Ik was mijn vader vergeten. De biologische dan. Maar hij was er wel, daar op de gang in de rechtbank, vlak voordat de terechtzitting begon waarmee ik mijn adoptie ongedaan ging maken. De adoptie door de ex-man van mijn moeder. Ergens is het wel logisch dat je je biologische vader terug krijgt als je je adoptiefvader aan de kant zet, maar ik had het me gewoon niet gerealiseerd.

‘Hoi,’ zegt hij. Ik kijk hem nieuwsgierig aan. Hij ziet er niet anders uit dan op de zwart-wit foto’s die ik van hem had.
‘Alles goed?’ vraagt hij. Ik haal mijn schouders op, steek mijn hand uit. Hij pakt hem gretig aan, alsof hij het niet verwacht had.
‘Lang geleden,’ zegt hij dan.
’16 jaar,’ zeg ik. Zo lang geleden ging hij weg, en ik had hem nooit meer gezien. Ik kijk op mijn brief of ik bij de juiste zaal ben, en ga dan op het bankje zitten. Hij gaat naast me zitten.
‘Ik woon nu in Alphen aan de Rijn,’ zegt hij. Ik knik, want ik had dat gehoord, via via. Hij ging bij zijn vrouw en kind weg omdat ze zijn carrière als rocker in de weg stonden, en eindigde als gemeenteambtenaar in Alphen aan de Rijn. Met een nieuwe vrouw en een nieuw kind.
‘Leuk huisje gekocht daar, met uitzicht op de haven. Wist je dat Alphen een haven heeft? Bijna niemand weet dat.’
Dat wist ik niet. Hij kijkt voor zich uit. Dan kijkt hij weer naar mij.
‘Weet je,’ zegt hij dan, ‘ik heb een vraagje. Jij wordt nu weer, wettelijk, mijn zoon. Stel dat ik kom te overlijden, ga je dan, wil je dan, maak je dan aanspraak op de erfenis? Het huis? Want dan moet mijn vrouw er uit, als ze je niet kan afkopen.’
Even denk ik na, zeg ik niets. Hij kijkt me niet aan.

‘Volgens mij heb ik laatst gelezen dat sinds een paar jaar alles naar de langst levende partner gaat,’ zeg ik dan. Ik had dat ergens gelezen. ‘Dus je hoeft je geen zorgen te maken. En ik hoef het trouwens ook niet, jouw huis of je spullen.’
‘Meen je dat echt? Van die langstlevende partner?’
‘Ik heb het ooit gelezen,’ zeg ik, ‘maar zoek het anders voor de zekerheid nog even uit.’
‘Doe ik, doe ik,’ zegt hij, en hij staat op, wrijft in zijn handen.
‘Ik eh, heb een afspraak op mijn werk. Kan ik echt niet onderuit. Bezuinigingsronde. We moeten overleggen welke van de personeelsleden een exit-traject in moeten gaan. Moet ik bij zijn, anders ontslaan ze dadelijk heel mijn team. Kan ik niet laten gebeuren natuurlijk.’
Ik begrijp het. Dan groet hij en loopt de gang uit. Het valt me op dat hij een soort ‘hupje’ in zijn tred heeft. En mijn vriendin zei eergisteren; ‘Je hebt een hupje als je loopt.’ Blijkbaar heb ik dat van hem.
De zaaldeur gaat open, mijn naam wordt genoemd. Ik ga naar binnen, alleen. En ik loop met een hupje, want dat heb ik van mijn vader.