‘Ben je in je eentje thuis vandaag?’ vraag ik aan mijn bijlesleerling. Ze knikt.

‘Waar is iedereen dan?’ Meestal zijn haar ouders en broertje thuis als ik wiskunde bijles kom geven aan het eind van de middag.

‘Papa is filmen en mama is met Tom naar het ziekenhuis,’ vertelt ze nonchalant.

‘Wat?’ zeg ik, ‘Wie heeft er…’

‘Hij heeft zijn arm gebroken.’

‘Jemig,’ zeg ik, ‘dat is wel heftig. Hoe is het gebeurd?‘

‘Hij was weer eens stoer aan het doen op zijn fiets, hier op het plein, en toen viel hij. Was een wielie aan het doen ofzo. Hij doet altijd van die stomme dingen.’

‘Lekker handig,’ zeg ik.

Ze lacht.

‘Papa is net zo. Die heeft ook steeds wat. Weet je wat hij ooit heeft gedaan?’

Ik heb geen idee.

‘Hij speelde een voorstelling met een vriend van hem, en tijdens die voorstelling deed hij een staafmixer in zijn mond, zakje ketchup erbij. En dan aan. BZZZZZ en Splets! Overal ketchupspetters. Schrok het publiek zich rot. Weet je wat nou stom was? Hij gebruikte een echte staafmixer, met het mesje er nog aan. Dus op een avond kwam hij thuis met een dikke tong, omdat hij in zijn eigen tong had gesneden. Bloedde joh! Ze zijn gestopt met de voorstelling die avond.’

Ik ben stil, ben me even heel erg bewust van mijn eigen tong in mijn mond.

‘Mam lachte zich rot. Pap kon de hele week alleen maar vloeibaar voedsel eten. Soep en vla, elke dag soep en vla. En elke keer als we nu soep of vla eten, maakt mam er een grapje over. Pap kan er wel om lachen.’

‘Dat is inderdaad wel een beetje suf,’ zeg ik.

Ze haalt haar schouders op.

‘Ach,’ zegt ze, ‘zo zijn jongens nou eenmaal.’

Vandaag laat ik mijn zoontje het ijs zien in de emmers in de tuin.

‘Voel maar!’ zeg ik, maar hij durft niet.

‘Als jij het ijs durft te voelen, ga ik zo ‘boem! met mijn vuist het ijs stuk slaan.’

Mijn zoontje lacht, en voelt met een vingertje het koude ijs.

‘Koud!’ zegt hij.

Ik hou mijn vuist boven het ijs, en sla. Au! Het ijs is nog niet eens gebarsten. Ik sla nog twee keer en dan is het ijs kapot. Mijn zoon lacht hard, zeker als ik laat horen dat het zeer doet.

‘Zal ik het nog eens doen?’ zeg ik. Hij denkt een halve tel na, en knikt dan gretig. Samen lopen we naar de andere emmers in de tuin en naar de plantenbak. Hij joelt en ik sla het ijs met links en rechts.

Pas als ik weer binnen ben, zie ik dat al mijn knokkels bloeden.