Ik ben half wakker. Er zit iets klem, ik voel het. Met mijn rechter wijsvinger ga ik op onderzoek uit. Zit te diep. Hm. Ik haal adem via mijn neus, snel heen en weer. Helpt niet. Ik duw met mijn vinger op mijn ene neusgat, zodat ik met meer kracht door mijn andere neusgat kan uitblazen. Komt het los? Nee, jammer.

Ik luister even naar de andere geluiden in de slaapkamer, hoor het regelmatige ademhalen van drie mensen die ik graag nog even wil laten slapen. Ik probeer het nog eens, één neusgat dicht en flink: Fffft… uitblazen via het andere gaatje. Ik hoor mijn zoontje naast me een beetje kreunen. Niet wakker worden!

Ik blijf even stil, werk nog even door met mijn vinger, maar helaas, hij zit te diep. Kan er nét niet bij. Dan wacht ik tot de ademhaling van mijn zoon weer rustig is en FT! Met precies de juiste kracht knalt het propje uit mijn neus, recht in mijn vingers die al klaar zijn op hem op te vangen. Yes! Succes! Ik heb hem. Wat een flinke zeg! Oh wacht. Is er iemand wakker geworden?

Het is stil, gelukkig.

Tevreden rol ik het natte propje tussen mijn vingers. Per rol wordt het ietsje droger, totdat het bijna niet meer aan mijn vingers plakt. En nu? Afvegen aan mijn t-shirt van gisteren of achter het bed laten vallen zodat ik over een week weer ‘tik tik tik’ hoor als ik daar stofzuig?

Ik realiseer me dat het best gek is dat ik een klein beetje een tevreden gevoel heb als ik een snotje uit mijn neus krijg. Dat ik bijna trots ben als het een flinke unit is. En ineens weet ik dat dit hetzelfde gevoel is als ik een computerspel speel, wanneer ik een lastige veldslag win of tussen een grote groep zombies door weet te vechten. Trots op iets wat niet tastbaar is, iets waar ik niets aan heb en andere mensen ook niet. Trots op een lastig snotje.

Even denk ik dat ik nu vast ga stoppen met gamen, omdat het zo weinig concreets oplevert. Dan lach ik. Ik stop toch ook niet met pulken. Gekke ik.