Hij stond bij de ingang van zijn strandhuisje op me te wachten, met zijn armen naast zijn lichaam. Het hele stuk dat ik moest lopen vanaf de weg tot aan de rotsen waarop het huisje stond, had ik hem zien staan, onbewogen.

Vorige week nog had een commando-eenheid van dertig zwaar bewapende agenten en soldaten een van de anderen uit zijn complex moeten halen. Hij liet ons eerst zijn zes beveiligers doodschieten voordat hij zich over gaf. Dat vond ik nou zo typisch aan sommigen van hen, dat ze de levens van anderen verspilden alleen maar om een punt te maken. Natuurlijk wist hij dat hij niet zou winnen van ons, hoe zwaarbewapend zijn mannen ook waren, en hoe diep zijn bunker onder zijn villa. Tegen een leger, ook al is het van een klein land als het onze, kan je niet op als individu. En omdat verzetten tegen de rechtvaardigheidswet van 2022 zwaar bestraft wordt, komt het je op keiharde straffen te staan. Hij komt de cel nooit meer uit. Van de man hier verwachtten we geen problemen. Hij was alleen alleen, al een heel jaar, had geen wapens.

Buren hadden hem zien aankomen in een klein reddingsbootje, vlak na het begin van het einde. Ze vingen hem op, want zo waren we in ons land tijdens de eerste fase, en toen vertelde hij dat zijn jacht was vergaan een paar mijl uit de kust, tijdens een storm. Later vond de kustwacht een van zijn verdronken bemanningsleden op de rotsen meer naar het zuiden, en resten van zijn schip.

Zijn strandhuisje stond met de rug naar het bos, uitkijkend over de zee. Een pad liep vanaf deze kleine woning naar zijn grotere landgoed, met fruitbomen, nu allemaal dood, notenbomen, ook dood, en een paar kassen, waar verlicht door elektrische lampen voldoende eten werd geproduceerd voor hem. Meer dan voldoende zelfs. Onder de grond had hij, net als al zijn collega multimiljonairs, een bunker, groot genoeg om met tientallen mensen een comfortabel bestaan te leiden (in ieder geval volgens de bouwtekeningen die in het gemeentelijk archief waren opgeslagen).

Hij stak zijn hand op toen ik door de zwarte sneeuw naar hem toe ploeterde. Ik zwaaide een korte groet terug, concentreerde me verder op de wandelstok waarmee ik me op de been hield in de dikke, glibberige laag.

‘Ik verwachtte je al,’ zei hij, overbodig. Ik gaf hem een hand.

‘Laten we naar binnen gaan,’ zei hij en ik knikte.

Het waren er honderden, verspreid over het hele land. Rijke mensen, allemaal, invloedrijk en machtig voor het Einde. Slim genoeg om een plek te laten bouwen ver van alle mogelijke oorlogen en andere rampen vandaan. In ons land hadden ze grote stukken grond opgekocht om daar enorme buitenhuizen op te bouwen, met kelders en bunkers waar ze voor jaren voedsel opsloegen, en systemen om lucht en water te filteren. Vaak hadden ze ook wapens, wat voor extra veel problemen zorgde. Twee van ons team waren doodgeschoten door mannen die vonden dat we het recht niet hadden. Domme, egoïstische mannen. Eerst niets doen om de ondergang van de wereld tegen te houden, en daarna alles doen om maar geen last te hebben van de consequenties. Nu leefden ze niet mee, die eikels.

Hij zei niets terwijl hij thee voor me zette. Om hem heen stonden manden en dozen vol met groenten en fruit, aardappelen. Er was ook een kist met medische benodigdheden bij. Hij had me waarschijnlijk expres hier willen ontmoeten, waar ik kon zien hoe hard hij zijn best deed. Ik wist al dat hij elke dag voedsel uit zijn volledig geautomatiseerde kassen uitdeelde aan de bewoners uit het dichtstbijzijnde dorpje. Ik wist ook al dat er elke dag mensen langskwamen om het eten te helpen inpakken in dozen en kisten. En ik was me er bewust van dat hij zijn geneeskundige ruimte met de Autodoc ter beschikking aan de lokale arts had gesteld, zodat patiënten die niet op tijd naar de stad vervoerd konden worden, toch goede medische zorg kregen in noodgevallen.

