Ik zie nog steeds maar één kleur onder het boorplatform als ik naar beneden kijk. Alleen is het een andere kleur dan vorige week. Toen was het nog het grijsgroen van de zee met af en toe een witte schuimkop, nu zijn het honderd varianten van groen. Bosgroen. Tot zover ik kan zien zijn er alleen maar bomen, vooral eiken, met hier en daar de schittering van een klein beekje of meertje.

Toen ik wakker werd, merkte ik meteen dat er iets niet klopte. Ik snoof de lucht op: nog steeds staal en roest en olie, maar er was nog een andere geur bijgekomen, een wilde, zoete, volle, warme geur. Ik herkende de geur, maar kon het niet benoemen. Ik zat meteen rechtop. Op een boorplatform ben je altijd scherp: er gaat bijna nooit iets mis, maar als er problemen zijn, is je leven in gevaar. Onbekende geuren of geluiden? Gelijk alert zijn. Dat was het tweede: het geluid was anders. De zee geeft een diep ruisend geluid, er zit een ritme in, ook al is het soms onregelmatig. Dat geluid was weg. Vogels, die hoorde ik, heel erg veel vogels. Geen meeuwen. Die kwamen hier regelmatig langs om te kijken of we oud voedsel wilden delen. Werk op een platform is saai. Meeuwen naar oud brood laten happen geeft afleiding, zeker als je er een stuk staal in verbergt zodat ze direct tien meter naar beneden donderen voordat ze het broodje staal loslaten en boos krijsend wegvliegen. Maar meeuwen hoorde ik niet meer, het waren andere vogels, duiven vlak naast mijn kajuit die koerden en krabbelden over het staal maar ook duizenden vogels die krijsend rond onze toren vlogen.

Ik stond op, keek naar buiten en zag meteen het bos. Overal bos en duizenden vogels die in grote zwermen langs vlogen, genoeg om de prille ochtendzon half te verduisteren. Ik wreef in mijn ogen en stapte de gang op, zag daar André lopen, die met grote ogen naar buiten keek.

‘Wat de fuck,’ zei André. Hij vloekte normaal nooit. We liepen samen naar buiten en keken over de galerij naar beneden. Vijftig meter lager zagen we de toppen van enorme eiken. We keken elkaar aan, verbijsterd.

‘Heeft Chef gisteren magische paddenstoelen in het eten gedaan?’ zei André.

Ik haalde mijn schouders op.

We klommen naar het laagste punt van ons boorplatform, de onderhoudsruimte. Daar zagen we de bomen van dichterbij, herkenden sommige vogels die er in nestelden, merels en kauwtjes, spreeuwen en kraaien. Ook vogels die ik niet herkende. André wees een roedel herten aan die even zichtbaar was op een open plek in het bos, tussen twee omgevallen woudreuzen. De bomen waren nu zó dichtbij dat ik het gevoel weer kreeg dat ik vroeger altijd had in de flat waar mijn oma woonde, dat ik zo over de reling zou kunnen springen naar de bomen toe, om me door de takken op te laten vangen. Ik deed het natuurlijk nooit, maar het voelde altijd wel alsof het mogelijk was, dat de takken mijn val zouden breken zodat ik heelhuids op de grond kon belanden.

We maken de andere mannen wakker. Iedereen is verbaasd en stil eerst, daarna komen de discussies.

We pompen geen olie meer op, dat is wel duidelijk. Alle machines staan uit. De telefoons doen het niet meer, de computers en de beamer ook niet. De gasfornuizen doen het nog wel in de keuken, en het opwind horloge van Ferenc tikt vrolijk door. We wachten. Zittend op een volstrekt nutteloze toren van beton en staal wachten we een paar dagen tot we gered worden. We praten over hoe het kan dat we nu met onze toren in een bos zitten, maar geen enkele mogelijke oplossing klinkt als een logische verklaring. We weten het niet.

Normaal gesproken komt er een helikopter, als we problemen hebben. Er komt er zelfs elke drie dagen eentje om eten te brengen en dvd’s (Netflix heeft het hier nooit gedaan: geen fatsoenlijk internet). Maar er komt geen helikopter en al snel realiseren we ons dat die nooit meer zal komen, niet in deze wereld. We zien namelijk ook geen vliegtuigen overvliegen, niet meer het lichtje van het internationale ruimtestation boven ons hoofd.

