Ik ga op mijn hurken zitten om de schoenen en sokken van mijn zoontje uit te trekken. Hij kan het zelf wel, maar ik zie aan zijn gezicht dat hij erg moe is vanavond en dan help ik hem graag. Hij staart dromerig naar de muur, dan kijkt hij om zich heen. Als hij naar mij kijkt, klaart zijn gezicht op.

‘Wacht eens papa,’ zegt hij. Ik leg zijn tweede schoen ook naast me neer. Hij springt van het bed en gaat op zijn hurken naast me zitten.

‘Kijk!’ zegt hij triomfantelijk, ‘Ik kan óók zo zitten!’

Ik glimlach.

‘Weet je hoe dit heet?’ zeg ik. Hij kijkt me vragend aan.

‘Hurken,’ zeg ik. ‘Hurken.’

Hij moet er gelijk om lachen.

‘Hurken? Haha! Húrken.’

Als hij weer op het bed zit, heeft hij een glimlach op zijn gezicht. Ik ga verder met zijn sokken en realiseer me dat als hij tachtig is, hij het woord ‘hurken’ nog steeds kent, en dat hij het van mij geleerd heeft, op deze plek, in dit huis, vandaag. En dat vind ik een mooie gedachte.