Hij wijst naar de sloot naast het kronkelige, nauwelijks verharde plattelandsweggetje.
‘Daar kwamen we met de auto in terecht, ondersteboven.’ Zijn accent is laag, plakkerig, alsof het vast zit aan de vette Friese klei.
‘We waren een beetje aan het scheuren, ’s nacht, en toen slipte ik daar,’ weer wijst hij, ‘en sloegen we over de kop. Hier kwamen we tot stilstand.’
Dan grijnst hij breed.
‘En weet je wat mijn vriendin toen zei? Toen we ondersteboven in de sloot lagen en steeds dieper wegzakten? Ze wees naar de voorruit en zei; ‘Heej! Een kikker!’
We lachen.
‘Later is ze nog terug gezwommen naar de auto om de boodschappen uit de kofferbak te halen,’ zegt hij, en hij kijkt trots.
We zien haar pas een paar uur later voor het eerst, als ze terugkomt van een voetbalwedstrijd. Ze is klein en charmant, maar we begrijpen allemaal waarom hij haar ‘Boef’ noemt.