‘Weet je nog, mijn oude buurman?’ zegt de dame waar ik vroeger schoonmaakt.

Ik knik.

‘Hij is 98 geworden.’

‘Dat is oud,’ zeg ik. ‘Heeft zijn zoon nog veel nare dingen met hem uitgehaald?’

‘Je bedoelt de zoon die altijd te weinig brood kocht voor zijn vader, zodat hij op zaterdag niks meer te eten had en we hem moesten bijvoeren? Die het pinpasje van zijn vader had gejat en van zijn duur verdiende pensioen lekker twee keer per jaar op vakantie ging? De zoon die samen met zijn vriendin het goede wc-papier jatte om er van dat goedkope grijze wc-papier voor terug te hangen? Die zoon?’

‘Ja,’ zeg ik, ‘die zoon.’

‘Ha!’ zegt ze, ‘Die heeft lekker een hersenbloeding gehad vlak voordat zijn vader overleed.’

‘Is hij dood?’ vraag ik.

‘Nee, hij zit kwijlend achter het raam thuis. En nu moet zijn monsterlijke wijf hem verzorgen. Want als ze hem in een tehuis stopt… dan moeten ze de erfenis van zijn vader afstaan.’

‘Ik hoop dat ze zijn achterwerk alleen maar veegt met dat schrale wc-papier dat ze voor zijn vader kochten,’ zeg ik, onbarmhartiger dan ik mezelf ken.

Ze knikt. ‘Moge zijn anus tot aan zijn laatste drol rood en schraal zijn.’