Marie legt het toegangsbewijs in de schaal op de enorme stapel kaartjes van voorstellingen en optredens van Jamai waar ze naartoe is geweest. Even kijkt ze naar de foto van haar overleden man die boven de schaal hangt. Hij kijkt, zoals altijd, misprijzend. Marie glimlacht.
‘Zie je wel dat die Jamai een vieze poot is,’ had hij gezegd een paar maanden voor zijn dood. ‘Zit je dan met je bakvissen-verliefdheid.’
Inderdaad was Marie een beetje verliefd geworden op die frisse knul die zo mooi kon zingen. Daar was toch niks mis mee? Het was niet alsof ze met haar leeftijd nog achter Jamai aan zou gaan. Maar een beetje dromen van een man die eruit zag alsof hij wél liefde kon ontvangen kon geen kwaad.

Toen Wim van de dokter hoorde dat hij niet lang meer te leven had, nam hij Marie voor het eerst in dertig jaar mee naar zijn studeerkamer. Daar zag ze waarom ze nooit geld hadden om leuke dingen te doen, zoals uit eten, vakanties of naar het theater. Al hun geld was opgegaan aan Hitler-dingen. Bustes van Hitler, boeken over Hitler en grote posters met de kop van Hitler erop, alles heel zorgvuldig en met liefde opgeborgen in vitrinekasten en lades.
‘Je zorgt ervoor dat alles bij een goed museum terecht komt,’ had Wim gezegd. ‘Niet zo’n Jodenmuseum als het Anne Frankhuis. Museum Overloon zal met het meeste respect omgaan met mijn collectie.’ Marie zweeg, maar op dat moment had ze een idee gekregen. Ze durfde het alleen nog niet uit te spreken.

Een paar weken later lag hij op zijn sterfbed. Weer droeg hij haar op om zijn kostbare spullen naar een museum te brengen. Toen ze zeker wist dat zijn stem te fragiel was om haar nog uit te schelden, en toen ze zag dat zijn trillende handen niet meer de kracht hadden om haar beet te pakken en door elkaar te rammelen, toen durfde ze het te zeggen.
‘Ik verkoop al je rommel uit de Tweede Wereldoorlog,’ had ze gezegd, ‘en van dat geld ga ik naar alle optredens en voorstellingen van Jamai.’
Ze zag met een onverwacht genoegen dat Wim stikte in zijn boosheid, dat hij hoestend en borrelend probeerde te protesteren maar er de lucht niet meer voor had. Twee dagen later stierf hij. Nog steeds met een woedende blik in zijn ogen, maar onmachtig.

Ze hield zich aan haar belofte. Ze leerde van de buurjongen hoe ze Marktplaats moest gebruiken, en ze verkocht één voor één de Hitlerspullen die Wim de afgelopen jaren had verzameld. Ze accepteerde elk bedrag, omdat ze wist dat Wim daar een enorme hekel aan had, maar verzamelde toch genoeg geld om naar elke voorstelling van Jamai te kunnen gaan de jaren daarna.

Als ze een waxinelichtje pakt in de kast, bekruipt haar een vervelende gedachte. Wat nou als Jamai denkt dat ik een stalker ben? Ze lacht en schudt die gedachte van zich af. Als die lieverd ooit vraagt waarom ze altijd op de eerste rij zit bij al zijn optredens, vertelt ze het hem gewoon eerlijk. Jamai begrijpt dat wel.
Ze steekt het kaarsje aan bij de schaal met Jamai-kaartjes. Weer glimlacht ze. Met het flikkerende licht lijkt Wim nog bozer.
‘Dag Wim,’ zegt ze. Dan zet ze de cd-speler aan met muziek van Jamai. Als ze de kamer uitloopt, doet ze de deur goed achter zich dicht. Zo goed vindt ze de muziek van Jamai nou ook weer niet, dat ze er elke nacht bij in slaap wil vallen.