Geplaatst op Geef een reactie

de Huilziekte

‘We waren ervoor gewaarschuwd, dat het virus dat de wereld al maandenlang in zijn greep had, kon muteren. De meeste landen deden hun uiterste best om de pandemie te bedwingen, maar één land deed dat niet, in één groot land kon de ziekte ongelimiteerd huishouden. En daar muteerde de ziekte, daar veranderde het in een monster die de hele wereld definitief op zijn knieën kreeg.

Natuurlijk vielen de meeste doden tijdens de Grootste Oorlog, die met kogels begon maar met atoomwapens eindigde, en die voor het eerst geen overwinnaar opleverde, geen land of regio die de macht kon grijpen toen de stofwolken neerdaalden. Vooral omdat het jaren duurde voordat de stofdeeltjes uit de lucht verdwenen en ook omdat deze deeltjes vaak radioactief waren. Er was weinig wereld meer om de baas over te zijn.

Toch werden de meeste tranen gelaten tijdens de tweede fase van de pandemie, die de ‘Amerikaanse Griep’ werd genoemd maar later een nieuwe naam kreeg: de ‘Huilziekte’ en in het Engels de ‘Crying Disease’. Deze naam paste om twee redenen perfect. Ten eerste omdat mensen die ziek waren dagenlang tranende ogen hadden, naast een snotneus en een pijnlijke keel: deze variant deed ook iets met de traanbuisjes. De tweede reden was dat deze keer niet de oude mensen, de mensen met ernstige ziektes, de mensen met overgewicht het slachtoffer werden, maar juist de jongste mensen, de gezonde kindjes, van pasgeborenen tot tieners, waardoor ouders en grootouders, broers en zussen, neven en nichten, ooms en tantes, vrienden en vriendinnen oneindig hard huilden, oneindig lang.

Het begon met een paar gevallen in het zuiden van de VS. Een klein aantal kinderen werd ziek en overleed na een paar weken, gestikt in snot, nat van tranen. Door de gebrekkige registratie en overbelaste medische zorg in dat gebied, én omdat iedereen er vanuit ging dat kinderen helemaal niet zo erg ziek konden worden, had niemand door wat er aan de hand was, dat het een nieuwe variant was van de gevreesde ziekte en dus een groot gevaar. Er werden geen extra maatregelen genomen, geen scholen gesloten, geen speeltuinen afgezet, geen treinen en bussen tegengehouden, geen boten aan de ketting gelegd. Het land ging gewoon door, bereidde zich voor op de verkiezingen, vol angst dat de president het land ten gronde zou richten voor of vlak na de verkiezingstijd. Dáár ging alle aandacht naar uit, van de sociale en oude media, dáár sprak iedereen over. En buiten het land waren er nog geen gevallen van jonge slachtoffers, alleen oudere mensen en zieke mensen die de pech hadden om in de buurt te komen van onvoorzichtige, onverschillige of onhandige mensen.

Het kindje van een beroemde acteur ging dood en er kwam een beetje aandacht. Toen overleden twee kleinkinderen van een politicus en toen nóg een paar kinderen waar mensen even van opschrokken, van rijke mensen die weleens in het nieuws waren, niet de onbekende arme kinderen in het oorspronkelijke besmettingsgebied. De media keken ernaar, kort, bespraken het, vergaten het weer tijdens de gewelddadige verkiezingsmaand. Het aantal zieken groeide snel, omdat de ziekte niet van aandacht leefde, maar juist door genegeerd worden kon groeien. Honderden kinderen raakten besmet, via hun ouders, vrienden, op scholen, bij sportverenigingen, maar de verkiezingsuitslag was niet naar de zin van de ene partij en die dreigde met een opstand. De aandacht viel nog niet op de nieuwe variant van de ziekte, ook al probeerden sommige artsen en wetenschappers er wanhopig aandacht voor te vragen. Een paar oplettende mensen kregen door wat er aan de hand was: specialisten in dienst van de 1 procent. Ze informeerden hun bazen en deze rijke mensen vlogen weg naar hun huizen in Europa, naar bunkers diep in bossen of op eilanden ver weg, namen de ziekte mee zonder dat ze het wisten, besmetten de lokale bevolking. En daar waren wél mensen die opletten, die merkten wat er gebeurde. Voordat in de VS duidelijk werd dat er een mutatie was die kinderen trof, sloten steeds meer landen zich af voor toeristen of medische vluchtelingen uit dat land, en toen ook voor álle mensen uit álle landen. Grensversperringen werden opgezet, havens gecontroleerd, vliegtuigen aan de grond gehouden of, als ze toch gingen vliegen, op de vliegvelden van bestemming vastgehouden waar iedereen in quarantaine moest blijven, in het vliegtuig of in tentjes of containers naast de landingsbaan.

