Het hele huis schudt, ik schrik er wakker van. Mijn bed gaat heen en weer en mijn knuffels vallen er vanaf, ik kruip onder mijn dekbed maar het houdt niet op. Dan voel ik dat ik val, een heel stuk naar beneden en er vallen dingen op me en ik heb pijn in mijn hoofd en in mijn been. En dan niks meer.

Ik word wakker en ik schreeuw heel erg. Ik heb pijn in mijn been en het is donker. ‘Mama!’ roep ik. ‘Mamma!’ zo hard als ik kan. ‘Papapapa PAPA!’

Ze komen altijd heel snel als ik roep, als ik een enge droom heb, maar nu niet, hoe hard ik ook roep en gil. Het is heel erg donker en ik zie ook mijn nachtlampje niet. Waarom heb ik zo’n pijn in mijn been? Ik voel met mijn hand aan mijn been en er ligt iets hards op. Ik ben ook nat, voel ik. Heb ik in mijn broek geplast? Vroeger deed ik dat wel eens, toen ik nog klein was, maar nu al heel erg lang niet meer. Auau! Wat doet mijn been zeer! En mijn hoofd doet ook heel heel heel erg zeer. Ik pak mijn grote knuffelbeer beet, net alsof ik ga slapen. Misschien ga ik dan slapen en word ik dan morgen wakker en en zegt mama: ‘Wakker worden slaapkoppie! Je moet naar school!’

Misschien mag ik wel tekenfilms kijken voordat ik naar school ga. Dat mag alleen in het weekend, maar omdat ik veel pijn heb, mag het misschien deze keer wel. Ik doe mijn ogen heel erg dicht en probeer in slaap te vallen maar het lukt niet. Ik heb te veel pijn.

Ik probeer mijn benen weg te trekken van de pijn. HEEL ERG VEEL ZEER. Ik gil en roep ‘PAPAMAMA!’ maar het blijft zeer doen en ze komen niet, hoe lang en hoe hard ik ook roep.

Het is donker en mijn bed is helemaal nat en ik ook. Mijn been doet niet zoveel zeer meer. Het lijkt wel of hij weg is! Ik heb heel erg veel dorst. ‘Papa!’ probeer ik te roepen maar ik kan niet meer zo goed praten. Ik hoest en moet een beetje spugen en dat doet ook zeer. Ik ben heel verdrietig maar ik kan niet huilen.

Als ik in mijn been knijp voel ik helemaal niks. Ook niet bij mijn andere been. Ik ben bang. Ik wil mama en papa roepen maar ze komen niet. En het is zo donker dat ze me vast niet kunnen vinden! Ze kunnen me niet eens zien zó donker! Misschien is het wel altijd nacht. Of misschien ben ik dood! Als je dood gaat, net als oma, ga je heel lang slapen en als je slaapt is het donker.

Ik heb het koud, ik ril. Waar zijn papa en mama? Ik wil naar huis. Wacht! Ik hoor iets. Een geluidje bij mijn buik. Een klein lichtje zie ik, het doet zeer aan mijn ogen, ik doe mijn ogen even dicht. Dan kijk ik weer. Nu zie ik eindelijk wat! Mijn bed is heel erg vies en rommelig, er liggen allemaal stenen en hout op en mijn dekbed is ook vies. En op mijn bed staat een heel klein mannetje, met een puntmuts en een lange witte baard net als in dat boek waar papa uit voorleest! Een kabouter! Het kaboutertje kijkt naar me, houdt een lampje omhoog. Dan komt hij naar me toe. Hij loopt een stukje over mijn been, springt over de balk die erop ligt en die ik niet weg kon duwen en dan staat hij vlak voor mijn gezicht. Hij kijkt van heel dichtbij in mijn oog. Dan doet hij weer een paar stappen achteruit en kijkt me aan. Hij zucht heel diep, net als mama doet wanneer er iets aan de hand is. Dan buigt hij zijn hoofd. Het ziet er gek uit, want ik zie zijn puntmuts van boven en overal om de muts zie ik lange witte haren! Ik lach een beetje maar dat doet pijn. Dan gaat de kabouter weer rechtop staan, hij glimlacht ook.

‘Sorry,’ probeer ik te zeggen, want van papa mag ik niet lachen om hoe mensen er uit zien, maar er komen geen woorden meer uit mijn mond, het doet pijn. Ik zie dat het kleine kaboutertje een beetje verdrietig is. Dan haalt hij een tas van zijn rug en zoekt er in. Hij vindt een klein zakje, echt héél piepklein. Hij doet zijn handje er in en haalt er wat poeder uit. Het lijkt wel poedersuiker, het glimt ook een beetje. Dan komt hij weer naar me toe. Hij tikt op mijn onderlip en ik doe mijn mond open. Hij blaast het poedertje erin.

Waarschijnlijk is het een medicijn voor kinderen, want het smaakt lekker! En ik heb gelijk geen pijn meer in mijn keel! Dat is fijn. Ik voel me helemaal warm worden en gezellig en overal gaat de pijn weg. Het kaboutertje buigt weer en dan blaast hij zijn kleine lampje uit.

Maar nu ben ik niet meer bang in het donker. Ik voel me héél dapper en sterk. En dan, dan zie ik een ander lichtje. Het lichtje wordt heel groot en dan zijn daar papa en mama! Ze tillen me op en ze hebben ook nog een puppy voor me! Dat wilde ik het allerliefste van de hele wereld, al van toen ik nog klein was. Ik ben blij!

Eindelijk is alles weer helemaal goed.