‘Waarom heb je een plastic handschoen in je jaszak?’ vraag ik aan de bejaarde dame waar ik elke week drie uur ben om zinloos schoon te maken (zinloos omdat ze zelf haar huis beter schoonhoudt dan ik ooit zou kunnen. Ik ben alleen nuttig als ik de ramen lap of stof van de kasten af veeg). Ik raap de handschoen op die is gevallen en stop hem terug in de jas aan de kapstok.

‘Ik hou niet van poep aan mijn handen,’ zegt ze, en ze laat zich met een zucht zakken in haar stoel. Ik ga zitten op de bank, pak mijn kopje met voorgeroerde koffie. Ze ziet dat ik haar niet begrijp.

‘Er was een man die zijn hond liet schijten op de stoep, precies voor mijn voordeur. En dan ruimde hij het niet op! De schoft. Elke dag hè. Dus op een dag pak ik een krukje, en ga beneden zitten achter de deur. En maar wachten en wachten. Toen kwam hij langs, de oude zak, met zijn dikke hond. Is niet goed hoor, dat een hond zo dik wordt, dan geeft hij hem vast verkeerd eten. Maar goed, hij stopt, en dat beest draait een enorme drol precies voor mijn voordeur. Die zak kijkt ernaar, en trekt dan zijn hond gewoon mee! Aan een riem die de keel afknijpt, je weet wel.’

Ik knik.

‘Ik doe dus de deur open. ‘Hé ouwe zak!’ roep ik. ‘Ruim die schijt van je hond op!’

Hij kijkt me aan en roept, zó ordinair, hij roept: ‘Bemoei je met je eigen zaken, kutwijf!’

Ik ontplof bijna! Dus ik stap de stoep op en pak, hoppakee, die dampende drol, loop naar hem toe en wrijf het zó in zijn gezicht en in zijn haar.’

Ik lach, zij lacht ook, smakelijk.

‘Maar ja, toen zat mijn hand vol met poep. Ik heb hem een half uur staan wassen. En mijn ring heb ik uit moeten koken.’ Ze kijkt vol liefde naar de ring die ze van haar vriend heeft gekregen, vlak voordat hij overleed aan ALS, nadat ze hem jaren thuis had verzorgd.

‘En wat deed die man?’ vroeg ik.

‘Hij schrok zich rot en liep zo snel weg als hij kon. Maar hij had er niet van geleerd! Hij heeft nog een keer zijn hond op de stoep laten schijten. Weer precies voor mijn voordeur!’

‘Wat heb je toen gedaan?’

‘Jaha,’ lacht ze, ‘ik weet waar hij woont en waar zijn rode blikken nepautootje altijd geparkeerd staat. Dus ik die drol opgeraapt, ben naar zijn rode Cantaatje gelopen, en toen heb ik heel netjes de voorruit van dat stomme koekblik ingesmeerd, en de sleutelgaten volgepropt.’

‘Vieze handen gekregen?’ vraag ik. Ze glimlacht.

‘Ik had zo’n handschoentje bij me. Die heb ik daarna uitgedaan en netjes bij hem in de brievenbus gegooid. Heb hem nooit meer gezien, met zijn stomme hond.’

‘En nu heb je nog steeds altijd een handschoen bij je,’ zeg ik.

‘Je weet maar nooit,’ zegt ze, ‘je weet maar nooit.’