Ze beginnen mij en mijn vriendin goed te leren kennen, hier in het ziekenhuis. De neuroloog en de oncoloog kenden mij natuurlijk al heel erg lang, maar sinds ik een relatie heb met Sofie is ze altijd meegegaan naar alle afspraken.
‘Ik wil alles met je meemaken,’ zei ze simpelweg toen ik haar vertelde over de halfjaarlijkse controles die bedoeld waren om te zien of mijn cellen zich niet weer iets te enthousiast delen.

Dus ze ging mee, elke keer, drie jaar lang. Elke keer was ze bij alle voorgesprekken, als ik weer met mijn hoofd in de MRI scan moest om mijn hersenen te laten checken, bij het horen van de uitslag. En elke keer konden we weer opgelucht weg. Tot dit jaar.

‘Een ongeneeslijke vorm van kanker,’ zei de oncoloog. Hij gebruikte andere woorden, maar ik had er genoeg verstand van gekregen om te weten wat hij bedoelde. Sofie kneep in mijn hand en keek me aan, en op mijn gezicht kon ze alles lezen. Het einde. Ergens verbaasde het me niet. Op mijn elfde had ik voor de eerste keer een hersentumor gekregen, op mijn 22ste voor de tweede keer, en nu ben ik 33. Ik had alleen nooit gedacht dat dit dan ook meteen mijn allerlaatste zou zijn, de definitieve klap. In de zes maanden tussen twee scans heel smerig en stiekem opgebouwd, en dan BAM, vol in mijn kop, zo groot als een walnoot. Dat zei mijn neuroloog. Omdat walnoten op hersenen lijken, is het een soort walnoot in je walnoot, zei hij nog. Mijn neuroloog is nogal een grappenmaker.

Sofie keek mee naar de 3d-scan op het beeldscherm toen hij het vertelde. Ze stak haar vinger uit en raakte de plek aan waar het vlekje zat, alsof ze met één vinger het noodlot weg kon vegen. Maar het vlekje kon niet worden uitgewist.
‘Misschien groeit hij niet,’ zei oncoloog, ‘we hebben patiënten gezien bij wie de tumor nauwelijks groeit, jaren lang.’ Ik geloofde dat niet. Alles groeit bij mij razendsnel, op de basisschool was mijn tuinkers de grootste, de tomaten op mijn balkon rijpen al in mei, die tumor zou ook wel groeien als, als ja, eh tuinkers. Of tomaten, dat is een betere vergelijking.

En toen gingen we naar huis, en daar liet Sofie mij schrikken, want zij had ook een walnootje in haar lichaam, maar dan een goeie. Zo eentje waarvan je hoopt dat hij zo groot mogelijk wordt. We hebben hem gehouden. Ik heb niet eens gevraagd of ze het wel aandurfde, zo met die tijdbom in mijn kop. Deze was voor ons, ons cadeautje voor elkaar. En we keken samen, die maanden erna, naar haar echo’s en mijn scans. Haar walnootje groeide gelukkig stukken sneller dan die van mij. En ze straalde en ze huilde. Ik vroeg haar steeds om dat niet te doen, janken deed ze maar als ik de pijp uit was. Ik wilde nu alleen maar van haar prachtige glimlach genieten. Ze deed het niet, zei ze, zij had mij genomen zoals ik was, ik nam haar maar zoals zij was. En daar had ze natuurlijk volkomen gelijk in, die huilebalk.

Ik begon er last van te krijgen, van mijn groeiende walnootje. Dingen gingen minder. Praten ging nog wel, lopen ook, plannen maken was nog geen probleem, maar ik werd steeds vaker misselijk, en mijn motoriek ging achteruit. Om de haverklap liet ik serviesgoed uit mijn handen vallen, stootte vazen om. Sofie dreigde om alles in huis te vervangen door plastic voorwerpen zodat ze minder scherven hoefde te ruimen. Ze had zelfs voor de grap een offerte laten maken voor het bedekken van de vloeren en alle muren met die rubberen tegels die je tegenwoordig op alle kinderspeelplaatsen ziet liggen.
Alles zal minder worden, elke dag, een voor een vallen functies uit, totdat ik een plantje ben, een dood plantje dan, want dat had ik op mijn 23e heel helder vast laten leggen. Al onze vooruitzichten werden slecht. Toch wilde ik haar nog één hoogtepunt geven, iets waardoor ze mij zou herinneren als de man die ik ben, en niet als de scherven ervan. Ik wilde haar nog één keer verrassen en meenemen op een groot avontuur.

Daar lag ik weer, vastgebonden op een plank en mijn kop vastgeklemd, in het grote plastic gat geschoven waar de MRI scan omheen gebouwd is. Weer gaan ze met die grote magneet plakken van mijn hersenen vastleggen om te zien hoeveel ruimte die walnoot opeist in mijn kop. Weer zit Sofie naast de vriendelijke dame die de machine bestuurt.
De machine heeft zijn eerste draaicyclus gehad. Ze hebben genoeg informatie. De vrouw vraagt of alles goed gaat met mij, of ik niet misselijk ben. Ik vraag of ze even naar me toe wilt komen, ze staat op, komt de onderzoeksruimte in. Ze laat Sofie achter bij de computers. En Sofie ziet het beeldscherm, waar mijn onhandige Powerpoint-presentatie begint te spelen. Ze ziet mijn gephotoshopte foto’s, ik met een kleine baard, een grote baard, een lange witte baard, elke foto weer naast haar, zij met steeds langer en witter wordend haar. Ze hoort het liedje uit de disco waarop we het eerst gezoend hebben, ze ziet ons op vakantie naar alle landen waar we geweest zijn, en een paar landen waar we naartoe hadden willen gaan. Dan hoort ze mij zeggen dat ik geen angst meer ken sinds ik haar ontmoette, dat de wereld veel meer te bieden heeft, dat ik meer kleuren kan zien, beter kan proeven en ruiken en veel meer voel sinds die gelukkige dag, en dat ik dat met haar wil vieren.
Ze leest dat ze maar eens moet kijken in mijn jaszak. Ze kijkt naar de machine waar ik in lig, glimlacht, staat op en haalt het doosje uit mijn jaszak, opent het en knikt ja, begint te huilen. Ik word losgemaakt van de plank, sta op, Sofie komt binnen en hier, op de plek waar het noodlot het zichtbaarst is, kussen we, en beloven we elkaar eeuwige liefde. Of in ieder geval tot de dood ons scheidt.