‘Doebiedoebiedoe,’ zing ik vlak naast zijn oor. Soms moet ik wel zingen.

Hij staat op zijn krukje en poetst zelf zijn tanden, ik zit op het bad vlak naast hem en hou hem vast zodat hij niet onverwacht van het krukje af dondert.

Hij draait zich naar me om en kijkt me aan.

‘Geen boeboebieboe zingen pappa,’ zegt hij streng.

‘Sorry,’ zeg ik, en ik zwijg.

Dan valt het me weer op hoe lekker een kind ruikt, mijn eigen kind dan. Andere kinderen zijn stinkerds. Maar bijvoorbeeld het haar van die kleine man van mij, je ruikt gewoon de zon, zijn volle lach, de dansjes die hij doet als hij muziek hoort, de grapjes die hij maakt, alles zit in zijn krullen.

Weer haalt hij zijn tandenborstel uit zijn mond.

‘Niet ruiken pappa,’ zegt hij, weer streng.

‘Ik zal het niet meer doen,’ zeg ik.