Fred legt het pasje van mijn elektronische deurslot op tafel neer.

‘Sorry,’ zegt hij en hij meent het. Ik begrijp het wel. Hij heeft sinds kort een baby en heeft vast de tijd en energie niet meer om mij vrijwillig te beveiligen, zoals hij het afgelopen jaar heeft gedaan, als enige. Daarom knik ik. Het pasje laat ik liggen. Later vandaag knip ik hem wel in een paar stukken, zoals ik ook de andere pasjes kapot geknipt heb. Vroeger liet ik de pasjes ophalen door het beveiligingsbedrijf, zodat ze door experts vernietigd konden worden, maar sinds ik dat zelf moet betalen, doe ik dat niet meer.

Misschien hebben de kranten gelijk. Dat de beveiliging niet meer nodig is nu ik niet meer in de politiek zit. Ik krijg ook bijna geen doodsbedreigingen meer. Een enkele keer komt er nog een mailtje binnen, maar meestal is het van mafkezen die al tientallen jaren mailen en waar de politie me van durfde te vertellen dat ze geen enkel gevaar vormen. Eén ervan schijnt zelfs in een rolstoel te zitten, zo’n elektrische. Blijkbaar vindt die het nodig om zijn kleine beetje kracht en energie te gebruiken om mij te vertellen hoe hij mij dood gaat maken. Ik lees ze nu helemaal uit, zijn dreigmails. Voelt als vroeger, toen half Nederland bang voor me was en er duizenden mensen een intense haat voor me voelden. Nu niet meer. Nu gaat alle linkse haat naar TB. Niet voor niets zijn de initialen van die fluim van een vent dezelfde als die van tuberculose.

De moslims haten me ook al niet meer. Ze negeren me. Ik krijg geen boze mails meer van Mohammeds en Zakaria’s, geen belerende mailtjes van Fatima’s en Dounias. Niets meer. Sommigen kennen me niet eens meer! Laatst vroeg zo’n kopvodje achter de kassa, niet mijn kassa natuurlijk, no way dat ik me laat helpen door zo’n slavinnetje van Mohamed, ze had het lef om te vragen aan haar collega waar ze me nou van kend.! En die domme muts aan wie ze het vroeg, wist het niet eens! Zo lang is het niet geleden hoor, dat iedereen me kende, tot in de VS aan toe. Ik stond elke week op de voorpagina van alle kranten!

Maar nu is het blijkbaar tijd voor verwijfde mannetjes die alleen maar met hun haar bezig zijn en die duur praten. Kunnen dat de voorvechters zijn voor de Normale Mens? Nee toch? Die weten niet wat er in Henk en Ingrid om gaat. Ik wist dat wel, ik voelde wat er leefde. Sterker nog, als ik iets zei, gingen mensen dat daarna zelf ook voelen! Ik wist niet alleen wat er leefde, niet alleen kon ik het voorspellen, maar ik creëerde het vaak ook. En die laffe Dijkjes en Rutjes en Bumaatjes aapten me na omdat ze het zelf niet konden verzinnen.

De deur valt achter Fred dicht. Ik ben misschien vergeten om hem gedag te zeggen. Dat vergeet ik de laatste tijd wel eens, praten tegen mensen. Dat zei mijn ex laatst tegen me, toen ze langs kwam om nog wat papieren te laten ondertekenen. Dat ik soms vergeet te praten, dat ik alleen maar voor me uit staar. Dan beweegt mijn mond wel alsof ik praat, en mijn handen bewegen ook vaak mee, maar er komt geen geluid meer uit. Alsof ik alle woorden al eens gebruikt heb, tijdens de speeches die ik hield, de interviews die ik gaf, de interrupties in de Tweede Kamer. Ik was jaren lang de meester van de woorden. En nu zijn ze allemaal uit me gevloeid, blijkbaar.
‘Het was eigenlijk niet meer nodig’, zei de man van de politie. ‘Al jaren niet meer.’ ‘Wees blij!’ zei hij. ‘Je kan weer over straat als een normaal mens!’ Maar ik kan dat niet meer. De angst dat er iemand om de hoek komt rennen, zo’n baardaap, of nog erger, zo’n Volkert, blijft knagen. Dat er iemand is die me nog steeds haat, om vroeger. Dat er iemand al jaren wacht tot mijn beveiliging verdwijnt zodat hij kan toeslaan. Ik zie ze nog wel eens, op straat. Van die mensen die mij dood willen hebben. Ik weet het zeker. En daarom doe ik het gewoon niet meer, naar buiten gaan, nu Fred er mee ophoudt. De supermarkt bezorgt mijn boodschappen, dat is veilig genoeg als ze maar geen Marokkanen sturen. En verder vertik ik het om mezelf in gevaar te brengen. Mij krijgen ze niet te pakken! Mij niet! De terroristen zullen me niet te pakken krijgen. Ik blijf binnen. De deur blijft dicht. En niemand komt er in!