Ik doe het niet. Ik weiger om zo te praten. Er zal geen toediewoedie of opoediepoediepoe uit mijn mond komen, laat staan hopsieflopsie of iets anders achterlijks. Met zo’n hoog stemmetje. Ik doe normaal, praat normaal, en heb ga ook geen gekke bekken trekken. Ik zwéér het.

Dan krijg ik de vijf dagen oude zoon van mijn broer in mijn armen gelegd. Mijn allereerste neefje.
‘Hallo,’ zeg ik tegen hem, en dat klinkt heel erg stom. Ik weet even niets te zeggen, terwijl ik normaal nooit om woorden verlegen zit. Ik kan alleen maar kijken naar dat piepkleine ventje. Ik probeer woorden te maken, maar mijn mond vormt ze niet. Wat moet ik zeggen? ‘Wat zie je er lekker gerimpeld uit?’ Moet ik vragen naar zijn gevoelens aangaande de bevalling? Ik kijk en ik kijk naar hem, doe dan mijn mond open.
‘Oetietoetie?’ zeg ik, en hij kijkt me aan en lacht.