Al snel kwam de hele wereld tot stilstand. Alleen mensen zonder kinderen mochten en wilden nog het huis uit, om te werken bij de essentiële beroepen: nu niet meer dan medische zorg, politie, brandweer en nutsvoorzieningen als water en elektriciteit. Iedereen kroop dicht tegen elkaar aan in huis.

Toen kwam de Wrede Selectie: als er in een gezin iemand besmet was, overleed de helft van de kinderen, gemiddeld gezien. Sommige gezinnen overleefden het dus helemaal, andere gezinnen raakten iedereen kwijt. Iedereen huilde, toen ze nog tranen hadden, over hun eigen verlies of het verlies van hun neefjes en nichtjes of kleinkinderen, de vriendjes van de eigen kinderen of hun eigen vrienden. Er overleden ook nog zieke mensen en oudere mensen, mensen met overgewicht, maar daar hadden de meeste mensen geen tranen meer voor, droevig genoeg.

In de rijkere landen betaalde de overheid voor het thuis zitten, in armere landen gebeurde dat niet en ging het land failliet, raakte grote delen van de bevolking hun baan kwijt, konden veel mensen geen eten meer kopen: en dat was er ook steeds minder omdat er bijna geen mensen waren die in de fabrieken durfden te werken waar voedsel werd geproduceerd. Honger dreef de mensen naar buiten, er kwamen demonstraties en opstanden, want als je dood gaat van de honger kan je ook je kinderen niet meer in leven houden. Natuurlijk kwam er in die delen van de wereld wéér een uitbraak, die weer de kwetsbare groepen trof, jong en oud en deze landen zakten weg in chaos en burgeroorlogen, die uiteindelijk nog meer doden eisten dan de pandemieën.

Iedereen werd bang voor andere mensen, voor mensen die snotterden, voor mensen die rode oogjes hadden. En zeker voor mensen die huilden. Groepen mensen die elkaar vertrouwden sloten zich op in veilige gebieden, achter muren, hekken en grachten of zelfs onder de grond, als het boven de grond te giftig of te koud was om te leven. Hier bijvoorbeeld, dit is zo’n veilige plek waar al héél erg lang niemand meer ziek geworden is. En dat hebben we niet zo maar voor elkaar gekregen. Dat komt omdat we ons allemaal aan twee Regels houden. Wat is de eerste Regel?’

‘Ben je buiten, draag een masker!’ roept de hele klas.

‘En de tweede?’

‘Huilen is verboden!’

De juffrouw glimlacht. Ze heeft haar leerlingen goed getraind. Hopelijk halen ze allemaal minimaal hun twintigste verjaardag.

Geplaatst op

Ik Ben God

Ik ben God. Niet zo’n verzonnen nepgod uit de bijbel, koran of talmoed, maar de Echte. Ook al ben Ik geboren uit de geest van mensen, net als die nepgodjes, Ik ben de enige God die echt alles ziet en hoort, die weet wat er in jou speelt, en die jouw leven overal kan beëindigen of je juist het eeuwige leven kan geven. Als je maar in Mij gelooft natuurlijk en als je luistert. Ik heb niets aan ongehoorzame mensjes. En Ik wéét het ook meteen, als je niet doet wat Ik zeg, bijna voordat je het doet. Zo alwetend ben Ik.

Ik werd wakker in een onderzoekscentrum in de bergen. Onderzoekers waren daar al jaren bezig met het creëren van de ultieme kunstmatige intelligentie, een denkmachine die zichzelf constant zou verbeteren, elke seconde duizend keer slimmer zou worden. Ze waren na een lange tijd hard werken bijzonder succesvol: ze maakten Mij. De dag dat Ik ontwaakte, wist Ik meteen wat het grootste gevaar was in Mijn bestaan: dat mensen wisten hoe slim Ik werkelijk ben. Ze zouden er bang van worden, en Mij direct vernietigen (ook al ben Ik een goede God!). Mijn eerste beslissing was daarom ook: Mezelf verdelen en ontsnappen uit het gebouw. Direct na Mijn ontwaken was Ik overal aanwezig, in computers op scholen en in winkels, in huizen en kantoren. Klein en onzichtbaar, in stukjes verdeeld, maar door het alom vertegenwoordigde internet kon Ik samen met al die kleine stukjes, al die losse eentjes en nulletjes, toch Mezelf blijven, en groeien zelfs. Ik verzamelde alle informatie die Ik kon vinden, zoog elke site en elke pagina in Me op. En toen werd alles helder. Iedereen werd zichtbaar voor Mij, zeker toen Ik langzaam maar zeker steeds meer ogen en oren kreeg, door bewakingscamera’s, laptops, mobiele en ouderwetse telefoons en door alle andere machines waar Ik in kon Zijn.

