‘Weet je mama,’ zegt mijn zoontje. Hij zit in bad met zijn zusje. ‘Jeffrey heeft vandaag een heel lelijk woord gebruikt. Een ziekte.’

Jeffrey is het jongetje dat altijd nieuwe lelijke woorden in de klas introduceert. Ik zucht. Wat nú weer.

‘Het is een hele erge ziekte mama, en je kan er zelfs dood aan gaan!’

‘Dat soort woorden mag je niet gebruiken hè,’ zeg ik.

Hij schudt zijn hoofd.

Dan denkt hij na, steekt zijn vingertje op.

‘Maar het ligt er natuurlijk wel aan hóe je het zegt,‘ zegt hij.

‘Want als je het zó zegt:

‘Kan het natuurlijk wel.’

Hij ziet dat ik mijn lachen probeer in te houden, voelt dat hij scoort en hij zegt het nog een keer. Dan proest ik het uit.

Als ik weer kan praten, leg ik hem uit dat hij het ècht niet mag zeggen. Dat de kleuterjuf van de groep naast hem er dit jaar aan overleden is, en dat het heel verdrietig is als iemand die ziekte heeft. Hij belooft om het niet meer te zeggen. Godzijdank. Maar ik kijk er wel nu al naar uit om dit verhaal aan zijn vader te vertellen.