We eten eerst alle vis en vlees uit de vriezers op en daarna eten we de koelkasten leeg. Nu hebben we nog meel voor pannenkoeken en heel veel blikken met allerlei soorten bonen. Het vult. We kijken steeds vaker naar beneden. De Polen vertellen wat er allemaal aan eetbaars in het bos te vinden is. Ook ik wil wel op avontuur uit in het eikenwoud. Ik ben altijd al een boskind geweest, van mijn vierde tot mijn veertiende ging ik elk weekend op pad met mijn oudere broers, het bos en de moerassen in aan het eind van onze wijk om avonturen te beleven en om te vissen, fikkie te stoken en boomhutten te maken.

Twintig mannen op een boorplatform draaien hun hand er niet voor om: een ladder maken die tachtig meter lang is. Kabels hebben we genoeg, en hoewel de lasapparaten het niet doen, weten we met twee lange staalkabels, bouten en moeren en haken, een ijzersterke ladder te maken. Ik ga er als eerst langs naar beneden, vrijwillig. Het bos ziet er niet gevaarlijker uit dan de bossen die ik uit mijn jeugd ken, ook al zijn er duidelijk veel meer dieren en zijn de bomen hoger, krommer, schever, vaker half omgevallen en leunend tegen andere bomen aan. Het is een wild bos, een oerwoud, waar nog nooit een mens lijkt te zijn geweest.

De ladder zwiept heen en weer terwijl ik naar beneden klauter. Ik zeker me steeds aan de staalkabels. Dat ik naar beneden durf te klimmen, betekent niet dat ik dom ben. Twee stapjes, haak 1 losmaken en verplaatsen, twee stapjes, haak 2 losmaken en verplaatsen. Het duurt even voordat ik beneden ben, met een brandbijl op mijn rug en een hamer en  klinknagels, bouten, een stuk kabel en moeren in een tas die aan mijn middel hangt. Ik kijk om me heen als mijn schoenen de vaste grond raken. Het bos lijkt terug te kijken, nieuwsgierig naar wat voor soort wezen er nu aan een wiebelende stalen ladder naar beneden komt. Maar ik zie niets waar ik me zorgen over zou hoeven maken en ik maak de ladder stevig vast aan een boom. Op de een of andere manier voel ik me er niet prettig over om spijkers in de boom te slaan, dus ik sla gewoon de kabel om de boom en maak daar de ladder aan vast.

Al snel zijn de Polen beneden, die vrolijk lachend het bos in lopen om paddenstoelen en planten te verzamelen. Andere mannen volgen, tot iedereen beneden is, inclusief Chef, die direct een paar pannen en een rooster meeneemt.

We maken een kamp. De discussies over waar we zijn en hoe we hier komen, laaien af en toe op, maar we praten nu steeds vaker over wie we graag zouden willen zien en welke dingen we missen, en wat we missen. En ik merk tot mijn schrik dat ik mijn hond Schorrie méér mis dan mijn vriendin.

We eten pannenkoeken omdat de Polen eieren hebben gevonden, de helft opgebakken met paddenstoelen en de andere helft bestrooid met het laatste beetje suiker. We drinken water uit een beekje, dat ik eerst voor de zekerheid heb gekookt, maar het zag er zo helder en schoon uit dat het als overbodige moeite voelde.

We praten niet meer, in de avond, niet meer over hoe het kan dat we hier nu zitten, niet meer over wie we missen, niet over wat we gaan doen. We zitten zwijgend rond het kampvuur en drinken de laatste restjes sterke drank. Morgen gaan we weg, in de richting van waar we ooit woonden, waar de vaste land was. De Polen, Sven uit Antwerpen, André en ik gaan naar het Oosten, de Engelsen en Ieren gaan naar het Westen.

Van de mannen die naar het Westen gingen, kwam ik alleen Chef nog een keer tegen, jaren later. Hij werkte als kok in een soort geïmproviseerde herberg in de vervallen stad waar de Spiegelrijn uit het Engelse meer stroomt. Ik had drie dagen verlof uit het Amsterdamse leger, waar ik een van de verkenners was. Chef en ik wisten nog steeds niet waarom onze Boortoren ineens in het bos stond, ook al hadden we het de eerste maanden aan iedereen gevraagd die we spraken, hij aan de vluchtelingen rondom het Engelse meer en ik aan iedereen in de omgekeerde steden in Holland waar ik maanden rondzwierf tot ik Schorrie (en mijn toenmalige vriendin) terug vond. Niemand wist waarom de wereld ineens was omgekeerd. En nu maakte het ook niet meer uit: we hadden allebei een nieuw leven gevonden waar we voldoening uit haalden. Hij met zijn baan als kok en ik samen met Schorrie, die heel goed bleek te zijn in het speuren naar vreemde en gevaarlijke wezens.

Chef maakte pannenkoeken voor mij die avond. Eentje met opgebakken paddenstoelen en eentje met suiker. En daarmee hadden we er genoeg over gezegd.