Een mooie jonge vrouw met kort zwart haar, een sexy zwart truitje zonder mouwen en een strakke zwarte broek staat aan de andere kant van de dansvloer. Ze kijkt me aan en lacht. Ik schrik en lach terug. Hopelijk kijkt ze snel de andere kant op, denk ik, maar dat gunt ze me niet. Ik dans door, maar mijn passen worden minder zeker met elke stap die ze mijn kant op doet. Heupwiegend swingt ze langs de andere dansers en met elke draai van haar welgevormde billen komt ze dichter bij mij in de buurt. En elke keer als ze mijn kant op kijkt, lacht ze haar brede lach, en ik lach terug.

Ik kijk om me heen, maar niemand kan me redden. Ik moet weer een ritme vinden om op te dansen, snel, heel snel, maar dan staat ze al voor me. Vlak voor me, op de drukke dansvloer, en ze kijkt me heel even aan voordat ze zich omdraait en verder danst. Ik ruik het geurtje dat ze draagt, vermengd met een zoete zweetlucht, ik kijk naar hoe heel haar lichaam golvend voor me beweegt en haar billen zijn zo dicht bij mijn kruis dat de warmte ervan mijn broek binnendringt. Mijn ritmegevoel is compleet verdwenen, samen met het bloed in mijn benen, en alles lijkt zich te verzamelen in mijn hoofd. Ik voel mijn gezicht rood worden en in mijn oren klinkt alleen nog het bonkend kloppen van mijn hart, en dat is niet hetzelfde ritme als dat van de muziek.

Weer kijkt ze om, en weer lacht ze. Ik lach terug maar weet zeker dat ik lach als een maniak die zijn volgende slachtoffer gespot heeft. Ze kan nu elk moment schrikken van mijn aritmische gestuntel en mijn vreemde grijns en terecht wegvluchten, maar toch doet ze dat niet. Ze blijft voor me dansen, en ik verzamel moed, zoek wanhopig naar het ritme in de muziek. Om me heen staan haar vriendinnen, die geamuseerd kijken naar het schouwspel. Ik duw de gedachte weg dat ze lachen om het schaamrood op mijn kaken en mijn haperende motoriek. Langzaam daalt het bloed weer naar mijn benen, stap voor stap kom ik in het ritme van de muziek terug. Ik durf in te gaan op haar uitnodigende heupbewegingen, beetje bij beetje kom ik dichterbij haar staan, laat mijn hand haar heup strelen. Eerst heel voorzichtig, bang dat mijn aanraking haar afschrikt, maar als ik zie dat haar glimlach breed blijft, raak ik haar weer aan, en weer, tot ik eerst één en dan twee handen op haar heupen durf te laten rusten.

Langzaam vang ik haar ritme en verweef het in mijn ritme. Even dansen we samen, dicht tegen elkaar aan, mijn gezicht naast haar gezicht, we ademen elkaars adem. Dan houdt de muziek op, verandert in een ritme dat ons dwingt om onze gezamenlijke dans los te laten, en ze praat tegen me. Ze zegt dat ik goed kan dansen, en ik geloof haar, ik geef haar het compliment oprecht terug en ze lacht breed, gelooft mij graag. We praten over zweten tijdens het dansen, en over de muziek die vanavond bijzonder goed is, en dan, dan, dan is ze ineens weg. Zonder een woord te zeggen loopt ze de dansvloer over en gaat praten met haar vrienden. Ik sta in mijn eentje, en heb geen idee. Even wacht ik af, maar ze kijkt niet meer en lacht niet meer. Ik ga weer bij mijn vrienden staan, die me vertellen dat; ‘Ze X heet, en dat ze er nogal eentje is’. Ik geloof ze.