‘Papa, wat is een kanarie?’ vraagt mijn zoontje van vijf. We fietsen samen van school naar huis. Ik ben meteen enthousiast: van kanaries heb ik verstand sinds Tarzan, mijn eigen kanarie van toen ik 11 was. Begraven in de achtertuin van het huis waar we toen woonden, met mijn avondvierdaagse-medaille.

‘Kanaries,’ zeg ik, ‘kanaries zijn -meestal- gele vogeltjes die heel mooi kunnen fluiten.’

‘Nee hoor papa,’ zegt hij, ‘drie papegaaien op een rijtje naast elkaar. Dat is een kanarie.’

‘Oh,’ zeg ik.