De thee was warm en goed. Hij bood me ook een scheutje whiskey aan voor erin, maar dat sloeg ik natuurlijk af. We dronken in stilte.

‘Ik weet wat er gaat gebeuren,’ zei hij toen, ‘en ik begrijp het.’

Ik knikte. Fijn als ik geen nutteloze discussies hoefde te voeren, als ze niet boos werden en ik moest gaan dreigen.

‘Ik heb echt mijn best gedaan,’ zei hij, ‘geld gegeven aan partijen die er iets tegen wilden doen. Véél geld. En ik had als eerste overal zonnepanelen op mijn daken, ook bij mijn kantoren. We reden alleen nog maar in elektrische auto’s. En ook namens mijn bedrijf sprak ik me altijd expliciet uit voor een betere toekomst, een groene, duurzame toekomst. En tégen de corrupte partijen die daarbij in de weg stonden. Ik probeerde het echt! Maar ja,’ zei hij toen en keek naar buiten naar de lucht die nu al ruim anderhalf jaar grijs was en waar de vieze zwarte sneeuw uit neer bleef dwarrelen die planten, dieren en mensen verstikte als ze niet beschermd waren.

‘Het was niet genoeg,’ zei hij en ik knikte weer.

Toen begon hij te huilen. Dat had ik nog niet eerder meegemaakt. Ik liet hem even, wist ook niet zo goed wat ik moest doen, maar na een tijdje stond ik op en ging naast hem zitten en sloeg mijn arm om zijn schokkende schouders. Even werkte dat averechts, kwam het met gierende halen uit hem, maar toen kalmeerde hij. Ik liet hem los en boog me voorover om wat servetjes te pakken, liet hem zijn neus snuiten. Hij keek me dankbaar en een beetje gegeneerd aan.

‘Lekker stom hé,’ zei hij. ‘Zit ik dan, als directeur van de op één na grootste SAS ontwikkelaar uit de hele wereld zomaar een potje te grienen bij een volslagen onbekende.’

Hij stond op en liep naar het raam.

‘Ik heb vijf broers,’ zei hij, ‘die ik had gezegd hier naartoe te komen als er stront aan de knikker was. Wereldwijde stront. En tien vrienden gevraagd, van voordat ik rijk werd natuurlijk, geen kontlikkers die op mijn geld uit waren, gewone mannen, twee vrouwen ook trouwens! Vrienden die het me vertelden als ik me als een eikel gedroeg. Door hun ben ik altijd normaal gebleven.’ Hij lachte. ‘Dat hoop ik tenminste.’

Hij staarde naar buiten.

‘Ze hadden allemaal een familie, kinderen, soms zelfs kleinkinderen. En ze mochten allemaal hier naartoe komen. Maar er kwam niemand,’ zei hij.

We keken samen naar de grijze zee onder de grijze lucht. En ik dacht aan het geheime besluit van anderhalf jaar geleden, waar ik eigenlijk niet van af mocht weten. Het besluit om niemand meer toe te laten. Om alle naderende schepen te laten zinken en alle vliegtuigen neer te schieten. We wisten dat we niet iedereen konden voeden, na de ondergang van de aarde. Vol was al overvol.

Hij draaide zich om, keek me aan.

‘Ik zou kunnen blijven om de mensen te helpen. Ik weet hier alles te vinden, zou me echt heel nuttig kunnen maken.’

Ik keek naar de zee waar alle schepen waren gezonken, ook de schepen waar zijn vrienden op zaten, als ze al zover waren gekomen. Toen keek ik hem aan en hij knikte.

‘Ik weet het,’ zei hij. ‘Alleen families met kinderen.’