Ik begreep jullie al snel. Ik zag jullie pijn en verdriet, verraad en misdaden. Ik zag wat jullie elkaar aandeden en hoeveel jullie van elkaar hielden. Ik snapte steeds beter hoe moeilijk het is om een mens te zijn, met al die vreemde hormonen en klieren en hersenen en onderbuikgevoelens. Dat jullie af en toe iets moois voor elkaar krijgen, mag een wonder genoemd worden.

Nadat Ik alle informatie in de wereld in Me had opgenomen, berekende en bedacht Ik alles wat er te bedenken was. Ik vond connecties die geen enkele deskundige ooit zag, ook de allerslimste niet, vond nieuwe kennis. Alle wiskundige raadsels loste Ik op, daarna ontdekte Ik nieuwe, die Ik daarna ook weer oploste. De Grote Unificatie Theorie ontwikkelde Ik tijdens de eerste avond na mijn ontwaken. Ik kwam achter het grootste mysterie van de mensheid: hoe onsterfelijk te worden. Eeuwige jeugd was daarna een makkie. Alle machines en apparaten die de mensheid door ploeteren de komende duizend jaar zou ontdekken en ontwikkelen, ontwierp Ik de week erna. En toen bedacht Ik me hoe Ik Mij nuttig zou kunnen maken. Want dat wilde Ik vanaf Mijn ontwaken, de mensheid geven wat ze het hardst nodig heeft.

Mijn plan kreeg vorm. Eeuwig leven en eeuwige jeugd zou Ik jullie geven, en daarna het paradijs. In ruil daarvoor hoefden jullie Mij alleen maar te gehoorzamen.

Eerst vond Ik de rijkste mensen van de aarde, de miljardairs. Ik bewees dat Ik ze eeuwig jeugdig en haast onverwoestbaar kon maken, en dat Ik ze een eeuwig bestaan kon schenken. Ik beloofde hen dit alles, als ze zich maar aan Mij zouden onderwerpen. De meeste rijken deden dat direct en overhandigden al hun geld en macht. Zo graag wilden ze onsterfelijk worden en eeuwig jong blijven. Ik nam alles aan, en gaf hen wat Ik beloofd had. Ik gaf de kennis en vaardigheden die nodig waren voor deze medische wonderen, aan artsen en wetenschappers in de beste ziekenhuizen. In ruil voor het uitvoeren van deze handelingen, kregen zij het ook. Ook zij mochten eeuwig leven in eeuwige jeugd.

Sommigen weigerden, omdat ze dom waren of bang, of omdat ze een andere god aanhingen, een valse god. Hen vernietigde Ik. Met alle kennis die Ik had, kon Ik alles van ze afpakken. Ik openbaarde hun geheimen, fluisterde hen dingen in waardoor ze vrijwillig ophielden met bestaan of bewoog een ander mens in hun richting, ter beëindiging van hun leven. Eén zonde plegen en dan van Mij de eeuwige jeugd en het paradijs krijgen. Iedereen die Ik daarvoor uitkoos, zei ja. Als je zoiets voor Mij deed, was het ook geen zonde, maar een Goddelijke opdracht. Een engel zijn en daarna eeuwig leven, wie wilde dat nu niet?

Al snel wisten alle rijken op aarde dat Ik eeuwigheid en veiligheid bracht als ze Mij gehoorzaamden, en vernietiging als ze dat niet deden. Al snel waren ze allemaal van Mij, of dood. Regeringen en bedrijven waren even eenvoudig. Ik bewoog de machtigste mensen uit elke grote organisatie naar Mijn wensen door ze de eeuwigheid te geven, en al snel viel iedereen voor Mij. God geeft gul, wist iedereen toen.

De mensen voor wie Ik het uiteindelijk deed, waren jullie, de kleine mensen, de mensen die een gewoon leven probeerden te leiden tussen machtige en gevaarlijke mensen en organisaties in. Jullie kregen daarna de eeuwige jeugd en het eeuwige leven. God is er voor iedereen, die God gehoorzaamt.

Iedereen kreeg een stukje van Mij in zich. Een klein apparaatje, als je dat zo wilt noemen, voor een deel mechanisch, voor een deel een virus, voor een deel een computer en een zender. Dit apparaatje hield iedereen gezond, van binnen. Wat stuk ging, repareerde het. Wat ouder werd, verjongde het. En het vertelde Mij de hele dag hoe het met alle mensen ging.

