‘Dat is ook niet aardig.’

‘Ja en toen zei ik, je mag haar niet meer duwen hoor, en toen zei hij ‘nee!’ Hij had ja moeten zeggen!’

Ik heb geen idee hoe ik moet uitleggen dat de formulering van zijn opmerking bij een jongetje van twee de mogelijkheid gaf om zowel met ‘ja’ als ‘nee’ te antwoorden, dus ik aai hem maar over zijn krullen.

‘Je bent een goede broer,’ zeg ik. Hij glimlacht.

Geplaatst op Geef een reactie

Billen Likken

‘Oh shit,’ zegt mijn zoontje.

Wij kijken elkaar aan, mijn vriendin zucht. ‘Die heeft hij van mij,’ zegt ze.

‘Jij moet even je mond houden!’ zegt mijn zoontje met een boze stem tegen zijn zusje. Zijn zusje lacht kirrend.

‘Dat heeft hij van mij,’ geef ik toe.

‘Lekker met je dikke billen…lalalaaah, je moet die dikke billen likken!’ zegt mijn zoontje tijdens het spelen.

We kijken elkaar verbaasd aan.

‘Dat moet hij van een klasgenootje hebben geleerd,’ zegt mijn vriendin dan. We glimlachen en zijn opgelucht. Sinds hij op school zit en bij vriendjes speelt, hoeven we ons niet meer over al zijn stoute uitspraken schuldig te voelen.

Geplaatst op Geef een reactie

Blok

Met mijn tenen pak ik het Duploblokje beet. Ik kijk naar de plastic bak waar het in moet. Mijn vriendin staat in de weg.

‘Ga eens aan de kant schat?’ zeg ik tegen haar. Ze doet een stap opzij en ik werp het blokje met een mooie boog in de speelgoedkist.

‘Yeah, bitches,’ zeg ik zachtjes. Ik ben heel erg tevreden met mezelf. Dan pak ik een volgend Duploblokje met mijn tenen beet. Mijn zoontje, die er vlak naast aan het spelen is, staat op en duwt zijn moeder aan de kant.

‘Aan de kant mama! Papa gaat weer met bitches gooien!’

Geplaatst op Geef een reactie

Dikke Piemel

‘Lesgeven aan groep 1 en 2 is echt anders,’ zeg ik tegen de juf die morgen voor mijn organisatie gaat invallen op een school in Oud West. Ik sta in de tuin, omdat ik binnen slecht bereik heb. Het regent een heel klein beetje.

‘Die kleintjes luisteren zeker niet altijd meteen, zitten vaak te wiebelen op hun stoel of laten zich er vanaf glijden, wat ze dan natuurlijk hilarisch vinden.’

Mijn zoontje van vier is binnen met zijn zusje en moeder. Hij zwaait naar me, ik zwaai terug en kijk dan de andere kant op omdat ik niet afgeleid wil worden tijdens het gesprek.

‘Vandaag was ik bij jouw collega, die ook groep 1 en 2 heeft. Net toen ze de kinderen stil wilde krijgen riep een van de jongetjes keihard: ‘Ik heb een dikke piemel!’

Dan realiseer ik me dat mijn zoontje de deur heeft opengedaan, vlak voordat de laatste twee woorden mijn mond verlieten. Ik draai me om. Hij heeft zijn ogen wijd opengesperd, en langzaam verspreid zich een enorme glimlach over zijn gezicht.

‘Dikke piemel!’ roept hij. ‘Mama, mama, papa zegt: dikke piemel!’

Hij begint keihard te lachen, houdt dan even zijn hand voor zijn mond, lacht dan weer verder.

‘Even wachten,’ zeg ik tegen de juf. ‘Mijn zoontje hoorde wat ik zei.’

Ze lacht.

Ik doe de deur dicht. Door het raam zie ik dat hij nog steeds keihard lacht. Mijn vriendin lacht ook.

 

Als ik hem in bed leg, vraag ik of hij een leuke dag heeft gehad.

‘Papa zei piemel!’ zegt hij en weer lacht hij hard.

