Overal om me heen zijn kinderen aan het klimmen in het grote klimbouwwerk bij het indoor speelparadijs. Andere kinderen racen rond in kleine trapautootjes. Mijn dochtertje van 14 maanden staat naast het miniglijbaantje waar ze net twintig keer op geklommen is. Elke keer als ze bovenaan kwam, keek ze ons triomfantelijk aan en kraaide van plezier. Nu staat er een iets ouder jongetje op het trappetje. En mijn kleine dame huilt. Ik sta op een touwbrug, drie meter boven de grond, een stuk verderop. Waarom huilt ze? Gaat mijn vriendin al kijken wat er aan de hand is? Moet ik naar beneden klimmen om mijn kleine meisje te helpen?

‘Papa! Waar is de glijbaan?’

Mijn zoontje zwaait naar me. Hij staat een paar meter verder, twijfelt tussen een gang links waar hij omhoog moet klimmen en rechts waar hij door een buis moet. Een paar minuten geleden ben ik met hem mee geklommen omdat hij het een beetje spannend vond om zelf alles uit te zoeken. Ik wijs naar de gang links, kijk dan weer naar mijn huilende dochtertje.

Oh mooi, daar komt mijn vriendin al. Ik zie haar praten tegen onze kleine en tegen het jongetje, versta niet wat ze zegt. Onze kleine meid huilt harder nu. Wat doet dat ventje tegen haar dat ze zo moet huilen? Waarom doet mijn vriendin er niets aan? Ons lieve meisje begint nu te krijsen van verdriet. Waarom komt de moeder van het jongetje niet ingrijpen? Wat doet dat ventje verdomme? En waarom haalt mijn vriendin dat rotkereltje niet bij onze dochter weg? Ik kijk om. Volgens mij kan ik mijn zoontje al alleen verder laten klimmen.

Mijn lieve meisje huilt hysterisch. Mijn vriendin tilt haar op en loopt met haar naar ons tafeltje. Wat? Opgeven? Duw dat kutventje dan weg, als hij vervelend is! En waar is zijn moeder? Waarom laat zij hem zich zo misdragen dat onze dochter nu een glijbaantrauma oploopt?

Ik klim naar beneden, vastbesloten om het ventje eens goed te vertellen hoe hij zich zou moeten gedragen naar mijn dochtertje. Misschien moet ik ook zijn moeder even aanspreken over haar gebrekkige pedagogische kwaliteiten. En waarom is mijn vriendin niet de confrontatie aangegaan, heeft ze gewoon onze dochter weggehaald bij de glijbaan waar ze net zó veel plezier had?

Ik loop naar het tafeltje. Mijn vriendin staat daar, met onze nasnikkende kleine prinses in haar armen. Mijn vriendin kijkt me aan, met grote ogen.

‘Wist jij dat onze dochter een klein krengetje kan zijn?’

‘Wat?’

‘Ze probeerde dat arme jongetje van de glijbaan af te trekken! En toen hij er niet vanaf wilde, kneep ze hem.’

‘Wat?’

‘Dus ik zei tegen haar: hou eens op met zo lelijk doen, en toen begon ze keihard te krijsen.’

Ik kijk naar mijn vriendin en dan naar mijn dochtertje.

‘Gek hè,’ zegt mijn vriendin, ‘ze is ons lieve schattige meisje. En dan kom je er ineens achter dat ze ook een little bitch kan zijn.’

Ik grijns.

‘Van wie zou ze het hebben?’

‘Nou!’ zegt mijn vriendin verontwaardigd. ‘Kreng.’