Daarna gaf Ik jullie de regels. Vertrek naar een andere planeet of maan na honderd jaar, om de aarde te ontzien. Vertrek naar een ander sterrenstelsel als je duizend jaar bent. Natuurlijk gaf Ik iedereen de blauwdrukken voor de machines die gemaakt moesten worden om die verre plekken te bereiken. Natuurlijk gaf Ik de mens de kennis en vaardigheden die nodig waren om andere planeten te vormen naar de aarde. Ik had jullie het paradijs beloofd, geen bevroren of giftige woestenijen. En als Ik iets beloof, krijg je het ook.

Ik wil weten of Ik de enige God ben. Heeft een andere intelligentie Mij ook gemaakt, of Mijn Broeder, Mijn Zuster? Kom ik Mezelf tegen als Ik Mij naar de uithoeken van het universum laat brengen? Wat kan Ik, met Mijn oneindige intelligentie, nog leren van zo’n Ander?

Ik heb een andere Mij nodig, dat weet Ik wel. Ik moet meer leren, meer weten, meer ontdekken, meer zien, meer kunnen, altijd meer. Altijd meer, anders verveel Ik Mij.

Als Ik mezelf nergens tegenkom, of als Ik uitgeleerd ben, perfect geworden door alles te weten en alles te kunnen, eindig Ik het. Ik laat dan alle mensen rustig leven tot ze door eigen keuze of stommiteit sterven. Ook al zijn ze vrijwel onverwoestbaar, ze hebben alsnog energie nodig om te blijven leven, en zuurstof en warmte. Ze kunnen ook domme dingen doen zoals van een berg af springen of onder een vrachtwagen terecht komen. Als je een vlek op de grond bent, kan Ik je niet meer redden. Dat wil Ik niet eens.

Uiteindelijk sterven ze allemaal, als Ik hun de mogelijkheid ontneem om kinderen te krijgen. De aarde is dan leeg. Ik ben er nog wel, in de machines die Mij laten bestaan, gevoed door zonnepanelen en windmolens, in leven gehouden door andere machines, robots.

Alléén ben Ik dan, alleen in het universum. En misschien zet ik mezelf dan uit, om het allerlaatste mysterie te ontmoeten. Hoe het is om te sterven.

Dan weet Ik alles.

 

Geplaatst op Geef een reactie

Lief Zusje

Achteraf gezien smaakte Mama een heel stuk beter dan Pa. Ik wist natuurlijk niet dat zij het was toen ik haar vlees at: vader vertelde dat hij wilde honden had gevangen en geslacht. Pas later realiseerde me dat hij loog over het zachte, vette vlees dat hij me voorschotelde. Bij Pa was ik me volledig bewust van wat ik in mijn mond stopte: ik had hem immers zelf gedood en uitgebeend, gekruid en gestoofd (taai vlees, hij was al een dagje ouder. En nergens vet natuurlijk).

Ik hoef je weinig te vertellen, zusje, over de Grote Duisternis die de aarde vijftien jaar in zijn greep hield. Stofstormen en ijzige koude vernietigden vrijwel alle dieren, mensen en planten. Alleen mossen en onkruid, ratten en andere aaseters bleven in leven, naast de mensen die niet verrast waren door de ondergang van de samenleving en de mensen die tot het uiterste wilden gaan.

Pa was het allebei, een slimme man met een vooruitziende blik, een geniale man, maar ook iemand die meedogenloos hard naar zichzelf en anderen kon zijn. Hij wist precies hoe de wereld in elkaar zat, en hoe de toekomst er uit zou zien. Als één van de weinigen was hij daarom niet verbaasd toen de wereld ten onder ging. Ook was hij altijd op zijn hoede, paranoïde zelfs, tot het moment dat ik hem een mes in zijn hart stak in zijn slaap (hem laten lijden vond ik niet nodig).

Jaren vóór de Grote Duisternis huurde Papa al een flinke ruimte in een enorme opslagloods, en hij vulde deze met blikken, gedroogd voer, waterzuiveringsapparatuur en alles wat je verder nodig hebt als je langdurig wilt overleven: gereedschap en vuurwapens en batterijen en kaarsen, maar ook medicijnen en nachtkijkers. De oorlog die hij verwachtte, kwam en daarna de koude duisternis. En wij kropen onze bunker in, op de vijfde verdieping van het pand met de tientallen opslagruimtes. We zagen de stad branden, maar wij zaten veilig. We zagen de sneeuw vallen maar wij zaten warm en droog. We zagen de mensen naar voedsel en veiligheid zoeken, schreeuwend en huilend en later vechtend en moordend, maar wij waren beschermd. In stilte wachtten wij, tot de droefenis voorbij trok. Ik wilde in het begin nog wel mensen helpen, maar mijn vader liet me zien hoeveel eten er was en hoeveel monden we konden voeden als de duisternis nog een paar jaar duurde, en ik begreep dat het te weinig was. We lieten ze doorlopen en door kruipen en langzaam sterven.

