Een grote vrouw, vijftig jaar, vettig haar, een goedkope slobberbroek en een simpel kunststof jack aan, kijkt naar een zwart jongetje van een jaar of vijf. Een Marokkaans meisje van vier jaar staat naast hem, kijkt net als hij naar het stuurse gezicht van de vrouw. Ik slalom op mijn fiets tussen hekken door, over het voetpad.

Een paar weken geleden heb ik in deze straat een vrouw met dezelfde uitstraling een groep Marokkanen horen uitschelden, schreeuwend en tierend. De jongens scholden terug. Langs het pad zijn hekken met scherpe punten erop, glasscherven op muren, stalen tralies voor of achter ramen. Daklozen drinken goedkope pils, zittend op bankjes, groepen stoer kijkende jongens hangen er rond.

‘Nee,’ zegt de grote boze vrouw, ‘je mag Sammy niet aaien.’

Nu ik dichterbij kom, zie ik de hondenriem in haar hand. Iets verder kwispelt een klein, pluizig hondje zo enthousiast dat zijn lichaam in een soort trilstand staat.

‘Waarom niet?’ vraagt het jongetje. De vrouw is dichter bij hem gekomen, kijkt op hem neer als Goliath op David. Hij kijkt onbevreesd terug, het meisje blijft op veilige afstand.

‘Sammy heeft een bult op zijn rug, en het doet pijn,’ zegt ze.

‘Ooh,’ zegt het jongetje. We kijken alle vier naar het hondje. ‘Maar hoe komt hij daar dan aan?’

‘Nou…’ begint de vrouw haar uitleg.

Dan ben ik te ver weg om meer te kunnen horen, maar dat geeft niet.