‘Kak de Fak,’ zegt mijn zoontje tijdens het spelen.

‘Hee, heej!’ zeg ik.

Mijn vriendin kijkt hem aan.

‘Dat mag je niet zéggen!’ zegt ze.

‘Oh, mag ik dat niet zéggen?’ zegt mijn zoontje, ‘Dan ga ik het zingen. Kahaak de Fahak! Kak kak de fahahak. Kakkakdefak!’

Hij is snel uitgezongen, gelukkig. Mijn vriendin en ik waren toch niet in staat om er iets van te zeggen zonder het uit te proesten.