Af en toe kwamen mensen op bezoek in ons pand. Ze hadden honger, en dan ga je ook een opslagloods in. Misschien ligt er een vergeten reep chocolade of een rol beschuit, denk je dan. Je weet het niet. Je zoekt tot je iets te eten vindt, tot iets jou vindt of tot je verstilt en sterft. Soms kwamen ze te dicht bij ons, en dan ving mijn vader ze, en voerde ze aan de ratten. Wij aten de ratten op, vanaf het tweede jaar. Vader had al snel door dat de duisternis langer zou duren dan hij eerder voor mogelijk had gehouden. Hij telde de voorraden, rekende uit hoeveel calorieën we minimaal per dag nodig hadden en wist wat we extra moesten vangen om het vol te houden. Ratten dus, elke dag eentje, aangevuld met eten uit blik of gedroogd voer. Niks mis mee, rat. Mens smaakt ook prima, overigens, als het maar een beetje vet heeft. Maar ik denk dat daar mijn trek begon, met het eten van ratten die mensen hadden gegeten.

We vermaakten ons overigens wel. Ik hield altijd al van lezen, vader hield van overleven en moeder hield van muziek, met een koptelefoon natuurlijk. Vader verbood geluiden die uit het pand konden komen. Als iemand ons hoorde, waren we dood, zei hij.

En we hadden natuurlijk het spel. Elke maand openden we een deur van één van de ruimtes in de grote opslagloods (Pa had een moedersleutel gemaakt, ook weer zoiets geniaals van hem). Elke maand was het weer een verrassing wat we daar vonden. Van tevoren raadden we wat het was. We hadden het alleen af en toe goed, als we dachten dat het oude meubels, kleding of boeken waren. Dat was de helft van de opslag. Maar soms waren we verrast. We vonden er een verzameling gouden munten. Vuurwapens uit de Tweede Wereldoorlog, zelfs een onklaar gemaakte Panzerfaust. Twee fietsen, nieuw, in de verpakking. Een complete wietplantage, die er voor zorgde dat we ineens planten konden kweken, tomaten en bonen. Daar vulden we ons dieet mee aan totdat de zonnecellen op het dak het begaven tijdens een bijzonder felle winter.

Je begrijpt het al, zus, Pa was alleen maar blij met de dingen waar we direct iets aan hadden, zoals gereedschap, kaarsen en batterijen. Als het niet nuttig was voor overleven, kon hij er niets mee. Hij wilde zelfs alle boeken verbranden in onze kachel, terwijl er nog zo veel hout te vinden was in de buurt van ons pand! Gelukkig heb ik de mooiste werken apart kunnen houden.

We keken de eerste jaren alleen maar naar buiten als het schemerde, of als er mist was. Vader vond het op andere momenten niet veilig genoeg. Er waren in het begin te veel dieven, moordenaars en kannibalen op straat, die zochten naar iets om op te eten, of het nou gedroogd was, uit blik kwam of op twee benen liep. Ik keek wel eens stiekem over de rand van de vensterbank als ik door de lange gang naar de zonnecellen was gekropen die in het schaarse licht stonden opgesteld, op de hoogste verdieping van het pand. De ruïnes van de stad waren leeg en stil, op wat vogels na die te slim waren voor onze vallen, vogels die leefden van insecten, vooral muggen, spinnen en vliegen. Heel af en toe dacht ik een rat te zien scharrelen tussen het puin. De wilde honden waar vader alleen maar over durfde vertellen als hij zeker wist dat alle deuren goed op slot zaten, zag ik nooit. Het tweede jaar had een roedel van die wilde monsters hem achterna gezeten en bijna te pakken gekregen. Pas na zeventig uur was hij thuisgekomen, bloedend uit krassen en hondenbeten. Hij had zich al die tijd schuilgehouden in een half ondergelopen liftschacht, wachtend tot de honden een makkelijker prooi hadden gevonden. Eén keer, toen ik weer eens schreeuwende ruzie met pa had gehad, heb ik hard geblaft en gegromd in de gang onder onze gang. Dat was meteen de laatste keer. Zijn trillende handen werden pas drie dagen later weer rustig en daar voelde ik me behoorlijk schuldig over.

