Judith, de oude studievriendin van mijn moeder, gaat op de rand van het bed zitten. Ze

heeft een bleek gezicht en trillende handen. Haar dochters verdwijnen naar de kamer

ernaast om zich om te kleden voor onze stapavond, terwijl ze nog wel even een bezorgde

blik op hun moeder werpen.

‘Nazi’s, allemaal nazi’s,’ zegt Judith met een dun stemmetje.

‘Waar waren die nazi’s dan, tante Judith?’ vraag ik.

Ze heeft het sinds we binnen kwamen in het appartementje achter het Leidseplein gehad

over de ‘nazi’s’ die blijkbaar overal in Amsterdam rondliepen.

Ze kijkt me aan met wanhoop in haar ogen.

‘Ik ben hier al zo lang niet geweest! En nu zijn ze ineens overal, honderden mannen met

kale koppen en tatoeages! Overal! En ze zingen… ze zingen… ik kan niet zeggen wat ze

zingen. Té erg.’

Ik kijk naar de zware gordijnen die gesloten zijn. Daarachter klinkt het feestvieren van de

stad, gedempt door een dikke laag stof en hermetisch gesloten ramen. Tijdens het fietsen

naar dit huis met mijn vrienden, die natuurlijk graag de stad wilden verkennen met twee

Israëlische meisjes van 20 en 23, heb ik heel veel mensen gezien. Alleen geen openlijke

nazi’s. Integendeel, de sfeer in heel Amsterdam was opperbest door het… wacht eens

even…

‘Tante,’ zeg ik, ‘Wat zingen die mannen?’

Ze schudt haar hoofd.

‘Alsof de oorlog nooit gebeurd is,’ zegt ze.

‘Tante Judith,’ zeg ik, ‘wat zongen ze precies?’

Een stille traan rolt over haar wang. Ze zwijgt en kijkt naar haar trillende handen.

‘Tante, zongen ze toevallig allemaal: Joden!’

Ik zeg het woord iets te hard. Ze schrikt ervan.

‘Jij ook? Jij bent toch geen?’ Dan schudt ze haar hoofd vol ongeloof. Ik ben geen nazi, dat

weet ze ook wel.

‘Tante,’ zeg ik, ‘dat waren gewoon Ajax-supporters.’

Ze begrijpt me niet.

‘Ajax, tante, de Amsterdamse voetbalclub. Voor de oorlog waren er veel Joodse leden en

voetballers. Toen ging iedereen in Nederland Ajax ‘de Jodenclub’ noemen. En nu noemen

Ajax-supporters zichzelf Joden, als een soort geuzennaam.’

De uitleg helpt niet.

‘Geuzennaam? Wat?’

‘Net als dat de supporters van PSV zich ‘Boeren’ noemen omdat ze vroeger daarmee

uitgescholden werden.’

‘Dat kunnen ze toch niet doen, zo maar ‘Joden’ zingen?’ zegt ze.

‘Het is niet onaardig bedoeld, tante. Ze zijn juist vóór Joden en vóór Israël.’

Ze begrijpt het nog steeds niet. En er zijn twee prachtige dames uit de andere kamer

gekomen die klaar zijn om te gaan stappen in Amsterdam.

Als we weggaan, heeft tante Judith nog steeds een verbijsterde blik op haar gezicht.

‘Maybe you can tell her tomorrow that the guys singing ‘Joden, Joden’ are just Ajax-fans

identifying with Israel and the Jews,’ zeg ik tegen de oudste dochter.

‘So thát was what they were singing? What the fuck is that all about,’ zegt ze. En ook aan

haar kan ik het niet uitleggen die avond.