Poes

Ik peuter de de rood met witte haar uit mijn laptop en hou hem omhoog.
‘Dit is een haar van Henkie, mijn kat,’ leg ik uit. Mijn leerlingen lijken er niet in geïnteresseerd. Ik laat het stop-motion filmpje zien van deles ervoor. Ze lachen en wijzen als ze zichzelf leuke dingen zien doen. Als het klaar is, doe ik de laptop dicht en vertel de opdrachten voor deze week. Ze gaan allemaal aan de slag, op één jongetje na. Hij kijkt me aan.
‘Wat voor kat is het?’ vraagt hij.
‘Ehm, Henkie? Een rode kat,’ zeg ik.
‘Nee, wat voor kàt is het.’
‘Een Europese korthaar? Een gewone kat? Hij is wel een beetje gek,’ zeg ik.
Het jongetje zucht, denkt dan even na.
‘Is het een mannetje of een vrouwtje,’ vraagt hij uiteindelijk.
‘Ooh,’ zeg ik, nu ik het eindelijk begrijp, ‘een mannetje.’
‘Okay,’ zegt hij, en hij loopt naar de andere leerlingen om aan de opdracht te werken.

Schnitzel

De computer werkt alwéér niet mee.
‘Schnitzel!’ zeg ik. Een van mijn leerlingen, een meisje van acht, kijkt me aan.
‘Wat zegt u meester?’
‘Ehm, ik zeg schnitzel.’
‘Wat betekent dat?’
‘Dat betekent schnitzel.’
‘Nee, waarom zegt u schnitzel?’
‘Omdat ik boos ben en eigenlijk iets anders wil zeggen dan schnitzel.’
‘Maar wat betekent het dan?’
‘Schnitzel,’ zeg ik vrolijk, maar zelfs ik weet dat dat niet grappig is. Het meisje kijkt me boos aan. Dan komt mijn assistente langsgelopen, op weg naar een andere leerling.
‘Schnitzel betekent chips,’ zegt ze in het voorbijgaan.
‘Ooh, chips!’ zegt het meisje.