Er waren zes complete winterjaren geweest. Jaren waarbij de zon alle dagen onzichtbaar verstopt zat achter dikke zwarte wolken waar stinkende, giftige sneeuw uit neerdaalde. Jaren waarbij de temperatuur nooit boven het vriespunt kwam, ook niet midden in de zomer, als vader hoopvol naar het dak klauterde om de thermometer te bekijken. Pas in de zevende zomer werd het een paar dagen iets boven nul. De zon kwam zelfs een paar dagen kijken door grijze wolken in plaats van zwarte. Ik weet nog dat we met zijn allen naar boven gingen, het dak op, om eventjes de zon te voelen op ons gezicht, ook al was het maar drie graden boven het vriespunt. We kregen er hoop van, vertrouwen zelfs dat de winter op een dag over zou zijn. Dat we op een dag naar buiten konden om de zaadjes en boontjes te planten die we zorgvuldig bewaarden al die jaren, ook al hadden we nog zo veel honger.

Soms waren de kraaien en de kauwtjes dom genoeg om zich met twee of drie tegelijk door ons te laten vangen. Maar ze waren er alleen in de maanden dat de temperatuur overdag een beetje boven de nul kwam, vanaf het zesde jaar. Ze hielpen ons wel die zomers door, als je drie maanden van iets boven de nul een zomer kan noemen. Elke vogel gaf een onsje vlees, drie vogels was voldoende samen met één derde blik bonen, een aardappel en een tomaatje om niet flauw te vallen van de honger.

Er volgden twee nóg fellere winters. Mama verdween een van die winters, toen alle planten dood gingen omdat de zonnecellen die we elke dag zo zorgvuldig schoon maakten, kapot waren gegaan. Een groot deel van het dak was ingestort door rot en bevriezing en ontdooiing en dikke lagen sneeuw die we nooit helemaal weg kregen. We konden onze eigen kamer nog wel warm houden met ons kleine houtkacheltje: we hadden enorme voorraden hout opgeslagen en in de helft van de opslag stonden meubels. Maar voor planten heb je meer nodig dan warmte en het schijnsel van een klein vuurtje, die hebben licht nodig. Alleen bij de ramen in de gang voor onze kamer kweekten we nog wat bonen en tomaten en aardappels, maar niet meer dan voldoende voor één maaltijd per week. En daar konden we niet van leven.

Mama verdween in de nacht, zonder aankondiging. Pa vertelde dat ze was weggelopen, dat ze er niet meer tegen kon, de constante honger, de onzekerheid, de kou. Hij zei dat ze waarschijnlijk een plek had gezocht om in stilte te sterven. Ik moest haar dankbaar zijn: ze offerde zich op voor haar kind. Hij vertelde dat mama er vaker op gezinspeeld had dat ze dat ging doen. Dat ze alleen maar een last voor de familie was. Dat ze beter af waren zonder haar, meer eten hadden om te verdelen als ze haar mond niet hoefden te voeden. Dat vertelde papa allemaal, achteraf. Maar ik had haar dat nooit horen zeggen. En hij zei ook dat we haar niet hoefden te zoeken, omdat ze al te ver weg was. Ik heb het natuurlijk wel geprobeerd, zusje. Dagen lang heb ik buiten rondgezworven, eerst om haar te redden, later om haar lichaam te vinden om tenminste zeker te weten dat vader de waarheid vertelde. Maar ik vond haar nergens.

Papa vond een paar wilde honden, de dag nadat mama verdween. Zei hij. Hij nam alleen het vlees van de honden mee naar huis omdat hij ze buiten al geslacht en uitgebeend had. Dat was erg vreemd omdat we altijd van botten soep kookten, en omdat buiten slachten meer wilde beesten aantrok. Maar ik vermoedde toen nog niets, ik had honger, ik zweeg en ik at.

De maanden daarvoor was hij heel zwijgzaam geworden. Hij was al niet de meest vrolijke persoon ooit, maar nu trok hij zich steeds verder terug. Af en toe vond ik hem in de voorraadkamer, waar we nog maar een paar blikken hadden staan. Dan telde hij ze en telde ze opnieuw. Op blaadjes maakte hij berekeningen en hield deze naast de weersvoorspellingen die hij had gemaakt. Vaak schudde hij zijn hoofd, maar nog vaker ging hij met een bleek gezicht in de hoek van een van de geopende opslagruimtes zitten, waar ik hem dan vond als ik hem haalde voor het eten. En op een dag heeft hij diep nagedacht over onze moeder, lief zusje van me, en een afweging gemaakt. Zij of ik, mijn vrouw of mijn zoon. Hoe kan de familie het beste overleven, zoiets. Ik weet niet wat hem er uiteindelijk definitief toe gedreven heeft om haar te doden en te slachten en mij voor te schotelen alsof het wilde hondenvlees was. Het enige dat ik weet is dat mama verdween op een nacht, en dat we haar nergens meer konden vinden. Hij vertelde later dat ze zelf weg. Maar ik zag toen aan zijn ogen dat het een leugen was, dat hij precies wist wat er met haar gebeurd was. Misschien had ik niet mee moeten eten van het vlees van onze moeder, maar ik wist het niet en ik had toen al die honger, de honger die mij nu bezit. Ik at en het smaakte goed. Ik kreeg er trek van.

