Het meisje van tien zegt dat ze echt niet als enige gaat helpen met vegen. Als ik haar toch de bezem aanbiedt, vlucht ze lachend naar buiten. De juf van groep 4 kijkt haar na.
‘Toen ze bij mij in de klas zat, was ze nog heel stil. Leuk om te zien hoe vrolijk en open ze is geworden,’ zegt de juf.
We schuiven de tafels terug, zetten de stoeltjes erop. Klein, heel klein, zijn de stoeltjes van groep 4.

Ik kijk uit het raam naar het plein, waar het meisje rond rent. Ik kan me totaal niet voorstellen dat deze spraakzame en vrolijke druktemaker ooit stil in een hoekje heeft gezeten.
‘Maar toen sprak ze ook nog bijna geen Nederlands,’ gaat de juf verder, ‘en ze had tot haar zevende met haar moeder in de gevangenis gezeten in XXland.’
Ik ben even stil, begrijp het niet.
‘Had haar moeder drugs gesmokkeld ofzo?’
‘Nee,’ zegt de juf, ‘politieke gevangene.’
En ik schaamde me voor mijn vraag, maar ik wist niet waarom.