Geplaatst op Geef een reactie

Nat gaan

Mijn vriendin straalt bij de gedachte aan het verhaal dat ze gaat vertellen over ons zoontje van 4. Ze speelt het gesprekje na dat ze met hem had eerder vandaag.
‘Wat heb je op school gedaan?’ vroeg ik.
‘De juf en ik zijn in de sloot gesprongen, samen,’ zei hij.
‘Je gaat toch niet zo maar in de sloot springen?’ zei ik toen, en toen zei hij:
‘Nee hoor, juf en ik hadden eerst al onze kleren uitgedaan.’
‘Grappig hè!’ zegt ze. ‘Toen we naar huis fietsten, zei hij halverwege: Daar mama, in die sloot waren we gesprongen, de juf en ik. Waar dat ventje dat toch allemaal vandaan haalt?’

Ik vraag me af: was het de juf van 22 of de juf van boven de 50, die bloot met mijn zoontje in het water sprong? Meteen schaam ik me. Het was een verzonnen verhaal, en dit is niet relevant. Ik probeer de gedachte weg te lachen.
‘Ja, waar haalt hij het allemaal vandaan,’ zeg ik.
‘Hij heeft echt jouw fantasie,’ zegt ze en ik dan lach ik echt.

Geplaatst op Geef een reactie

Spelt

‘Mevrouw, u mag de geiten geen brood geven,’ zeg ik, wijzend op het bord van de kinderboerderij waar op staat dat alle dieren hun eigen dieet hebben. Ze houdt haar hand even stil, haalt het stuk brood nog niet helemaal uit het plastic zakje.

‘Het is speltbrood, dus gezond,’ lacht ze dan, maar ze stopt het brood terug.

Even later zie ik dat ze het brood aan haar kinderen geeft, die alsnog de geiten voeren.

Geplaatst op Geef een reactie

Spoef

Het gekookte ei ontsnapt aan de vingers van mijn tweejarige zoontje en rolt van tafel, zo op de grond.

‘Kuh!’ zegt hij hartgrondig.

De oude heer die met mijn vriendin aan het praten is, hoort het niet. Mijn vriendin en ik wel.

Sinds die tijd schelden we met het woord: ‘Spoef!

Meestal dan.

Geplaatst op Geef een reactie

Taartje

‘Kijk papa, een taartje! Voor jou,’ zegt het vierjarige meisje tegen haar vader die net komt aanfietsen in de speeltuin. Hij stapt af, geeft haar een kus en kijkt bewonderend naar het zandtaartje.

Dan wijst ze naar een andere zandvorm op de betonnen rand van de zandbak.

‘Dit is een glutenvrije cake.’

Haar moeder klapt opgewonden in haar handen.

‘Die is voor mij zeker?’ En haar dochter knikt, trots.

Geplaatst op Geef een reactie

Veilig

Een grote man in een net pak haalt gehaast andere fietsers in op een druk kruispunt.

‘Zit je er nog?’ roept hij naar achter, zonder om te kijken.

‘Ja hoor!’ roept het meisje van drie met de roze schoentjes vrolijk. Ze houdt de bagagedrager, waar ze op zit zonder riempjes of stoeltje, zo stevig mogelijk vast.

Geplaatst op Geef een reactie

Geworpen

Ik heb een stuiver in mijn hand. Zo meteen komt hij, en ik heb hem al heel lang niet gezien, al een paar jaar niet. En ik weet niet hoe ik hem moet noemen.

We zijn al een tijd geleden verhuisd naar dit kleine dorp. Daarvoor ging ik al niet zo vaak bij hem langs, in de hoge flat met de glazen muur tussen de woonkamer en de keuken. Wij waren in het oude huis met de kleine kamers gebleven. Ik kreeg playmobiel toen ik in de flat op bezoek kwam, dat weet ik nog, maar wist niet wat ik daar moest doen toen ik het doosje eenmaal open had.

Kop is ‘papa’ en munt is ‘zijn-naam’, beslis ik.

Er kwam een andere man bij ons wonen, en die zei dat hij wel vader wilde zijn. Soms noemde ik hem al papa, per ongeluk. Steeds vaker, eigenlijk. En nu komt de man langs tegen wie ik vroeger altijd papa zei. Ik weet niet wie ik vandaag zo moet noemen. Allebei, dat kan niet natuurlijk, dat zou heel raar zijn. Maar geen van beide, dat is ook heel erg raar. En misschien zijn ze dan beledigd!

Ik gooi de munt.

