In kriebelige groep 3 letters staat het op het blaadje: ‘Ik wil een Kadotje. Alsublievt’.

Melvin uit groep 8 zit tegenover me, stuurs kijkend.

‘U begrijpt het niet, meester,’ zegt hij.

Maar ik begrijp het wel, eindelijk. Eindelijk weet ik waarom kleine Karima steeds weer hangend aan de kapstok werd gevonden, aan haar prinsessenrugzakje, beentjes een halve meter bungelend boven de grond. Zij wilde nooit zeggen wie het gedaan had, leek ook nooit boos. Haar ouders waren woedend dat we er niets mee konden doen.

‘Je begrijpt wel dat het echt niet kan, Melvin?’

Hij knikt.

‘Maar wat moet ik dan doen?’

‘Al eens geprobeerd te negeren?’

Melvin zucht, diep.

‘Ze houdt gewoon niet op! Wat ik ook doe. Ik kan moeilijk voor haar wegrennen, krijg ik geen respect meer. En iedereen moet lachen als ze het zegt, gaan ze haar nog nadoen ook!’

‘Nog geen reden om haar aan de kapstok op te hangen,’ zeg ik. Toch begrijp ik dat het voor de enige Surinaamse jongen op een school vol Marokkaanse en Turkse kinderen pittig is om zich staande te houden.

Hij heft zijn handen in wanhoop.

‘Ik heb zelfs gedacht dat ik er dan maar eentje moet worden!’

‘Je hebt niet eens schmink nodig. Krullen heb je ook al,’ zeg ik.

‘Neenee meester, ik ga dat echt niet doen! Ik haat verkleden, dat weet u.’

Ik lach, wist dat hij dat nooit zou willen. Toch brengt het me op een idee. Ik wijs naar de kast, waar de spullen liggen voor het grote feest van over twee weken.

‘Kies daar maar een leuk cadeautje uit voor een meisje van zes,’ zeg ik.

Hij heeft zusjes, dus hij kiest iets perfects uit.

Ik kijk mee als hij naar Karima loopt, die buiten mijn kantoor aan het wachten is tot ze opgehaald wordt.

Karima springt op van het bankje als ze Melvin ziet.

‘Zwarte Piet!’ roept ze. ‘Jij bent Zwarte Piet!’

Even kijkt Melvin mijn kant op, ik zie hem zuchten, maar dan kijkt hij weer naar Karima.

‘Sst,’ zegt hij tegen haar, ‘ik ben Geheimpiet. Niemand mag het weten.’

Karima kijkt hem aan met haar grote ogen, knikt langzaam.

‘Hier,’ zegt hij en geeft haar het pakketje, ‘voor jou, van de sint. Ik heb hem jouw brief gegeven.’

Karima straalt, pakt het cadeautje aan, draait het om en om in haar handen, kijkt Melvin vragend aan. Hij gebaart dat ze het mag openen.

Even later kijkt de stralende Karima naar het playmobiel-elfje dat Melvin voor haar heeft uitgekozen. Hij doet ondertussen het inpakpapier in het rugzakje op haar rug, ze wilde het houden. Karima kijkt naar hem om.

‘Dankjewel Zwarte Piet’ zegt ze. Dan kijkt ze verder naar achter, naar de kapstok waar ze voor staan.

Melvin kijkt mee, lacht, schaamt zich een beetje.

‘Dat hoeft niet meer. Als jij maar aan niemand vertelt dat ik Geheimpiet ben. Beloof je dat?’

Ze knikt, kijkt nog even naar de kapstok, dan weer naar hem, glimlacht verlegen. En Melvin begrijpt het. Voorzichtig tilt hij haar op, en hangt haar met haar rugzakje aan de kapstok. Even bungelt ze daar, met haar elfje in haar handen, en is ze helemaal gelukkig.

Dan komt de moeder van Karima de school binnen, ziet Melvin haar dochter aan de kapstok hangen en rent al schreeuwend op hem af.

Melvin rent snel mijn kantoor in, verschuilt zich achter mij.

‘Moest van de meester! Moest van de meester!’

Nog uren bezig geweest met uitleggen, daarna.