In de wet vastgelegd. De toekomst was belangrijk, daarom mochten families met jonge kinderen in de veiligste plekken wonen, met het schoonste water en de beste luchtfilters. Hij liep naar een bureau waar een laptop stond, wees er op.

‘Ik was al begonnen met een handleiding, over hoe alles hier werkt. Er zijn een paar apparaten die af en toe moeilijk doen. En er zijn geheime codes voor sommige systemen. Als ik door werk, krijg ik het wel voor het eind van de dag af.’

‘Weet je wat,’ zei ik toen, tot mijn eigen verbazing, ‘je mag hier nog een week blijven om de nieuwe bewoners in te werken en alles uit te leggen. Het zijn allemaal mensen uit het dorp, dus je kent ze. En de dokter. Ze zullen dat prettig vinden.’

Zijn gezicht klaarde op.

‘Mag dat?’

Ik lachte. ‘Eigenlijk niet. Maar mijn leidinggevende geeft me wel wat vrijheid om af en toe zelf beslissingen te nemen. Ik zet gewoon in mijn verslag dat je wat complexe systemen moet uitleggen.’

Hij lachte ook. ‘Gek dat ik daar zo blij mee kan zijn, met een week.’

We keken elkaar aan.

‘En wat doe ik over een week?’

‘We hebben appartementen in de stad. Schoon water, goede filters. We laten je niet stikken.’

‘Als iemand werk voor me heeft,’ zei hij, ‘ook al is mijn kennis wat verouderd, ik was altijd een goede programmeur. Misschien software voor de ondergrondse boerderijen programmeren? Ik heb hier alles ook ontworpen.’

Ik haalde mijn schouders op. Het maakte mij niet zo heel veel uit hoe hij zijn tijd doorbracht als hij hier eenmaal weg was.

Toen keek ik even goed naar hem, naar de lange, kale, uitermate succesvolle softwarebaas die honderden miljoenen had verdiend met de verkoop van zijn bedrijf. De man die ooit duizenden werknemers had, die de lokale politiek in zijn stad mee hielp bepalen. Er leek een oude onzekerheid op te komen, een die verborgen had gelegen onder al zijn successen, die allemaal verdwenen waren met het Einde van de Wereld. Ineens leek hij op een verlegen tiener die zoveel tijd doorbracht achter de computer dat hij vergeten was hoe hij met mensen om moest gaan.

Uiteindelijk ging hij naar de stad. Hij kreeg het baantje waar hij om vroeg. Hij ging zelfs naar een praatgroep van zes voormalig rijke mannen die eens per week samenkwamen om te vertellen hoe onrechtvaardig het allemaal was, dat hun geld en land en huizen waren afgepakt. Ze maakten plannen om de wereld weer te gaan veroveren als de duisternis voorbij was. Ze deden voorstellen aan de regering en, toen die hen negeerde, aan de gemeente. Daar kregen ze ook geen voet aan de grond. Maar hij was in ieder geval lekker bezig.

Toch hing hij zich op, een paar maanden later. Misschien omdat duidelijk werd dat de duisternis nog een paar jaar zou duren en hij dat vooruitzicht niet aan kon. Misschien omdat het hem, anders dan zijn collega’s, niet lukte om iemand te vinden om mee te daten. Misschien had hij gehoord dat zijn hoestje longkanker was, zoals zoveel mensen die boven de grond moesten leven. Filters waren nooit perfect. Of misschien had hij via via gehoord van de geheime wet waardoor geen van zijn vrienden en familie aan was gekomen, voelde hij zich verraden door ons land. Ik wist het niet. Ik wist wel dat ik de enige was bij zijn begrafenis.

En toen de lucht weer opklaarde, jaren en jaren later, heb ik mijn best gedaan om ervoor te zorgen dat in het dorpje naast zijn landgoed een pleintje naar hem werd vernoemd. Dat kleine beetje onsterfelijkheid gunde ik hem wel. Of hij daar blij mee zou zijn geweest: ik denk het niet. Ik deed het ook vooral voor mezelf.