Donderdagmiddag, zes uur. Ik wacht op de trein naar Leiden. Om me heen staan mensen die al jaren vijf dagen in de week op de dezelfde trein staan te wachten. Ze voeren handelingen uit die ze al honderden keren hebben uitgevoerd. Ze houden in één hand een aktetas en een paraplu vast, en in de andere de gratis krant, of klappen hun vouwfiets met twee handige bewegingen in, zetten hun voeten stevig aan weerszijden van de fiets, bang dat hij wordt gestolen. Ze staan allemaal op hun vaste plek op het perron, waar ze door ervaring weten dat de deuren er het dichtstbij open gaan, zodat ze deze keer dat stuk naar Den Haag niet hoeven te staan. Hun blikken zijn gelijk, of ze nu muziek op hebben, een krantje lezen of voor zich uit staren, iedereen heeft dezelfde, in zichzelf gekeerde blik.

Een superieur gevoel overspoelt mij. Jullie werkslaven! Vastzittend in een ritme dat jullie niet zelf verzonnen hebben, gekleed zoals jullie bazen dat vereisen. Elke dag veel te vroeg uit je bed om in een overvolle trein te zitten met chagrijnige, stinkende en snurkende mede-slaven, zo laat en leeg thuiskomen dat je alleen nog maar in staat bent om naar een paar domme programma’s op tv te kijken tot je in bed rolt om op tijd weer op te kunnen staan. Ik ben vrij! Ik kan doen wat ik wil, op de tijden die ik kies, kan gaan waar ik heen wil gaan, ga slapen als ik daar zin in heb, sta op als ik het nodig vind, alles wat jullie leven begrenst en beperkt, heb ik vaarwel gezegd!

Triomfantelijk schrijf ik dit op in mijn zwarte boekje. Dan ik zie ik de slijtageplekken op mijn zes jaar oude jas, en de bovenste knoop die mist. Ik zie de gaten in mijn spijkerbroek. Ineens moet ik denken aan het smeek-gesprek dat ik met mijn zusje voerde om alwéér geld te kunnen lenen voor het betalen van mijn belasting. Hier sta ik heel pretentieus te doen alsof ik met mijn glimmende parkerpen allemaal interessante gedachten opschrijf in mijn boekje dat natuurlijk al helemaal vol zit met geniale gedachten en kleine pareltjes van beeld en taal, maar eigenlijk heb ik nog geen dingen gepresteerd waar ik verwaand door zou kunnen gaan doen.

Snel stop ik mijn boekje weg, en vol schaamte verschuil ik me achter een grote betonnen paal. Als de trein komt, glip ik ongemerkt naar binnen om ergens op een onopvallende plek te gaan zitten. Zo ziet niemand mij.