Wat ik gooide weet ik niet meer, maar wel dat ik meteen besloot om me er niet aan te houden.

Geplaatst op Geef een reactie

De Eerlijke Dief

‘Deze doos met Lego ga ik zometeen stelen’, zeg ik tegen de manager van de V&D die ik heb laten halen door de beveiliger. De beveiliger doet meteen een stap naar links om de route naar de draaideur te blokkeren, en doet zijn armen over elkaar. De manager kijkt niet-begrijpend van de doos met de lego-politieset naar mij.

‘De zoon van mijn vrouw is jarig. En we hebben geen geld.’

Nu zucht de manager, kijkt even weg.

‘We zijn freelancers. Er komt wel geld aan hoor, waarschijnlijk volgende week al! Maar morgen is hij al jarig.’

‘Als we hier aan beginnen meneer…,’ zegt de manager.

‘Ik kom natuurlijk betalen, later’ zeg ik. Ik geef de manager mijn paspoort.

‘Dan weet u wie ik ben, en weet u zeker dat ik terug kom,’ zeg ik.

De manager schudt zijn hoofd.

‘Dan moet ik hem stelen,’ zeg ik.

‘Dan bellen wij de politie,’ zegt de manager.

‘Zit ik in de cel, als die kleine jarig is, heeft hij geen cadeautje, en geen vader.’

‘Uw probleem, meneer,’ zegt de manager.

Ik denk even na.

‘U weet niet wanneer ik deze doos ga stelen. Misschien nu, misschien over drie uur. Blijft hij al die tijd naar mij kijken?’ Ik kijk naar de beveiliger. Hij ziet eruit alsof hij rustig duizend jaar naar een bakstenen muur kan kijken.

‘Dat is zijn probleem, niet de mijne’ zegt de manager. Hij geeft mijn paspoort aan de beveiliger, gebaart dat hij mij de winkel uit moet zetten.

De beveiliger kijkt even naar de manager, lijkt ergens over te twijfelen, doet dan een stap mijn kant op. Zijn ene hand legt hij op mijn schouder, zijn andere hand pakt de politieset af en legt het netjes in het schap terug, bij de andere politieauto’s.

We staan buiten. Ik kijk naar het stuk inpakpapier dat de beveiliger heeft afgescheurd van de rol die bij de inpakbalie hangt. Hij geeft het aan me.

‘Neem de streepjescode van de doos mee als je komt betalen,’ zegt hij. Ik bloos.

‘Hoe wist je het?’ zeg ik.

Hij klopt op mijn rug, waar een lego-brandweerauto verstopt zit, onder mijn jas.

‘Alles was net gespiegeld meneer. Er misten een politie-auto èn een brandweerauto.’

Ik wil zijn hand schudden, hij weigert het.

‘En als je niet komt betalen, zoek ik je op, en krijg je een pak slaag,’ zegt hij.

Ik knik.

Lijkt me wel zo eerlijk.

Geplaatst op Geef een reactie

Gesmeerd

Annie heeft nog een man. De meeste huizen waar ik schoonmaak zijn van oudere dames die al tientallen jaren weduwe zijn, maar zij woont nog steeds samen met haar Piet. In de drie uur dat ik in hun huis ben, komt hij niet uit zijn stoel in de woonkamer, waar hij rustig een krantje leest of met zijn ogen dicht zit.

Zij achtervolgt me overal in huis en vertelt me hoe ik alles moet doen, welk schoonmaakmiddel ik moet gebruiken voor de ramen, en hoe ik stof moet afnemen bovenop de kast. Ik doe dit werk al jaren, maar in discussie gaan met iemand die iets al zestig jaar op een bepaalde manier doet, werkt niet. En misschien is haar manier wel de beste manier.

De koffie staat klaar, met een koekje. We praten in de woonkamer, de Amsterdamse dame en ik, en ik vertel dat mijn vriendin zes maanden zwanger is.

‘Ik hoop maar dat de bevalling meevalt,’ zeg ik, ‘ik moet er niet aan denken dat mijn vriendin 36 uur pijn heeft, of dat er een keizersnede moet komen of zo’n zuigding.’

‘Mijn bevalling was een makkie,’ zegt ze.

Dan kijkt ze even naar Piet, en grijnst.