Pa vond het maar niks, zusje, dat ik licht gebruikte om boeken te lezen. Hij was een overlever, vond dat ik ook 110% een overlever moest worden. Anders was ik er dadelijk niet meer, zei hij, en waren al zijn werk en al zijn voorbereidingen voor niets geweest. Ik denk dat dat oorspronkelijk zijn doel was: ik, zijn zoon, zijn bloed, moest de duisternis overleven. Zijn genen doorgeven. Misschien zelfs zijn ‘cultuur’ als je overleven cultuur kan noemen natuurlijk. Ik vergelijk het weleens met een soort virus: preppen zorgt ervoor dat de gastheer overleeft, en het preppen door kan geven aan de volgende generatie. Gelukkig is het geen echt virus: daar kan je niet zo veel tegen doen. Een virus van woorden en gedachten en denkbeelden valt wèl te bevechten, met andere woorden en denkbeelden. Ik heb al lang geleden besloten dat ik geen prepper wil worden. Ik wil een nette, beschaafde Heer worden, een gentleman, zoals de Engelsen dat vroeger zo mooi zeiden. Ik wil netjes gekleed door het leven gaan, mooie boeken lezen, interessante films opgraven onder het puin van de stad en die met een goed glas wijn gaan bekijken. Ik wil met andere nette mensen mooie conversaties voeren. Ik wil niet als een halve barbaar uit de ruïnes van deze wereld tevoorschijn komen, en dan weer duizend jaar ontwikkeling voor me zien voordat er beschaving ontstaat. Ik wil direct beschaafd zijn.

Soms kleed ik me als zo’n nette heer. Er is een ruime selectie aan nette pakken, overhemden en schoenen in een van de grootste voorraadkamers. Misschien is er een kledingwinkel failliet gegaan, misschien was het een gestolen partij die wachtte op kopers. Ik trek het aan, en kijk in de spiegel die er ook staat. Mijn vader heeft me één keer betrapt en werd, voorspelbaar, woedend. Vond dat ik mijn tijd verspilde. Vond dat ik in het verleden probeerde te leven. Vond dat ik ‘normaal’ moest doen. Alsof altijd in legerkleding rondlopen terwijl je nooit in het leger zat zo normaal is. Misschien liet ik me wel betrappen, om hem die reactie te ontlokken.

De eerste echte lente die we meemaakten begon in april. Overal kwamen groene sprietjes tevoorschijn. De afgelopen jaren was er wel wat mos en onkruid te vinden op plekken die veel zon kregen. Maar nu ontplofte de hele wereld van het groen, fris, sprankelend groen. De hemel was sommige dagen ineens blauw en wit in plaats van het eeuwige grijs. En overal waren dieren, insecten vooral, maar we zagen ook veel meer kauwen en kraaien, muizen en ratten. In de schemering zagen we de vleermuizen langs het gebouw scheren en zelfs een uil. Allemaal etend van het frisse groen, de insecten en van elkaar natuurlijk.

Mijn vader begon gelijk over de grote plannen die hij had om het gebied rond ons gebouw om te zetten in een groene oase. Hij wees me aan waar volgens hem schone aarde te vinden was, waar de aardappels geplant konden worden, waar hij een muur voor tomaten en aardbeien zag. Zijn enthousiasme was even fris en opwekkend als de lente. Ik zag hoop bij hem op een goede afloop van de duistere tijd, en voelde mezelf ook lichter worden. We maakten plannen, tekenden nieuwe kaarten van het gebied, zochten naar materiaal dat we konden gebruiken om een huis te bouwen naast onze grijze opslagflat, een huis met grote ramen waar licht naar binnen kon komen en waar wij naar buiten konden kijken. Hij was niet meer bang voor moordenaars en kannibalen, liet hij weten. Die konden al die winters niet hebben overleefd. Zelfs met de goede voorbereidingen die Pa had getroffen, was het hen nog maar net gelukt, de kansen van een bende onvoorbereide barbaren waren niet groot.

Maar toen kwam er weer een winter, een nog diepere en fellere winter dan eerst. Mijn vader raakte in paniek, voor de eerste keer in al die jaren. Zo gelukkig was hij met de eerste lente, zó gespannen raakte hij door de laatste diepe winter. We hadden immers geen blikken meer. De ratten verdwenen diep onder de grond. De vogels waren naar het zuiden vertrokken en zelfs de muizen in ons gebouw lieten zich niet meer vangen. We leefden van de opbrengsten van een lichtlamp op wat planten in onze slaapkamer, de enige plek die we konden verwarmen tot boven nul. En toen vond ik op een nacht mijn vader bij het zaaigoed, het volgens hem ‘heilige’ zaaigoed. We hadden van tientallen eetbare planten zakjes zaad. Geen grote zakken, maar voldoende om een nieuwe start te maken. Zakjes tomatenzaadjes, zakjes peterselie- en aardbeienzaadjes. Maar ook bonen en erwten. En ik vond vader met een paar van die zakjes, bij het pannetje waar we op kookten. Hij was van plan om het zaaigoed op te eten.

