Mijn zoontje van drie staat op het torentje van het klimtoestel. Hij zwaait vrolijk, net zoals de dertig keer eerder voordat hij de touwbrug overklauterde. Ik zwaai terug.

Voor de trap naar het torentje komt een jongen van zijn leeftijd te staan. Hij kijkt zoekend om zich heen. Dan ziet hij achter mij degene die hij moet hebben.

‘Pappa!’ roept hij, ‘Pappa!’

Mijn zoontje ziet het roepende ventje, kijkt dan met hem mee. De lach vertrekt van zijn gezicht. Hij kijkt naar mij en dan weer naar het jongetje, die zijn keel flink opentrekt.

‘Pappa! Pahappa!’

Mijn zoon wijst dan naar mij, terwijl hij het ventje aankijkt vanaf het torentje.

‘Dat is míjn papa!’ zegt hij. Het jongetje merkt niet dat er tegen hem gesproken wordt.

‘Pahappa. Pappa!’ roept hij weer.

Ik kijk achter me. Een lange blonde man is in gesprek met een oudere dame.

‘Pappa!’ roept het ventje ongeduldig.

Mijn zoon kijkt heel strak naar het kereltje, wijst nogmaals naar mij.

‘Dat is mijn papa!’ zegt hij. ‘MIJN papa.’

Het jongetje hoort het niet. Weer roept hij: ‘Pappa!’

Mijn zoon kijkt mij met grote ogen aan. Dan loopt hij naar het trappetje, stampt trede voor trede naar beneden en beent op het ventje af.

‘Papa! Pappaah,’ roept het jongetje.

Mijn zoon gaat voor hem staan, voeten stevig op de grond en met een rechte rug. Hij kijkt het ventje doordringend aan, wijst dan naar mij en roept:

‘Dat is MIJN PAPA’.

Het ventje kijkt mijn zoon een halve tel aan.

‘Pappa’ roept hij dan met schril stemmetje en hij rent weg zo snel als zijn korte beentjes hem kunnen dragen.

Mijn zoon gromt eventjes, heel tevreden en klimt dan met kordate stappen weer het trappetje op. Staande op de toren zwaait hij naar naar mij. En ik zwaai vrolijk terug.