Ik heb een stuiver in mijn hand. Zo meteen komt hij, en ik heb hem al heel lang niet gezien, al een paar jaar niet. En ik weet niet hoe ik hem moet noemen.

We zijn al een tijd geleden verhuisd naar dit kleine dorp. Daarvoor ging ik al niet zo vaak bij hem langs, in de hoge flat met de glazen muur tussen de woonkamer en de keuken. Wij waren in het oude huis met de kleine kamers gebleven. Ik kreeg playmobiel toen ik in de flat op bezoek kwam, dat weet ik nog, maar wist niet wat ik daar moest doen toen ik het doosje eenmaal open had.

Kop is ‘papa’ en munt is ‘zijn-naam’, beslis ik.

Er kwam een andere man bij ons wonen, en die zei dat hij wel vader wilde zijn. Soms noemde ik hem al papa, per ongeluk. Steeds vaker, eigenlijk. En nu komt de man langs tegen wie ik vroeger altijd papa zei. Ik weet niet wie ik vandaag zo moet noemen. Allebei, dat kan niet natuurlijk, dat zou heel raar zijn. Maar geen van beide, dat is ook heel erg raar. En misschien zijn ze dan beledigd!

Ik gooi de munt.

Wat ik gooide weet ik niet meer, maar wel dat ik meteen besloot om me er niet aan te houden.