Voor me op het smalle fietspad fietst een vader. Zijn zoontje, 7 of 8 jaar, stept naast hem. Ze hebben een stevig tempo, maar het ventje stept dapper door. De hand van de vader gaat even naar de capuchon op de rug van het jongetje, heel handig pakt hij het beet om het over het vast iets te koude hoofd van zijn zoontje te leggen.

Dat ga ik later ook doen, denk ik, met mijn zoontje, als hij oud genoeg is. Samen op pad, hij op zijn kleine fietsje, of op zijn stepje, ik ernaast op mijn grote fiets en hem dan heel voorzichtig door het verkeer begeleiden.

Ik kom iets dichterbij, fiets langzamer omdat het pad te smal is om in te halen en de stoep te hoog om uit te wijken. De vader heeft door dat er iemand achter hen fietst. Hij wordt meteen zenuwachtig, gaat iets harder fietsen om zijn zoon in te halen, maar die stept gewoon iets steviger door en houdt hem bij. Ik hou nog meer in om aan te geven dat ik geen haast heb. De vader merkt dat niet. Hij trapt harder door, legt zijn hand op de rug van zijn zoontje, probeert hem in de richting van de stoep te duwen, duwt iets te hard, het zoontje raakt uit balans en valt, hard, op zijn handen en klapt door, op zijn gezicht.

Het jongetje gilt. Ik rem af, wil kijken of ik kan helpen, maar besef dat ik niet meer kan doen dan de vader. Als ik voorbij het ventje fiets, zie ik zijn van pijn en schrik vertrokken gezicht. Hij gilt harder.

Als ik de vader voorbij fiets, kijkt de man me verontschuldigend aan, haalt zijn schouders op, alsof hij zich schaamt voor zijn onhandige zoon die zomaar op straat valt en daarmee het verkeer ophoudt.

Ik fiets door en kijk niet achterom.