‘Wat doe jij nou?!’ roept de jongen als hij naar het computerscherm kijkt van het meisje dat net als hij van Creoolse afkomst is. Dan kijkt hij naar het scherm van Hindoestaanse jongetje dat er naast zit. ‘Jij ook al! Zijn jullie gek geworden ofzo?’
 
Beide kinderen mochten de laatste vijf minuten van de les op internet, omdat ze hun taken af hadden. Ze besloten allebei om een online spel te spelen waarbij je een avatar maakt, een digitaal poppetje, dat je allemaal dingen kan laten beleven in dat spel.
 
‘Je bent zelf donker,’ zegt de eerste jongen, nog steeds verontwaardigd, ‘en dan maak je, dan maak je zoiets.’ Hij wijst naar de avatar van het meisje. Zij heeft een blond, blank poppetje gemaakt. De jongen op de computer ernaast heeft ook een ‘witte’ avatar.
‘Jij bent toch zelf bruin! Waarom maak je hem dan wit? Dat is echt raar. Jij bent echt raar. Jullie zijn allebei raar.’
 
Het Hindoestaanse jongetje zegt niks terug, speelt verder. Hij voelt zich duidelijk ongemakkelijk. Het Creoolse meisje draait zich om, kijkt de jongen die haar aanspreekt fel aan.
‘Ik maak lekker zelf uit wat ik doe! Als ik een wit poppetje wil maken, maak ik een wit poppetje. Waar bemoei jij je mee?’
‘Ik vind het gewoon stom. Vind jij je eigen kleur niet mooi? Schaam jij je voor jezelf?’
 
Het meisje snuift en reageert niet meer. Het jongetje schudt zijn hoofd en kijkt me aan.
‘Ik zit ook op dat spel, meester. Maar ik heb een poppetje dat op mij lijkt. Dat is toch logisch?’
 
Ik leg hem dan uit dat, wat mij betreft, iedereen zelf mag uitmaken wat voor avatar hij of zij maakt, in welk spel dan ook.
 
Daarna vraag ik me wel af of ‘witte’ kinderen even vaak ‘donkere’ avatars maken. Maar dat zeg ik niet tegen hem.