De jonge dame fietst aan de andere kant van de opgebroken weg over de stoep, iets voor mij. Zij stopt als ze de weg weer op kan, ik slalom net langs wat oude meubels die tevergeefs op de vuilniswagen staan te wachten.

Zij bukt en kijkt naar iets. Dan strekt ze haar arm uit en tilt een straatsteen op, een zware bakstenen klinker. Ze bekijkt hem aandachtig van alle kanten tot ze haar voeten weer op de trappers zet en door fietst. Eén hand houdt de klinker vast, rustend op het midden van haar stuur.

Ik fiets iets sneller om naast haar te komen.

‘Dat is vast een heel erg bijzondere steen,’ zeg ik tegen haar.

Ze kijkt naar de steen alsof ze hem nooit eerder gezien heeft, aarzelt.

‘Eh, nee,’ zegt ze, en ze laat even, tijdens het fietsen, de steen aan me zien. Ik kijk goed maar kan er niets bijzonder aan ontdekken.

Dan laat ze de steen weer op het midden van haar stuur rusten en versnelt.

Ik laat haar gaan.