In de Vlieger, winkel voor kunstenaarsbenodigdheden.

Ik sta bij de kassa, heb net 100 mini-oogjes afgerekend en wacht geduldig op M. Ze heeft elastiekjes in verschillende kleuren en van een bepaalde lengte nodig, een paar vellen gekleurd papier, een groot vel zwart karton van een hele specifieke dikte.

Een lange man met een onverzorgde baard en woest haar komt naast me staan bij de kassa. In zijn hand houdt hij met voorzichtige vingers een groot, doorzichtig vel vast. Het is gemaakt van herfstbladeren waar alleen de nerf nog van overgebleven is, gevuld met een beetje vloeipapier, zodat de lichte bruine, gele en rode lijntjes van de nerven het vel van binnenuit kleuren. Als hij het beweegt, zachtjes neerlegt op de verlichte glazen toonbank, lijkt het papier een ragfijn glas-in-lood.
‘Heeft u hier nog meer van,’ vraagt de man met de wilde baard.
‘Nee, dit is de laatste. En het wordt niet meer gemaakt,’ zegt de verkoper.
De man met de baard kijkt met een tedere blik naar het vel, streelt het. De verkoper glimlacht, alsof hij al meerdere grote mannen met woeste baarden verliefd heeft zien worden op zachte kleuren en fijne lijnen.
‘Heel mooi,’ zeg ik. De man kijkt naar me en knikt, glimlacht. De verkoper loopt naar een andere klant.
‘Je zou het bijna zo tussen twee glasplaten zetten, om het als een raam te gebruiken,’ zeg ik. De man met de baard krijgt een afwezige blik, hij voelt aan het flinterdunne materiaal, kijkt dan weer naar me.
‘Dat is een heel erg goed idee! Ik denk dat ik dat maar ga doen.’

Als hij het vel in een beschermende hardkartonnen koker laat inpakken en de winkel verlaat, krijg ik een visioen van een huis, ergens in Amsterdam, waar het raam boven de voordeur vervangen is door twee glasplaten met een heel dun laagje magisch papier ertussen. En ik hoop dat ik het huis ooit zal vinden.