Het warme, lome weer nodigt uit tot rustig peddelen op mijn fiets. Iedereen die ik zie, is vertraagd. Jongens met een voetbal lopen sloom over straat, duwen lusteloos de bal vooruit. Een bejaarde dame in haar voortuin veegt tergend traag het zweet van haar voorhoofd met een zakdoek.

Als ik de bocht om ga, zie ik ineens in het gouden zonlicht vier kleine engeltjes staan, midden op straat. Vier meisjes in zomerjurkjes, blonde en bruine haren als halo’s om hun hoofdjes, blote voeten. Ze giechelen zachtjes terwijl ze een fietser nakijken die gehaast van ze vandaan rijdt.

Ik kom steeds dichter bij de dametjes. Dan stopt er een even met giechelen en kijkt naar me om.

‘Hoi!’ zeg ik vrolijk. Zij lacht een heldere lach.

Dan draaien ze zich alle vier gelijktijdig om. Vier enorme supersoakers in kleine handjes, dunne armpjes die fanatiek meer lucht erin pompen. Ze giechelen.

Neeneeneenee,’ roep ik nog, en ik zwaai afwerend met een hand. Ik kan niet stoppen, omdat ik dan nooit meer op tijd weg kan komen, kan alleen nog maar proberen hard langs ze te fietsen.

Vier harde stralen raken mijn lichaam van voet tot gezicht, ik wankel maar fiets door, passeer ze zo snel als mijn oude rijwiel en mijn ongetrainde benen toestaan.

Ik fiets zo snel mogelijk weg, zie het water mijn lichaam af sijpelen, in straaltjes, de straat op, parallel aan de sporen van hun eerdere slachtoffers. Hun kakelende lach achtervolgt me tot mijn voordeur.

Sinds die tijd schrik ik, als ik kleine meisjes gezamenlijk hoor lachen. Ik weet nooit wat ze van plan zijn.