De presentatie van de kleuter-dansgroep staat op het punt om te beginnen. In roze tutuutjes staan ze op het podium, zenuwachtig zwaaiend naar hun ouders in het publiek. Alle moeders en vaders, opa’s en oma’s van de kinderen die vandaag hun eindpresentatie houden zijn er, behalve die van mijn leerlingen. Mijn groep-8-ers, die ik de afgelopen maanden heb geleerd hoe ze een website moesten bouwen, zijn zelf nog nauwelijks binnen, behalve Tim en Yahin.

‘Weet jij waar Gijs is?’ vraag ik aan Tim. Hij haalt zijn schouders op.
‘Een van de anderen dan?’
‘Anna komt niet, geloof ik. Of wacht, toch wel,’ zegt Tim. Hij denkt erover na. Ik besluit de telefoonlijst te halen. Op de achtergrond lacht de zaal om iets wat de danslerares van de kleuters vertelt.

Ik bel eerst Gijs, die kent de meeste andere leerlingen.
‘Gijs is al een hele tijd geleden weg gegaan, hij ging Anna halen,’ zegt zijn moeder. Er zit een zweempje van ongerustheid in haar stem.
‘Oh dan kan hij hier elk moment binnenvallen,’ zeg ik. Ik loop terug als ik applaus hoor, wil weten hoever het programma staat. Wij zijn aan de beurt als de eerste vijf groepen geweest zijn. De kleuters zijn nog bezig. Als ik het telefoonnummer van Arya intoets, zie ik net op tijd dat ze al in de hal staat. Ik besluit om maar even te wachten met het bellen van de andere ouders, voordat ik er nog meer ongerust maak.
‘Gijs ging Anna halen,’ zeg ik tegen Tim. Tim luistert niet, hij kijkt naar buiten, over het dun-bevroren meer, naar het dijkje aan de andere kant. Hij wijst, ik kijk mee, zie niets wat de aandacht op zou kunnen eisen.
‘Dat is de fiets van Gijs!’ zegt Tim. Hij blijft staren, schudt dan zijn hoofd.
‘Die zou hij nóóit zo laten staan.’
Ik kijk mee. De fiets heeft een houten kistje op het stuur, is felgeel. Ik kan me niet voorstellen dat Tim het mis heeft. Dan zie ik hem een beslissing nemen.
‘Dit is niet goed. Ik ga kijken wat er aan de hand is,’ zegt hij. Tim graait zijn jas, rent voorbij alle ouders, langs het podium, door de uitgang naar buiten. Ik sta een tel als aan de grond genageld. Dan kijk ik nog een keer naar het eenzame fietsje naast het grote meer met het dunne laagje ijs, pak mijn jas, druk de lijst met namen in de handen van Arya en vertel haar bij te houden wie er allemaal binnen is.

Buiten kijk ik links en rechts. Rechts heb ik goed zicht op het fietsje, links is de brug naar de overkant. Ik ren rechts, zie dat Tim daar niet is, vloek, kijk nog even naar het fietsje, ren terug langs de ingang in de richting van de brug.
Bij de brug zie ik dat Tim al een heel stuk verder is. Hij is bij de fiets, kijkt zoekend om zich heen, loopt naar de rand van de ijsvlakte, kijkt ernaar. Ik krijg beelden van Gijs, met zijn handen tegen de onderkant van het ijs, zijn gezicht in een doodsschreeuw bevroren. Ik ren harder. Tim loopt terug, langs de fiets, naar een bouwterrein aan de andere kant. Hij verdwijnt uit het zich in een lager gelegen gedeelte. Ook ijs? Een put? Halverwege de dijk naar het fietsje moet ik rustiger lopen. Niet alleen omdat ik in het zicht loop van de hal waar de presentaties zijn, en ik niet wil dat de ouders eerst een kind, en dan mij erachter aan zien rennen, maar mijn adem is ook gewoon een beetje op. Ik zie Tim uit het lage deel komen, hij loopt langs een hek het bouwterrein op. Er staan busjes, en ineens krijg ik visioenen van een vastgebonden Gijs en een Tim die een busje wordt gesleurd door enge, slechte mannen. Net als Tim uit het zicht verdwijnt achter de busjes rijdt er eentje weg. Ik versnel mijn pas iets, loop langs het fietsje dat daar zonder slot staat, half op het fietspad en half ernaast, glij en struikel van het dijkje af, loop vlug door het lage gedeelte, klim aan de andere kant naar de bouwplaats. Ik kijk tussen de busjes, loop verder en daar, daar bij een van de huizen die blijkbaar al helemaal af gebouwd zijn, zie ik ze. Niet alleen Tim, maar ook Gijs en Anna. Gijs lacht hard als ik er aankom.
‘Dus ik sta hier te kletsen met Anna, zie ik ineens Tim over de dijk rennen en daarna de meester! Dat zag er zó raar uit!’
Ik laat hem lachen, weet toch niet zeker of ik hem juist een dreun of een knuffel wil geven.

Tim voelt zich ook een beetje beschaamd. Als we terug lopen naar de school, samen met de vrolijk kwetterende Gijs en Anna, geef ik Tim een vriendschappelijke dreun tegen zijn schouder.
‘Goede beslissing,’zeg ik tegen hem. ‘Je zag dat er iets niet klopte en ging op onderzoek uit.’
Tim glimlacht, een vleugje trots schijnt door zijn gegeneerdheid, en ik glimlach ook weer.