Midden op het fietspad stopt de jongen met fietsen. Ik fiets langs hem, kijk achterom. De jongen kijkt omhoog, en valt dan heel rustig achterover. Ik fiets terug. Hij ligt op zijn rug op het fietspad, met zijn benen tussen zijn fiets en zijn twee grote fietssloten, en hij kijkt met een glimlach naar de blauwe ochtendhemel. Ik stop, een taxi stopt. De taxichauffeur helpt de jongen overeind, ik hou de fiets vast, hou de sloten zo dat hij zijn benen ertussenuit kan halen. Achter de taxi toetert iemand, de taxichauffeur verdwijnt. Ik kijk de jongen aan. Hij heeft blauwe ogen die hij niet zo goed kan focussen, een stoppelbaardje. Een zwarte tas met het UvA-alumni logo hangt aan zijn fietsstuur.

‘Zooo… ik ben dronken zeg,’ zegt hij en hij valt zijwaarts. Ik hou hem tegen.
‘Om half tien in de ochtend? Ben je heel vroeg begonnen of heel lang doorgegaan?’
‘Echt heel lang geleden dat ik alcohol heb gedronken,’ zegt hij, ‘vier maanden, zeker.’
‘Dan kan je er niet meer zo goed tegen,’ zeg ik. Hij kijkt naar me en lacht schaapachtig. De dronken jongen probeert een paar stappen te zetten. Als ik hem aan zijn schouder stuur, lukt dat, alleen haalt de tas hem uit zijn evenwicht. Ik haal de tas van zijn stuur, en hang hem over mijn schouder.
‘Weet je waar je heen moet?’
‘Naar huis,’ zegt hij, en hij lacht weer.
‘En waar is je huis?’
Hij haalt zijn schouders op en loopt door, stapje voor stapje. Dan valt hij weer bijna om.
‘Whoooa,’ zegt hij als hij zijn evenwicht langzaam terugvindt met mijn hulp. Dan ziet hij mijn fiets.
‘Wat een ontzèttend gave fiets,’ zegt hij. En mijn twintig jaar oude, blauwe vouwfiets is dat ook.
‘Woon je hier in de buurt?’ vraag ik. Hij kijkt me aan en haalt weer zijn schouders op. Toch gaat hij heel soepel de bocht om mijn straat in.
‘Ik ben echt heel erg dronken!’ Hij stopt even om wat water uit zijn waterfles te drinken. De helft drupt langs zijn kin.
‘Oh jee,’ zegt hij ondeugend lachend, en hij veegt het een beetje weg. ‘Dat ging niet goed!’
Ik lach. Hij doet weer een paar stappen, kijkt dan om zich heen waar hij is.
‘Had je een feestje?’ vraag ik. Hij knikt.
‘Had je het nodig of had je het verdiend, dat feestje?’
‘Verdiend. Verdiend,’zegt hij heel stellig.
‘Oh. Goed zo,’ zeg ik. We komen bij een zijstraat en hij stuurt zijn fiets en zichzelf de bocht om.
‘Woon je hier?’
‘Misschien wel!’ zegt hij opgewekt.
‘Welk nummer?’
Weer haalt hij zijn schouders op. Na een paar huizen haalt hij zijn sleutels uit zijn zak. Ik neem ze over, hang zijn tas over zijn schouder en zet zijn fiets op slot. Dan geef ik de sleutels terug. Hij haalt er eentje uit en wijst naar de deur.
‘Moet je mij nu eens kijken,’ zegt hij. Hij gaat als een zwaardvechter staan, met de sleutel in de richting van de deur, en doet een charge naar de deur. Na drie pogingen gaat de sleutel in het slot, en zwaait de deur open. Hij stapt naar binnen, en geeft me nog een laatste blik.
‘Je bent echt een heel erg aardige man,’ zegt hij. ‘Echt ontzèttend aardig. Dat zie ik gewoon aan je.’
Ik lach. Hij doet de deur dicht, binnen hoor ik voetstappen een trap op gaan.

Half twaalf in de avond, twee dagen eerder. Ik haalde mijn hele gave fiets van het slot toen ik een vrouw van een jaar of veertig zag. Ze stond tegen het huis van de benedenburen geleund, alsof ze niet meer goed kon staan. Ze zag er moe en bedroefd uit, en leek onder invloed van iets te zijn.
‘Gaat het?’ vroeg ik aan haar. Ze schudde haar hoofd.
‘Ik weet niet meer waar mijn huis is,’ zei ze. Even aarzelde ik.
‘Sorry, daar kan ik je niet mee helpen,’ zei ik toen, en ik fietste weg.