‘Piet hield me namelijk héél goed doorgesmeerd toen ik zwanger was. De kleine floepte er zo uit!’

‘Ghegheghe,’ lacht Piet met zijn dichte ogen.

En als ik door krijg wat ze precies bedoelt, lach ik ook, maar wel een beetje ongemakkelijk.

Drie maanden later verloopt onze bevalling ook heel gesmeerd.

Geplaatst op Geef een reactie

Ruilen

Ik laat de kapotte boodschappentas op de grond vallen, zet mijn schreeuwende peuter op de kassabalie. De meisjes van de Blokker die met elkaar aan het kletsen waren, kijken ons aan.

‘Ik kom hem ruilen,’ zeg ik, ‘hij luistert niet.’

De kleine is stil geworden van de aandacht.

‘Nou meneer, dat kan hoor,’ zegt het ene meisje, giechelig, ‘wat wilt u dan meenemen?’

‘Maakt mij niet uit’, zeg ik, ‘wat jullie ervoor willen geven.’

‘Nou,’ zegt het andere meisje, ‘U mag mij wel meenemen naar huis.’

Even ben ik stil.

‘Uhm,’ zeg ik.

Dan besluit ik toch alleen maar een stevige boodschappentas te kopen.

Geplaatst op Geef een reactie

Kop

Ik schenk de jonge jongen die de laatste maanden elke dag langskomt nog wat koffie in. Ik vraag niet eens meer of hij hoeft, hij zegt toch altijd ja. In het begin vond ik hem een beetje maf, vooral omdat hij vaak naar me keek. En hoewel ik geen lelijke vrouw ben, ben ik wel twee keer zo oud. Ik heb niet de illusie dat jongens van zijn leeftijd interesse in me hebben. En trouwens, ik heb al jaren geen interesse meer in een relatie. Af en toe seks vind ik prima, als het maar niet met iemand van het koffiehuis is.

De laatste weken stelt de jongen steeds vaker vragen. Eerst g ewone vragen, onopvallende vragen, maar steeds vaker persoonlijke vragen. Hoe ik heet, was de eerste vraag, en waarom ik hier werk, daar begon het mee. Maar drie dagen geleden vroeg hij hoe mijn ouders heetten en of ik uit deze stad kwam. Op sommige vragen gaf ik hem antwoord, op andere vragen kreeg hij alleen mijn scheve glimlach. Hij vroeg dan niet verder.

Bij andere mensen zou ik het vervelend, bedreigend zelfs, hebben gevonden als iemand me dit soort dingen zou vragen. Bij hem lukt me dat niet zo. Hij voelt heel vertrouwd, maar ik weet niet waarom. Misschien omdat hij gek genoeg dezelfde soort lichtblauwe ogen heeft als ik, zodat ik soms het idee krijg dat ik naar mijn eigen ogen in de spiegel kijk. Totdat ik natuurlijk uitzoom en zijn frisse gezicht zie en niet mijn gerimpelde kop met dat lelijke litteken erop. Net te ver buiten de haarlijn om goed te verbergen, zelfs met een lange pony. En ponys staan mij niet.

Eén dag was hij er niet, terwijl ik wel op hem gerekend had. Ik miste die mafkees wel een beetje. Even dacht ik dat hij niet meer terug zou komen, dat hij mij alleen maar met al die vragen had lastig gevallen voor een project van school ofzo. Of een schrijfopdracht. Dat ik misschien over een paar jaar ineens een kort verhaal van een jonge schrijver lees waarin ik mezelf herken. Maar de dag erna was hij er gewoon weer.

‘Ik ben twee keer geboren,’ vertelde ik toen hij me vroeg waar ik geboren was, ‘welke wil je weten?’
Allebei zei hij.
‘De eerste keer was uit mijn moeder, zo’n veertig jaar geleden. De tweede keer was toen ik wakker werd in het ziekenhuis in de bergen. Ik had daar een jaar in coma gelegen na het auto-ongeluk waar mijn vriendje bij overleed. Dom, dronken vriendje. En domme ik, die hem geloofde toen hij zei dat hij nog wel kon rijden. Toen ik wakker werd, was ik mezelf niet meer, dat wist ik. De oude ik was dood en er was een nieuwe ik geboren.’

