Beatrix is dood. Niet die in het paleis natuurlijk, maar die van ons. Deze cyperse schoonheid hield in onze kroeg al jaren de muizen buiten, en de gasten binnen.
Misschien schrok je, als Beatrix voor de eerste keer vanuit het donker onder de tafel op schoot sprong. Maar als je haar dan aaide en zij zich tevreden spinnend op schoot nestelde, moest je wel van haar houden. En nu is ze overleden. Het gebeurde voor het terras. Zij rende ineens over straat, de marktkoopman reedt ineens achteruit. Als het nou middag was geweest, en zijn kar beladen was met lége kistjes… misschien was ze dan niet verpletterd.

Ze lag in een wijnkistje bij mij thuis, want een dode kat bewaren in een kroeg zou niet hygiënisch zijn, en we hadden al een plekje uitgekozen waar we haar gingen begraven (in de plantenbak tegenover ons terras. Niet verder vertellen, anders krijgen we daar een boete voor). Wij zaten allemaal een beetje sip in de kroeg, dachten het koppie van Beatrix te zien, maar dat was een prop papier. We voelden haar staart zachtjes langs onze benen strelen, maar dat bleek de tocht. En Marja vertelde zelfs dat ze Beatrix op haar schoot voelde liggen, en dat ze gedachteloos wilde gaan aaien toen ze zich realiseerde dat Beatrix daar niet kón liggen. Dat ze het gemis voelde, niet de kat.

Toen kwam hij binnen, groot, rood en arrogant, één dag na de dood van Beatrix. Hij keek om zich heen, leek tevreden over wat hij zag, liep rond de bar, snuffelde aan de benen van Marja, die zich rot schrok omdat ze hem niet aan had zien komen, gaf een kopje aan de eigenaar en ging toen bovenop de bar liggen alsof hij daar al jaren lag. Ik liep naar hem toe, krabbelde hem achter zijn oren en controleerde of hij misschien een halsband om had. Geen halsband. Ook waar de chip zou kunnen zitten, voel ik niets. Ik deed een stap naar achteren en keek naar de kat. Hij keek op met een blik die leek te zeggen: je aaide me. Doe dat nog eens. Ik aaide hem verder totdat er iemand koffie nodig had.

Hij bleef tot het eind van de dag, en ging toen niet naar huis om te eten. We wilden hem de brokjes van Beatrix geven, maar dat mocht niet van de eigenaar. Die zei dat er vast ergens een klein kindje op zijn huisdier zat te wachten, helemaal ongerust. Dus wij zetten de kat buiten, met een beetje pijn in ons hart, en gingen naar huis. De volgende dag kwam hij gapend onder de stapel stoelen vandaan gekropen, hopte naar binnen met de eerste dienst, en bleef weer de hele dag. Nu kreeg hij wel brokjes. De eigenaar ging zelf in de buurt kijken of er briefjes hingen voor deze grote rode kater. Nergens. Hij hing zelf een paar briefjes in de buurt op, met een kleurenfoto van onze bezoeker.  Niemand reageerde op zijn briefjes, en op een gegeven moment dachten we er niet meer over na. De rooie hoorde gewoon bij de kroeg.

Een maand later kwam er een jongetje langs, hand in hand met zijn vader. Hij wees op onze rode kater die lag te slapen op een stoel, lekker in de zon en uit de wind. ‘Dat is Timmie!’ riep het jongetje, en met uitgestrekte armen liep hij op onze rooie af om hem op te pakken. Timmie werd meteen wakker, sprong op en zoefde de kroeg in, achter de bar, tussen de vaten bier, en kwam er niet meer tussen uit. Toen sprak de eigenaar met de vader, en de vader met het jongetje. Ze keken nog even of Timmie tussen de vaten vandaan wilde komen, maar dat vertikte hij. De vader kreeg een biertje, de jongen een ijsje, en even later vertrokken ze weer. Zonder kat.

De kat heet nu Claus. En Claus blijft bij ons in de kroeg, om de muizen buiten te houden, en de gasten binnen.