Ik schenk de jonge jongen die de laatste maanden elke dag langskomt nog wat koffie in. Ik vraag niet eens meer of hij hoeft, hij zegt toch altijd ja. In het begin vond ik hem een beetje maf, vooral omdat hij vaak naar me keek. En hoewel ik geen lelijke vrouw ben, ben ik wel twee keer zo oud. Ik heb niet de illusie dat jongens van zijn leeftijd interesse in me hebben. En trouwens, ik heb al jaren geen interesse meer in een relatie. Af en toe seks vind ik prima, als het maar niet met iemand van het koffiehuis is.

De laatste weken stelt de jongen steeds vaker vragen. Eerst g ewone vragen, onopvallende vragen, maar steeds vaker persoonlijke vragen. Hoe ik heet, was de eerste vraag, en waarom ik hier werk, daar begon het mee. Maar drie dagen geleden vroeg hij hoe mijn ouders heetten en of ik uit deze stad kwam. Op sommige vragen gaf ik hem antwoord, op andere vragen kreeg hij alleen mijn scheve glimlach. Hij vroeg dan niet verder.

Bij andere mensen zou ik het vervelend, bedreigend zelfs, hebben gevonden als iemand me dit soort dingen zou vragen. Bij hem lukt me dat niet zo. Hij voelt heel vertrouwd, maar ik weet niet waarom. Misschien omdat hij gek genoeg dezelfde soort lichtblauwe ogen heeft als ik, zodat ik soms het idee krijg dat ik naar mijn eigen ogen in de spiegel kijk. Totdat ik natuurlijk uitzoom en zijn frisse gezicht zie en niet mijn gerimpelde kop met dat lelijke litteken erop. Net te ver buiten de haarlijn om goed te verbergen, zelfs met een lange pony. En ponys staan mij niet.

Eén dag was hij er niet, terwijl ik wel op hem gerekend had. Ik miste die mafkees wel een beetje. Even dacht ik dat hij niet meer terug zou komen, dat hij mij alleen maar met al die vragen had lastig gevallen voor een project van school ofzo. Of een schrijfopdracht. Dat ik misschien over een paar jaar ineens een kort verhaal van een jonge schrijver lees waarin ik mezelf herken. Maar de dag erna was hij er gewoon weer.

‘Ik ben twee keer geboren,’ vertelde ik toen hij me vroeg waar ik geboren was, ‘welke wil je weten?’
Allebei zei hij.
‘De eerste keer was uit mijn moeder, zo’n veertig jaar geleden. De tweede keer was toen ik wakker werd in het ziekenhuis in de bergen. Ik had daar een jaar in coma gelegen na het auto-ongeluk waar mijn vriendje bij overleed. Dom, dronken vriendje. En domme ik, die hem geloofde toen hij zei dat hij nog wel kon rijden. Toen ik wakker werd, was ik mezelf niet meer, dat wist ik. De oude ik was dood en er was een nieuwe ik geboren.’

Hij keek me aan alsof hij me begreep. En daardoor, èn doordat hij al weken vragen stelde, ben ik gewoon verder gegaan met praten. Terwijl mijn collega’s zouden zeggen dat ik nogal zwijgzaam ben. Misschien was dat de oude ik, van voor het ongeluk. Misschien was de oude ik een kletskous en was ze even wakker.
‘Weet je wat ik nou het meest verdrietig vond?’ zei ik tegen de jongen. ‘Dat de ouders van mijn liefje mij nooit meer wilden zien. Dat ze verhuisd waren nadat hun zoon was overleden begreep ik nog. Dat ze nooit meer in de stad wilden zijn waar elke winkel en elk gebouw hen aan hun enige kind zou laten denken, begreep ik ook nog wel. Maar dat ze mij nooit meer wilden zien, dat deed me wel zeer. Ik wist wel dat ze me niet goed genoeg vonden voor hem. Hij was voorbestemd om grote dingen te gaan presteren. Misschien wel senator worden, net als zijn opa, of gewoon drie fabrieken aansturen net als zijn pa. En ik was natuurlijk een meisje uit de trailers aan de verkeerde kant van het spoor. Dat wist ik wel. Maar toen ik uit de coma ontwaakte, was voor mij het ongeluk nog maar net gebeurd. Ik had mijn allereerste en enige grote liefde die dag ervoor nog in mijn armen gehouden. Voor mij was alles nog vers, alle pijn rauw. Ik wist zeker dat zijn ouders de enige waren die evenveel pijn hadden gehad als ik. Niemand anders had zoveel van hem gehouden als ik, behalve zijn vader en moeder. Ik wilde zó graag weten hoe zij het hadden overleefd, die pijn en dat verdriet. Ik wilde zo graag weten hoe ik het moest overleven… Maar ze hielden alle contact af. En dat terwijl ze me wel in een hartstikke duur privé-ziekenhuis hadden laten verplegen toen ik in coma lag. Mijn familie had dat nooit kunnen betalen.’

Ik zweeg even. In mijn ooghoek zag ik een man die zin had in koffie. Maar ik bleef staan bij de jongen, met de pot kouder wordende koffie in mijn hand.

‘Misschien verweten ze me wel dat ik samen met hem dronken was geworden die nacht. En dat terwijl zijn moeder een enorme zuipschuit was! Hoe vaak die aangehouden is door de politie omdat ze bezopen in de auto zat, niet te tellen. Drie keer een ongeluk veroorzaakt. Maar nooit problemen mee gekregen hè, nee haar man en schoonvader veegden alles netjes onder het tapijt.’
En toen lachte de jongen.
‘Ze drinkt nog steeds te veel,’ zei hij toen. ‘En ik ergerde me daar altijd aan, tot drie maanden geleden. Toen was ze zó dronken dat ze het verklapte. Het grote geheim van de familie. Ze zei altijd dat mijn ouders een ongeluk hadden gehad. Ze zei ook altijd dat ze allebei waren overleden. Maar sinds die avond wist ik dat dat niet waar is. En toen ben ik gaan zoeken en heb ik je gevonden.’

Ik ben maar even gaan zitten. Met de koffiepot nog in mijn hand, nota bene.
‘Hey mam,’ zei hij toen.