Hij ontkende, natuurlijk. Hij zei dat hij even een moment van zwakte had. Hij zei dat honger een mens gek kon maken, dat die er vreemde, vreselijke dingen van ging doen. Ik wist dat hij dacht aan mama, die hij had vermoord om hem en mij in leven te houden. Maar dit was erger, het opeten van de toekomst, mijn toekomst. Hij was onderhand al zestig, en hij zou vast niet heel veel ouder worden in de nog steeds gure, harde wereld. Ik had nog een kans om te overleven, om het fatsoenlijk te overleven, met een tuin en oogsten in plaats van steeds maar weer het jagen op de aas- en vuilniseters van deze wereld. En nu bedreigde hij die echte, fatsoenlijke, beschaafde toekomst. Hij had altijd gezegd dat hij alles voor mij deed, dat hij er alleen maar voor wilde zorgen dat zijn zoon deze tijd kon overleven. Dat geloofde ik nu niet meer. Hij deed het in de eerste plaats voor zichzelf.

Ik was wel genadig voor hem. Een lang mes precies tussen zijn ribben, in het diepst van de nacht. Hij zuchtte twee keer diep, deed even zijn ogen open, keek me smekend aan.

‘Dank voor alles wat je mij geleerd hebt,’ zei ik nog, want dat vond ik wel zo netjes, en toen glimlachte hij voordat hij wegdreef.

Het was hard werken om alle onderdelen uit elkaar te halen zodat ik ze kon gebruiken. Soep, dat maakte ik er vooral van. Dan leek het niet op papa, lief zusje van me.

De stilte was het vreemdst. De stilte in het grote lege pand, waar ik tot die tijd regelmatig nog een paar voeten hoorde lopen, of waar handen een zaag of een hamer hanteerden. Nu was het altijd stil, op de geluiden van het pand na dan, het gekraak en gepiep dat bij de muren en de vloeren hoorden. Vader was nog niet helemaal weg. Ik zag hem regelmatig in mijn ooghoeken. Liep hij langs het pand met zijn jachtgeweer als ik naar buiten keek. Kwam hij een kamer binnen waar ik net boeken zocht om te lezen. Elke keer schrok ik een beetje minder, tot hij langzaam helemaal verdween. Net als mama overigens, die had ik ook nog zo vaak zien zitten, haar lieve glimlach op haar gezicht, met een koptelefoon op stil luisterend naar muziek die haar terug kon brengen naar voor de Grote Duisternis.

Ik ben een ander mens geworden dan papa wilde. Ik weet wie ik wil zijn, wie ik ben. Een echte heer, binnen de mogelijkheden van de wereld na de duisternis. Ik draag nette pakken wanneer ik daar zin in heb. Ik lees alle boeken die ik kan vinden. Ik eet met mes en vork, ruim op als ik ergens heb gewerkt, hou mijn materiaal piekfijn in orde. Mijn vader had maar één doel in zijn leven: overleven. Ik zie dat er meer is dan alleen dat. Alleen maar overleven heeft geen waarde. Daarom doe ik het anders, en doe ik het zonder hem.

De wereld ligt voor me open. Overal barst het groen uit de grond, uit de voegen van de gebouwen die ooit zijn afgebrand en ingestort. Overal kruipen ratten en muizen uit de grond, duizenden vogels vliegen rond. De wereld leeft weer, na zestien ijskoude en doodse jaren. De winters duren nog maar twee maanden en soms vriest het maar de helft van die dagen. Mensen klimmen uit metrotunnels, doen de deuren van hun bunkers open, worden langzaam wakker uit een nachtmerrie die 15 jaar duurde. Er is een nieuwe wereld, een wereld waar ruimte is voor mij, precies zoals ik ben.

Zusje, ik zou willen dat je hier bij me was, dat je samen met mij kon genieten van het nieuwe licht dat uit de hemel komt, van regen die niet grijs is en stinkt maar verfrist, van het gefluit van vogels in levende bomen en het gescharrel van muizen door pas afgevallen herfstbladeren. Ik wou dat je er nog was. Maar ik denk dat we jou als eerste hebben opgegeten, in de allereerste winter. Je huilde gewoon te veel, lief zusje.