Een paar mannen trekken hazmat-pakken aan. Ik ben in Artis maar zie nergens dieren. Mijn telefoon zit niet in mijn broekzak. Is hij gestolen of heb ik hem laten liggen op de basisschool waar ik net was, of op het feestje waar ik ook was? En waar staat mijn fiets? Ik kijk om me heen. Dan stel ik scherp op de mannen met de hazmatpakken. Een ervan komt steeds scherper in beeld, ik zoom in. Hij ziet me kijken, grijnst duivelig breed terwijl hij zijn grote, zware handschoenen aantrekt. Dan zie ik ook op andere mannen met dezelfde pakken, op andere plekken in het park dat op het Oosterpark lijkt. De hekken er omheen zijn alleen veel hoger. Dan slaat een van de pakmannen een kind, met zijn zware handschoen. Een ander doet het ook, ze doen het allemaal, ze slaan alle kinderen in Artis kapot. Kinderen klimmen massaal tegen de hekken op, proberen te ontsnappen maar de hekken zijn hoog. Ik wil er ook naartoe rennen, over de hekken heen klimmen. En dan rammen monsters die op neushoorns en bulldogs lijken, vanaf de andere kant dwars door de hekken, dwars door de kinderen heen.

‘Papa? Papa?’ Mijn zoontje maakt me wakker. Hij is vannacht blijkbaar bij ons in bed gekropen. ‘Ik heb een enge droom gehad. Meneren gingen mensen doodmaken,’ huilt hij.

Ik pak hem beet voor een stevige knuffel.

‘Papa is bij je,’ zeg ik.

Ik vraag me slaperig af of hij dezelfde droom kan hebben gehad, hoop heel erg van niet. Of kan de duisternis van een droom van het ene naar het andere hoofd overspringen, als de hoofden dicht bij elkaar liggen? Ik vecht met de slaap, mijn ogen willen niet open.

‘Papa, papa,’ zegt hij, ‘zullen we boterhammetjes gaan eten?’

Ik kijk op de wekkerradio: 6:20.

‘Nog even slapen?’ probeer ik.

Hij knikt. Ik draai me om. Even liggen we stil naast elkaar maar ik voel dat mijn zoontje niet meer kan slapen. Ik draai terug, zie dat hij met wijd open ogen naar het plafond staart.

‘Wij gaan boterhammetjes eten,’ zeg ik.

Hij lacht.