Hij keek me aan alsof hij me begreep. En daardoor, èn doordat hij al weken vragen stelde, ben ik gewoon verder gegaan met praten. Terwijl mijn collega’s zouden zeggen dat ik nogal zwijgzaam ben. Misschien was dat de oude ik, van voor het ongeluk. Misschien was de oude ik een kletskous en was ze even wakker.
‘Weet je wat ik nou het meest verdrietig vond?’ zei ik tegen de jongen. ‘Dat de ouders van mijn liefje mij nooit meer wilden zien. Dat ze verhuisd waren nadat hun zoon was overleden begreep ik nog. Dat ze nooit meer in de stad wilden zijn waar elke winkel en elk gebouw hen aan hun enige kind zou laten denken, begreep ik ook nog wel. Maar dat ze mij nooit meer wilden zien, dat deed me wel zeer. Ik wist wel dat ze me niet goed genoeg vonden voor hem. Hij was voorbestemd om grote dingen te gaan presteren. Misschien wel senator worden, net als zijn opa, of gewoon drie fabrieken aansturen net als zijn pa. En ik was natuurlijk een meisje uit de trailers aan de verkeerde kant van het spoor. Dat wist ik wel. Maar toen ik uit de coma ontwaakte, was voor mij het ongeluk nog maar net gebeurd. Ik had mijn allereerste en enige grote liefde die dag ervoor nog in mijn armen gehouden. Voor mij was alles nog vers, alle pijn rauw. Ik wist zeker dat zijn ouders de enige waren die evenveel pijn hadden gehad als ik. Niemand anders had zoveel van hem gehouden als ik, behalve zijn vader en moeder. Ik wilde zó graag weten hoe zij het hadden overleefd, die pijn en dat verdriet. Ik wilde zo graag weten hoe ik het moest overleven… Maar ze hielden alle contact af. En dat terwijl ze me wel in een hartstikke duur privé-ziekenhuis hadden laten verplegen toen ik in coma lag. Mijn familie had dat nooit kunnen betalen.’

Ik zweeg even. In mijn ooghoek zag ik een man die zin had in koffie. Maar ik bleef staan bij de jongen, met de pot kouder wordende koffie in mijn hand.

‘Misschien verweten ze me wel dat ik samen met hem dronken was geworden die nacht. En dat terwijl zijn moeder een enorme zuipschuit was! Hoe vaak die aangehouden is door de politie omdat ze bezopen in de auto zat, niet te tellen. Drie keer een ongeluk veroorzaakt. Maar nooit problemen mee gekregen hè, nee haar man en schoonvader veegden alles netjes onder het tapijt.’
En toen lachte de jongen.
‘Ze drinkt nog steeds te veel,’ zei hij toen. ‘En ik ergerde me daar altijd aan, tot drie maanden geleden. Toen was ze zó dronken dat ze het verklapte. Het grote geheim van de familie. Ze zei altijd dat mijn ouders een ongeluk hadden gehad. Ze zei ook altijd dat ze allebei waren overleden. Maar sinds die avond wist ik dat dat niet waar is. En toen ben ik gaan zoeken en heb ik je gevonden.’

Ik ben maar even gaan zitten. Met de koffiepot nog in mijn hand, nota bene.
‘Hey mam,’ zei hij toen.

Geplaatst op Geef een reactie

Snotneus

‘Dat is vies papa!’

Ik kijk naar links, waar mijn zoontje ligt. Hij is een uurtje geleden naast ons in bed gekropen, toen weer in slaap gevallen. Nu is hij wakker en kijkt met enige afschuw naar mij.

Mijn vinger zit in mijn neusgat, waar ik net een lastige ochtendpulk uit probeer te halen. Ik haal hem er uit om normaal antwoord te kunnen geven.

‘Nee hoor, dat is heel gewoon, in je neus pulken,’ zeg ik, en ik ga er meteen mee verder om mijn reactie kracht bij te zetten.

‘Ieuw! Getsiedekkie!’ zegt hij.

Hoe komt hij aan die onzin? Heeft zijn moeder hem dat aangepraat? De juffies van de kinderopvang? Ik besluit het hem op de man af te vragen.

‘Wie zegt dat, dat pulken vies is?’

Hij is even stil.

‘Ik,’ zegt hij dan.

Ik haal mijn vinger uit mijn neus. Tegen zoveel logica valt niet op te pulken.